[place hanou]

Place Hanou


Op deze pagina nog een aantal bijdragen van André Hanou voor zijn serie ‘Materiaal voor de kennis van Rabelais en diens werk tijdens de Nederlandse Verlichting’ (zie de inhoud van Faicts & Dicts). Rabelais werd niet gelezen in onze achttiende eeuw? Hanou leverde in deze reeks bewijzen van het tegendeel.

Zie ook in geschrifte: Rabelais in de meer recente geschreven media.

[terug naar faicts & dicts, naar entree of naar de sitemap]

Inhoudsopgave

Den Schiedamsche Saturnus van 1717 [1]
De Broederlijke Vermaning (1729) [2]
Fokke: Boertige Reis [3]
Jan Goeree (1734) [4]
‘De reuzenbeelden van Rabelais’ [5]
Rabelais in Oirschot [6]
Kogels als luizen [7]
‘Den koddigen Rabbelais’ [8]
Rabelais in de bibliotheek van Van Goens [9]
 

[9]
Rabelais in de bibliotheek van Van Goens

Het wonderkind Rijklof Michaël van Goens (1748-1810) en zijn vriend Nicolaas ten Hove zijn in Faicts & Dicts al eens ter sprake gekomen als verwoede Rabelais-lezers (zie mijn ‘Materiaal I’ en ‘Materiaal II’ in Faicts & Dicts nrs. 26 en 29, aanwezig in de leeszaal). Het verbaast dan ook niet dat er twee Rabelais-edities te vinden waren in de eerste bibliotheek van Van Goens, groot 20.000 delen, die hij wegens geldnood verkocht in 1776. Het is slechts een klein aanvullend gegeven, maar toch. Willem van den Berg meldt in zijn artikel ‘De veilingcatalogus van een boekenfanaat’ (in De Boekenwereld augustus 2008):

‘Het lijkt erop dat ouderdom van een boek minder telt dan een eigentijdse kritische uitgave. Bijvoorbeeld een driedelige Rabelais-uitgave uit 1588 werd voor tien stuivers verkocht, terwijl een uitgave uit 1711, van kritische en historische aanmerkingen voorzien, voor vier gulden en vijf stuivers werd verkocht.’

Vraag van een nieuwsgierige. Van Goens begon meteen na de auctie met het vormen van een nieuwe bibliotheek. Een deel daarvan werd verkocht in 1789, in Bazel, weer een ander deel in 1798, te Erfurt. Postuum de rest in 1810, in Wernigerode. Zou er telkens weer een ‘Rabelais’ gezeten hebben in al die nieuwe bibliotheken? [omhoog]
 

[8]
‘Den koddigen Rabbelais’

Catalogi van absurde verzamelingen zijn hier eerder genoemd. Ik dacht opnieuw zoiets te zullen vinden, toen ik in de UB Leiden opvroeg: het volgens NCC/STCN unieke exemplaar van de Olipodrigo van rariteiten, Gekomen uit het Cabinet Van Sekeren gewyden: Om een kleyntje hier ten toon gesteld. Door V,J.M.V. [sic] Eleutheropoli. In Boeotia. Anno 1708.

Dit werkje bleek iets te zijn wat Nederlandse historici in hun onkunde een pamflet noemen, en deskundigen: een paskwil. De tekst, 23 bladzijden groot, is geenszins de gebruikelijke rariteitencatalogus. Het is één lange, hartstochtelijke aanval op een boek met de titel ’s Konings gangen in zyn Heiligdom. Dat boek is blijkbaar geschreven door een dominee (die gewyde uit de titel), in de Olipodrigo gemakshalve aangesproken met ‘Dirk’. U wilt niet weten wat deze Dirk allemaal aan domheden heeft begaan bij diens interpretaties van het Hebreeuws, de bijbel, en het leven. Dat zou een zéér uitvoerige toelichting vergen. Slechts één iets interesseert ons hier. Onze zich tot hoge staat van razernij opwerkende V,J.M.V. meldt dat dombo Dirk zelfs niet in staat is een goede index te maken omdat hij daar allerlei auteurs met elkaar verwisselt; en dat

‘indien men sijn studoor besien mogt, daar sou vinden een Bibliotheek, als die van Sint Victor, by den Koddigen Rabbelais, waar van ’t eerste boek was de Tweeweg der Zaligheid, ’t tweede de Lapsale [sic] der Regten, en so wyders.’

