[van rompaey]

Van Rompaey


Les oeuvres de maitre Françoys Rabelais, contenant cinq livres de la Vie, Faits et Dits héroiques de Gargantua et de son fils Pantagruel, mis en français moderne par Messire Jehan Garros et congruement illustrés de cent vingt-cinq dessins à la plume d’oye par Messire Van Rompaey
(1930; 1945) (Librairie Gründ, Parijs 1952).

[terug naar illustratoren, naar entree of naar de sitemap]

 

tubal holofernes


In Gargantua XIV onderrichten de sofist Tubal Holofernes en zijn opvolgers de jonge Gargantua, totdat zijn vader Grandgousier merkt ‘dat hij werkelijk heel goed leerde en daar al zijn tijd aan besteedde, maar dat hij er niets van opstak en, wat erger is, dat hij er niet goed wijs van werd, onnozel, suf en een nitwit’.

Rabelais stelt deze opvoeding, die propvol zit en eindeloos duurt maar tot niets leidt, tegenover die van Ponocrates, die de jongen ‘aan de studie [zette] en wel zo, dat hij geen enkel uur van de dag verloren liet gaan’.
 

panurge


Hoofdstuk IX van het Tweede Boek beschrijft hoe Pantagruel Panurge ontmoette, die zijn vriend voor het leven werd. Over deze ‘Tijl Uilenspiegel’ van Rabelais’s boeken ooit meer.
 

gordeltje van bergamo


In het Derde Boek zoekt Panurge wanhopig naar een antwoord op de vraag of hij nu moet trouwen of niet. Hij wil wel, maar is bang door zijn toekomstige vrouw bedrogen te worden. Onder de deskundigen die hij raadpleegt bevindt zich Trouillogan, de filosoof die zijn oordeel almaar uitstelt. Uit hun ‘gesprek’:

Panurge: ‘Maar wie zal me dan wel die hoorntjes opzetten?’
Trouillogan: ‘Iemand.
Panurge: ‘Sodekraaien, mijnheer Iemand, jou geef ik toch een zeenzaaier!’
Trouillogan: ‘Wat u zegt!’
Panurge: ‘Drommels! Die met die bokkenstaart mag me halen, als ik mijn vrouw niet zo’n gordeltje uit Bergamo aandoe, meteen als ik een stap buiten mijn serail ga zetten.’
Trouillogan: ‘U moet beter argumenteren.
Panurge: ‘Beter argumenteren m’n reet! Laten we liever tot een besluit komen.
Trouillogan: ‘Daar heb ik niets op tegen.’

Maar de discussie blijft onvruchtbaar:

Panurge: ‘Sodemieter, ik schei ermee uit! Sodeju, ik houd ermee op! Sodekraaien, ik zie ervan af! Hij is me te glad af.’
 

niphlseth


Als Pantagruel en Panurge in het Vierde Boek op zoek gaan naar de Goddelijke Fles voor het ultieme advies over bovenbeschreven kwestie, bevaren ze vele zeeën en doen ze talloze eilanden aan. Een ervan wordt bewoond door de Beulingen, van wie we hier Niphleseth, de koningin zien. (Zie ook het artikel van Ed Schilders in Faicts & Dicts 19, in de leeszaal.)
 

van rompaey 1952 cinquiesme livre xxxi

‘De koningin was gekleed in helder gedamasceerd kristallijn, fraai geëtst en afgezet grote diamanten.’

We bevinden ons in Lampland, in het Vijfde Boek — over de authenticiteit waarvan men het nog steeds niet eens is —, waar de Lychnobii wonen: ‘Dat zijn mensen die van lampen leven, zoals de bedelmonniken van nonnetjes leven.’ Het gezelschap vraagt de koningin om een lampenpit die hun moet bijlichten en tot gids dienen, als zij hun tocht naar het orakel van de Fles vervolgen.
 

[omhoog, terug naar illustratoren, naar entree of naar de sitemap]