Ik kan met V.J.M.V. meevoelen. Een dominee die geen index kan maken, en die de bokken en de schapen niet in rechte rijtjes weet op te stellen, is als een Balkenende die meedeelt dat je alleen moraal mag verwachten bij een gelovige.

Wie is de aangevallene, wie de aanvaller? Het blijkt dat de auteur van Messias zegen-lied, of ’s Konings gangen in ’t heyligdom, vertoond in een verklaaringe en toepassinge [...] is: de dominee van de publieke kerk, Theodorus Ubink (of: Ubinck). Hij was predikant, achtereenvolgens in Houten, Delfshaven en Alkmaar. Hij overleed in 1709. De eerste druk van het genoemde werk verscheen in 1706, en later in de achttiende eeuw nog tweemaal. Dat is zo ongeveer alles wat over hem bekend is. De naslagwerken over protestantse godgeleerden vinden hem niet eens de moeite van het vermelden waard.

Onze Rabelais-kenner heeft op een vroeg tijdstip blijkbaar al ingezien dat Dirk/Theodorus een imbeciel was. Zo hoort dat ook bij een Rabelais-lezer. Maar wie was V.J.M.V. zelf? Daar ben ik niet achtergekomen, en ik zie ook weinig mogelijkheden dit te kunnen onderzoeken. Ik kan slechts vaststellen dat hij tamelijk talentvol schrijft; een beetje in de stijl van Doedijns. Misschien dat er in de toekomst nog iets meer over hem bekend wordt. De geestelijke nazaten van Monique Bullinga moeten ook nog iets te doen hebben. [omhoog]
 

[7]
Kogels als luizen

Waar ze dol op zijn in de achttiende eeuw zijn fake-verzamelingen van absurdiana. Zo zijn er honderden van dergelijke zaken te vinden in de Catalogus Van een curieuse party fraye en nooi te ziene rariteiten en schilderyen. Die verkocht zullen worden ten Huize van Mie Sas en Kruidt [...] den 36. van de maand colyk of buikpijn (Rotterdam, Arrenberg, na 1753). Bijvoorbeeld: ‘Een Flesje met Schuym uit de Mond van Mahometh, als hy de vallende ziekte had’ (item 149). Op p. 107 vinden we als item 713:

‘Een Kogel, door de Koekebakkers van Lerne in het hair van Pantagruel geschoten, en hy zyn hairen kemmende, daar uit viel, werdende de zelve Kogel door zyn Papa voor een Luys aangezien.’ [omhoog]
 

[6]
Rabelais in Oirschot

Everhardus de Marcq (1728-vóór 1771) was dorpsarts in Oirschot. Mogelijk heeft hij tijdens zijn leven niet vaak een kaarsje gebrand voor de Heilige Hippocrates. Want op 10 februari 1761 nodigde hij een luitenant bij zich thuis om iets te drinken, en viel hem daarop aan met een bajonet en een pistool. Veel bloed. De luitenant overleefde het, maar de dokter was gevlucht. Hij werd bij verstek veroordeeld en zijn bezittingen geveild. Daarbij zijn prachtige, uitgebreide bibliotheek die bij vluchtige sondering de indruk geeft dat de dokter op de hoogte was van de moderne wetenschappen, maar tevens wel ’s liefhebberde in esoterie en alchimie. De modernste tijdschriften stonden in zijn kast. Eigenlijk een beetje een vrijdenker, die arts; dus hij had zó overgeplaatst kunnen worden naar Dorp aan de rivier van Anton Coolen. Of naar de Ooijpolder natuurlijk. En wat had hij ook in zijn kast? De Lettres choisies van Rabelais, editie 1710.

Kortom, als Rabelais in de achttiende eeuw zelfs in Oirschot blijkt gelezen te worden, is de bewering dat Rabelais tijdens de Verlichting in onze Republiek zelden of nooit gelezen werd, een schot zonder kogel. [omhoog]
 

[5]
‘De reuzenbeelden van Rabelais’

P.G. Witsen Geysbeek (1774-1833) is rond 1800 en begin negentiende eeuw  een van de aardiger schrijvers. Hij is satirist, opvoeder, verlichter, vrijmetselaar, en zo nog wat. Deze schrandere man houdt in 1796 een lezing in het belangrijke Amsterdamse culturele bolwerk Felix Meritis. Hij  spreekt daarin ook over wat hij in zijn jeugd las. Hij las graag de verbeelding prikkelende boeken, zoals Gulliver en Klaas Klim. En dan zegt hij:

‘Deze zucht voor het wonderbaare bleef my bestendig by: dan was myn geest vervuld met de reuzenbeelden van Rabelais, dan met de heldendaaden der aloude Spaansche ridderschap [...].’

P.G. Witsen Geysbeek, De hedendaagsche Olympus, een droom,  voorgelezen in de Maatschapy: Felix Meritis. Te Amsteldam, by P.G. Geysbeek en G.  Roos. 1796, p. 2. [omhoog]
 

[4]
Jan Goeree (1734)

Een aanwijzing dat Pantagruel rond 1700 bepaald niet altijd gezien werd als wijze figuur (vergelijk de plaat over de vermeende dood van Lodewijk XIV, uitgegeven als Faicts & Dicts. Berichten van de Rabelais-club ‘Fay ce que vouldras’ 41 / augustus 2007, met een inleiding door André Hanou) is een gedicht gepubliceerd door Jan Goeree (1670-1731) in zijn Mengelpoëzy van 1734. Hij had als lijfdevies ‘Rust ik zo roest ik’.

Uit die Mengelpoëzy blijkt overduidelijk dat hij deelnam aan allerlei soms gereglementeerde vrolijke gezelschappen waarvan wij niets weten. In dl. II vind ik op p. 121 een convocatie op rijm:

‘Berichtdicht Aan den Heer Cnejus Pompejus Lobusius.

Eerwaarde, Wyze, en zeer Discreete,
Men laat u door dit Briefje weeten,
Dat m’op aanstaande Dingsdag zal
(En dit besluyt dat staat reeds pal)
De Penningen, van ’t violeeren
Der Wetten, met elkaêr verteeren.
Wie zich dier tyds dus rustig vindt,
Tot ’t consumeren van die splint,
Met zo veel moeyte en zorg vergaderd:
Verzoekt men vriend’lyk dat hy nadert
Om éénen, in de Keyzers Kroon,
Daar zal men lekker, lief en schoon,
Den eersten Kersdag celebreeren,
Met wat Pantagrueliseeren;
En wie dies tyds niet wil, noch kan,
Eyscht daar geen Ignorantie van.

Amsterdam den 23. December 1714.
Was getekend
J.G.’

In dit kader van potverteren kan men ‘pantagrueliseeren’ onmogelijk anders opvatten dan als ‘er een vrolijke bende van maken’. [omhoog]
 

[3]
Fokke: Boertige Reis (1794)

Arend Fokke Simonsz. (1755-1812) is als bron al even ter sprake gekomen in ‘Materiaal VIII’ (zie f&d 040). In 1794-1806 publiceerde hij in zeven delen zijn Boertige Reis door Europa. Daar geeft hij eveneens blijk van zijn kennis van Rabelais (ik kan helaas alleen naar de derde druk citeren, uit 1826; aldaar dl. I p. 65). Wanneer hij een recept geeft voor het maken van satire, adviseert hij:

‘Ge moet gaan bij de erven Lucianus, in dien overouden Chimist-winkel, waar Doctor Erasmus, Rabelais, Scarron, Rabener en al die luidjes hunne recepten klaar lieten maken.’

Fokke las zijn teksten die later in druk samen de Boertige Reis zouden vormen eerst voor voor het belangrijke Amsterdamse genootschap ‘Felix Meritis’. Men kan dus rustig zeggen dat eind achttiende eeuw althans in Amsterdam Rabelais een bekende auteur was. [omhoog]
 

[2]
De Broederlyke Vermaning (1729) en De Nieuwe Modenze Gebrilde Brilleman (1729-1730)

Ooit is, heel kort, in ‘Materiaal II’ (Faicts & Dicts 29), aan de orde geweest dat Jacob Campo Weyerman, in zijn blad Den vrolyke Tuchtheer, de auteur Sulsis (een pseudoniem van Simon van Leeuwen) verweet dat deze Rabelais plunderde. Is dat zo? Wanneer ik mij beperk tot tijdschriften ken ik maar twee bladen van Sulsis. Allereerst het satirische weekblad De Broederlyke Vermaning, voor de zogenaemde Vrolyke Tugt-heer. Er zijn maar twee nummers van bekend (KB 234 K 27-3). Die verschenen op 22 en 29 november 1729, en dat is waarschijnlijk ook einde verhaal-Vermaning geweest. Dat doet verder niet ter zake. Hij richt zich in deze nummers tegen Jacob Campo Weyerman en diens blad. Ook dat is hier niet van belang. Wat wèl van belang is, is dat de auteur tijdens het korte leven bestaan van zijn Vermaning erin slaagt ten minste éénmaal naar een figuur van Rabelais te verwijzen. Hij zegt namelijk in het tweede nummer, op p. 10:

‘[...] altyd de Vader en Moeder van Momus ware wel eerlyke dog arme Luyden, hebbende geen voorraet in de Kuyp van een half hondert Ossen of een duysent of twee Westphaelse Hammen, nog allerlei soort van Wynen en Boeren, maar was met een dunne biertje wel te vreede, Momus trouwde dan in een tyd dat hy de opstyging van de Vaar had, en uyt raserny wel in zyn staart zouw gebeeten hebben, met Dona Gargamelle, een poeselig Meisje met Borsjes en Billetjes zo hart als een spyker, in haer Huwelyk speelde zy, gelyk sulks de gewoonte is, smerende seer vermakelyk malkanders spek tegen den anderen, tot dat die Dame, dewyl tog alle Dames moeten zyn, bevrugt wierd van een Zoon, en droeg deselve elf maenden, want sulks kan geschieden [...].’

U merkt: Sulsis had nog meer dan andere achttiende-eeuwse schrijvers weinig gevoel voor interpunctie; maar wellicht stond hem tijdens het schrijven zo’n poezelig meisje voor de geest — laten we het althans maar op ‘geest’ houden. Wat later begon hij met een andere blad: De Nieuwe Modenze Gebrilde Brilleman. Dat weekblad liep, voorzover ik weet, van 12 december 1729 tot 20 maart 1730 (KB 234 K 27-4). En daarin tref ik, in de aflevering van 2 januari 1730, ten minste één gruwelijk lang stuk aan dat grote kennis van Rabelais verraadt (zouden er nog steeds mensen zijn die denken dat Rabelais bij ons in de achttiende eeuw niet gelezen werd?). Van Leeuwen geeft een soort geschiedenis van de mensheid vanaf de schepping en vervolgt met de geboorte van Pantagruel.

‘Bij vervolg van tyd, want wie zoude al die geslagte kunnen aanroeren, quam Etien ter waereld, die het eerste de Pokke kreeg, of Venus-ziekte, om dat hy niet koel in de Somer gedronken had, en eindelyk uit eenige meerder geslagte quam Pantagruel dien Reus ter waereld, dat een groote vraat was, want hy vrat Pandexte, Code, en al wat ’er aan was in zyn leege en onverzadelyke darmen op, uit dat Ras zyn de Procureurs na de Zont Vloed voortgekomen, want die Pantagruel was naderhand ter waereld gekomen, schoon andere zeggen dat hy overbleef. Ik hoor wel dat zommige die dit zullen lezen, by haar zelve een redelyke twyffeling over dat zeggen, zo wel als ik, zullen opnemen, vragende hoe dat mogelyk is, terwyl ten tyde van de Zont-Vloed al de waereld vergong, uitgezondert Noach en nog zeeve met hem die in de Arke waren, onder welk getal deze reus niet en was, die vraag is redelyk, maar het antwoord zal u vergenoeging geven [...;] altyd deze die zegt ons dat die Reus, de Arke tusschen zyn twee beenen had, bewegende dezelve met zyn voet, dan na de eene dan na den anderen kant, en op die wys behield hy dezelve; de gene die daar in waren stuerde hem eeten door de Schoorsteen van de Kajuit, zomtyds spraken zy ook wel eens met malkanderen [...]. Vriende hebt gy dit alles wel gehoort, zo gelooft ’er niet meer van, als gy wilt gelyk ik ook niet en doe. Deze Pantagruel zyn Vader was Gargantua, die deze zoon verwekte wanneer hij vierhondert en tagtig, en twee en veertig jaren oud was, latende het bovenste zo het was en het onderste in de hand nemende.
Zyn Vrouws naam was Badebes [sic] dogter van de Koning Amantares in Utopie, die van hem in het baren storf, want hy was zo kloek en groot dat hy al de binne vertrekken van zyn moers winkel waaren vertrapte en verrekte; Dog om volkomen onderregt te zyn, van de reden en oorzaak van zyn naam die hem by den doop wierd gegeven, moet men opmerken dat ’er in dat jaar een groote droogte was in gansch Africa, die meer als drie-en-dertig maanden, drie weeken, de hitte der Zon zo uiter mate zynde, dat de gansche Aarde daar van verdorde, ja dezelve kon ten tyde van Elie niet arger als toen geweest hebben, want daar was geen boom of de bladeren waren van de hitte verbrand, het land was zonder groente, de Rivieren en Fonteinen uitgedroogt, de Visschen van haar natuurlyk Element verlaten, schreeuwde en maakte hier en daar  verspreid een vreeslyk geweld, de Vogelen by gebrek van den Hemelsche Dauw vielen op de aarde neer, de Vrouwen en de Meisjes, schoon haar dat zeer natuurlyk is en piste niet meer, om dat zy geen Thee en Coffy en een Cloddertje daar op konde drinken, het Cypres duivehok stond van versmagtheid open met opgespelte kaken dat het vreezelyk om te zien was, en alzo eizelyk als den Tugt-Heer zyn bek, wanneer hy als een Ezel grimlagt, de papieren van den Auteur van den Sulsis, die hem na waarde roskamt, leezende, de Wolven, Vossen, Harten, wilde Swynen, (of de Tugt Heers daar onder waren weet ik niet) maar dat weet ik wel, dat Haazen, Konynen  en al het lang oorent en gehorent vee van dorst versmagte, want de redelyke menschen die zoude men voor haazen die van de windhonden vervolgt zyn, den tong uit hare monden stekende genomen hebben. Den een smeet zig in een put, den ander stak zig in den buik van een koe, om in de schaduw te zyn; dewelke Homerus, Alibantes, noemd met een woord het gansche land lag op het droogte ten anker; het was bedroeft te zien, hoe ieder een arrebeide om zig voor die hette te behoeden, men had moeite genoeg om het weiwater in de Roomsche kerken te bewaren, de Paus en de Kardinalen, droegen daar zorg voor, want als men de Ryken met een wyquast beproefde, stonde de Arme menschen agter dezelve met opene monden, om ook een droppeltje te vangen [...].
De aarde was dan zodanig verhit, dat zy uitermate begon te sweeten, en zo de Zee, die zeer zout is, voort bragt, want gelyk men weet dat sweet zout is, het geen gy toe zult stemmen zo gy uw eige sweet maar eens proeve wil, of anders wel van een die de Venus ziekte heeft [...]. Altyd deze zaak geschiede op een vrydag, als ieder een wenschte om en andere tyd te hebben, wanneer men zeer schielyk uyt de aarde, in meenigte zeer groote druppelen zweet zag opkomen, ’t geen de menschen niet weinig verheugde, denkende dat ’er geen water meer in de lugt zynde, de aarde nu dat zoude voortbrengen: andere zeide weer dat het den reegen van de Antipodes was, daar Seneca van spreekt, Quaestionam naturalium, aangaande den oorspronk van de Rivier de Nyl, maar zy waren bedrogen, want den een den ander smytende wie het eerst van dat water proeven zoude, stonden zy niet weinig te kyken dat het zo zout als pekel was, en op dien zelfden dag quam Pantagruel ter waareld; zyn Vader gaf hem die naam om dat Panta in het Grieks zo veel als, geheel, alles, gezegt is en Gruel in de Hagarenische taal is zo veel als dorstig, by gevolge verbelende dat op zyn geboorte, al de wareld dorstig was, om die redenen zyn zommige Procureurs, die gelyk wy gezegt hebben uit dat Ras van Pantagruel zyn voortgekomen, zo dorstig, en spreken zelden over zaken van proces alvorens verscheide comparitien te beleggen, en dat wel in de huizen daar goede Nectar is, uit vrees dat haar tong door droogte aan haar verhemelte mogt blyven kleven, altyd deze Pantagruel quam ter Waareld zo ruig als een Beer, waar van wy by gelegentheid aardige dingen zullen verhalen.
Gargantua was zo verblyd over de geboorte van zyn Zoon, dat hy om de dood van zyn Vrouw niet eens meer en dagt, hy gebood dat men Broeder Jan, een Monnik, daar hy veel van hield zoude laten halen, het welk geschiede, en zo dra had hy Broer Jan niet vernomen of vloog hem om den hals en den ander hem weder, het was Broer Jan onder en Broer Jan boven zo dik en zo lang als een arm, za, za zei de Munnik, laat men my wat fris water geven, dat zal my de long wat verkoelen, deposita cappa, legt uw frok af zei Gargantua; holla antwoorde den ander, myn Edelman, (want Broer Jan was een Engelsman en die noemen een zwarte Steenkooledrager al Gentilman, Edelman.) Daar is een Capittel, in Statutis ordinis, in de instellinge van ons ordre, die daar niet meede te vreden zoude wezen. Wel zei den ander het zal u de schouders doorwegen: geenzints zei de Monnik, ik drink maar zo veel te beter, indien ik die afleide mogten ’er uw Dienst-meisjes eens kouze-banden van maken, gelyk myn eens gebeurt is, daar en boven als ik die aan heb kan ik wel eens zo wel eeten en drinken; ik had reeds in myn Klooster gegeten maar wy hebben altyd nog wel een hoekje leeg, want onze Magen zyn gelyk aan die van een Vogel-Struis en altyd open als de beurzen en handen van d’Advocaten, ik hou veel vervolgde hy te zeggen, van de vleugel van een Patrys, maar nog meer van de blanke billen van een jonge Non, men sterft zeer genuggelyk als de middelste vinger styf is. In die zaak zei Gargantua, slagt gy de Vossen niet, want die eeten nooit het spier of het wit, waarom vroeg den Monnik? om dat zei den ander zy geen Koks en hebben om die klaar te maken en uit haar zelven gaar genoeg zyn, zy blyven rood en niet wit, de roodheid van dat Vlees is een teken dat het gaar genoeg is; dan is onze Kardinaal wel gekookt, antwoorde den Monnik, want ik zag hem laast by een Venus Diertje, en indien men hem doen uitgeschildert had, hy wel by een Helsche furie zoude kunnen vergeleken worden, of by een Kalkoensche Haan die een sprongetje wil doen, en om meerder kragt te hebben, eerst zig vergramt maakt. Deze Bil van een Haas, zei Gargantua, is goed voor die het Podagra hebben, maar apropo van Verkens gesproken, waarom is het dikke van een jong Meisje haar been gemeenlyk fris en koel? zulks is in Aristoteles nog Plutarchus niet verhandelt; dat is antwoorde de Monnik, om dat die plaats altyd verkoeld word; primo, om dat het water daar langs loopt; secundo, om dat de plaats duisteragtig is, en ten derde, om dat dezelve dikwils door het bieze-gat, het hembt en diergelyke word bewaaid. Maar zei Gargantua Broer Jan, studeert gy niet dat gy zo geleerd zyt? ja antwoorde hy in dat zoort van Boeken meer als in wat anders; onze overledene Abt zei dat het monstreus was, een geleerde of verstandige Munnik te zien, als hy de Nonnen de handeling van het geweer maar kan leren, dat is genoeg; Bloemerharte vervolgde hy, ik weet een Haasje kan ik dat kryge, zo spring ik over de hegge, al bleef de wol van myn kleed aan de doornen hangen, want ik ben niet gerust of moet beentje over spelen, het is dan op d’eene of d’andre manier. Ik kan niet begrypen, Broer Jan, zei Gargantua, dat de Munniken zo gehaad zyn, daar ’er nogtans veele zyn die zo vermakelyk zyn in gzelschappen. Daar is niet zekerder antwoorden de Munnik als dat ons kleed alle veragtinge van de waereld na zig trekt, de reden daar van is, dat zy zyn gelyk de Aapen in een familie, die niet waakt als een Hond, nog de ploeg trekt als een Os, nog minder wol of melk als de Schapen geeft, nog een last als een Paard draagt, maar alleen tot tydverdryf van de Vrouw is, zo doen de Munniken ook, want zy ploegen niet gelyk de Boeren doen, nog bewaren het Land niet gelyk de Zoldaten, maar komen alleenig in een huis om de beurzen te legen, de Vrouw, de Dogter of de Meid te geryven. Maar zei Gargantua, zei bidden voor het Volk: nog vry minder zei de Munnik, zy maken haar buuren harzenloos door het geluid van haar klokken, en de Misse, Matinen, en Vespers die zeggen zy maar, ten halven, en het geene dat zy daar nog van zeggen verstaan zy niet, zy telle een Paternoster, gelardeert met Ave Mariaas, zonder op dezelve te denken; zyn de Menschen niet dwaas, zei hy, dat men zo een groot getal luibasten daar toe houd, alle eerlyke luiden doen beter als wy daar ontrent, maar ik zei hy, ik doe zo niet, want ben altyd bezig, al zou ik als ik in een huis kom de Meisjes de Vloon in haar hembt helpen zoeken, het geen ik uit medelyden en zonder intrest doe, Broer Jan, zei Gargantua, leegt u glas. Ha! ha! antwoorde den Munnik, dat doe ik wel zonder bevreest te zyn van te verdrinken. Maar vroeg Gargantua, Broer Jan, hoe is u neus zo rood, dat men van dat leer winter-laarzen had zou men wel Oesters kunnen gaan visschen zonder natte voeten te halen. Maar hoe komt het vroeg hy verder dat uw neus zo lang is, dat is antwoorden den Munnik om dat myn Minnemoer zagte borste had, daar myn neus in viel of het boter was, en groeide als het deeg in den trog: anders die de borsten hard hebben, maken kinderen met platte neuze, daar en boven was myn Vaar ook een Munnik en die moeten gelyk gy weet zo nau niet zien, en pylen wel eens daar geen grond is, wat meer is zo moet ik u belyde dat om de grootheid van myn neus, my nog niemand afgewezen heeft, en daar mede was haar discours ten einde.
Vrienden die dit leest, neemt het zo goed en zo quaad als ik het u geef, en weest verzekert dat het niet geschiet om de naam van een Auteur te verkrygen, als wel om geen schurft in myn beuts te hebben, en andere argumenten kan ik u niet voorstellen, het is beter iets om te laggen als om te huilen [...].’ [omhoog]
 

[1]
Den Schiedamse Saturnus van 1717

Van Cornelis van der Gon (1660-1731) is niet veel bekend, behalve dat hij begin achttiende eeuw actief was in Rotterdam. Dr. Anna de Haas is bezig aan een speurtocht naar zijn leven en werk. Cornelis schreef toneelstukken, maar ook is hij een van de eersten geweest die zijn pen probeerde in een satirisch weekblad. In zijn Den Schiedamse Saturnus trof ik ten minste twee passages die erop wijzen dat hij vertrouwd was met Rabelais. Ik sluit niet uit dat er meer te vinden zijn. De eerste is te vinden in het nummer van 29 juli 1713. U ziet dat daar, in een passage over de Engelse Whigs, Pantagruel niet beschouwd wordt als wijze maar als levensgenieter. Dat is een zienswijze die, blijkens andere teksten, in ons land tamelijk gebruikelijk is rond 1700.

‘De Wighs, lieten op het veld van eer, de ponsbool louter zwaaijen, en zopen, dat’er de kruin draayden, op de gezondheid van de Prins van Hannover, met de bedemming van alle de St. Jorisgasten: nooit zag je de Pantagruëllisten, zoo smakelyk zouffen; Pontac, en Grandboudrie Conjacq Conjacq; een deuntje dat de Engelse meê wel kennen; vloog’er, van mond tot mond: daar is niets verdrietelyker, als dorst te lyden [...].’

En herinnert u zich een bekende bij het lezen van het nummer van 26 augustus 1713? Daar is Cornelis bezig met het bespreken van de kosmologie van Ptolemeus.

‘Daar hebje nu de eerste Hemelemaker, hier op Aarde, die steld, dat den Aardkloot rust, en al de hemelen en Planeeten, daar boven, bewegen: zoo je ’t nu niet gelooven wild, Leezer, zoo moet j’er naar toe vliegen, en kyken ’t eens of ’t waar is: maar zacht, hoe zou j’er deur komen? want al deze cirkels zyn, volgens het zeggen van dezen Turelupin, of Kluchjesmaker van turelure, zoo hard, en vast in een geklonken, dat’er de diamant maar een vooze knol by is.’

Mocht u het vergeten zijn: een van de titels in de bibliotheek van Sint-Victor (Pantagruel VII) is geschreven door Turelupin of Turlupijn: De ragebol der predikheren
.

[omhoog, terug naar faicts & dicts, naar entree of de sitemap]