[lezen of niet]

Omtrent de ‘non-lecture’


Over het niet gelezen hebben van boeken die, bijvoorbeeld, wel een prominente plaats innemen in een canon, een boekenkast, of in een conversatie, in dromen misschien, gaat deze rubriek van
de lezende kip. Na de inleiding volgen de bijdragen, in oplopende volgorde, in
gelezen of niet gelezen...

[terug naar de lezende kip, naar entree of naar de sitemap]

Peter Boxall ed., "1001 boeken die je gelezen moet hebben" Met bijdrage van Ed van Eeden (Kerkdriel 2007) [foto monique bullinga]

Lezen of niet lezen, daar gaat het om...

Pierre Bayard, "Comment parler des livres que l'on n'a pas lus?" (Parijs 2007)  [foto monique bullinga]

1001 boeken die je gelezen moet hebben, en hoe daar vervolgens over te spreken zonder ze gelezen te hebben: dat lijkt me inleiding genoeg voor deze pagina. Bayard —  want op zijn boek
(-titel) ligt de nadruk — is onder andere vertaald in het Engels en het Duits; op de website van Complete Review worden links naar vele recensies gegeven en eindigt de eigen bespreking met:
‘A must-read for anyone who cares about books.’

Een bespreking van de Nederlandse vertaling door Piet Offermans is te lezen op recensies.
 

Gelezen of niet gelezen...
 

‘Before leaving London he repeated to Dr. Johnson his former promise that he would devote a portion of his time to reading. Johnson despatched to him at Edinburgh several boxes of books, thereby relieving his collection of supernumerary volumes, and by placing on the books a marketable value discharging a debt which he owed on the Hebridean journey. After an interval Boswell reported that owing to a renewed attack of melancholy the boxes remained unopened. Johnson in these words administered reproof:

“To hear that you have not opened your boxes of books is very offensive. The examination and arrangement of so many volumes might have afforded you an amusement very seasonable at present, and useful for the whole of life. I am, I confess, very angry that you manage yourself so ill.”

Boswell opened the boxes, and found what he describes as “truly a numerous and miscellaneous stall library thrown together at random.” It was not further disturbed.’

Boswelliana. The commonplace book of James Boswell. With a memoir and annotations by the Rev. Charles Rogers (1874),  pp. 113-114.

♦♦♦

 

pfaeltzer fragment tekening spinoza's achtbaan p. 86

Spinoza?
‘Schrijver van de Ethica. Staat al heel lang in de top drie van boeken die iedereen kent maar niemand heeft gelezen. Samen met Ulysses van James Joyce en Sein und Zeit van hoe heet die nazi ook alweer... Heidegger!’
■ Erik Bindervoet en Saskia Pfaeltzer, Spinoza’s achtbaan (2015), p. 10.

♦♦♦

‘[…] No one is treated with more patronising condescension than the unpublished author or, in general, the would-be artist. At best he is commiserated. At worst mocked. He has presumed to rise above others and failed. I still recall a conversation around my father’s deathbed when the visiting doctor asked him what his three children were doing. When he arrived at the last and said young Timothy was writing a novel and wanted to become a writer, the good lady, unaware that I was entering the room, told my father not to worry, I would soon change my mind and find something sensible to do. Many years later, the same woman shook my hand with genuine respect and congratulated me on my career. She had not read my books.’
■ Tim Parks, Where I’m reading from. The changing world of books (2014), p. 124.

♦♦♦

‘Met overbuurman [Gerard] Walschap zou het nooit meer helemaal goed komen. “Walschap, die het boek [Tsjip] meer dan een maand thuis heeft gehad [...] zond het eindelijk aan zijn maats door zonder het gelezen te hebben. Dat moest hij veertien dagen geleden bekennen, toen ik bij hem was. Hij had het ‘eerste hoofdstuk’ gelezen en zich toen van het pak ontlast. Maar zijn vrouwtje had het doorgebeten. Ik vind het een rare manier van doen. Had hij ’t boek tenminste gelezen dan had ik zijn kritiek op Leda nog kunnen slikken, maar zóó kan het er niet mee door. Zoo’n aterling.”’
■ Uit een brief van A. De Ridder aan Jan Greshoff, 9 maart 1934, geciteerd in: Vic van de Reijt, Elsschot. Leven en werken van Alfons De Ridder (2011), p. 232.

♦♦♦

edmond & jules de goncourt ,bracquemond 1875


‘Succes is er altijd om de verkeerde redenen... Ach, de vorm, welke lezers vinden vreugde en voldoening in de vorm? En vergeet niet dat je je met de vorm verdacht maakt bij de justitie, bij de rechtbanken, die vóór de klassieken zijn. Maar niemand heeft de klassieken gelezen! Er zijn geen acht schrijvers die Voltaire gelezen hebben, ik bedoel werkelijk gelezen. Geen vijf die de titels kennen van de stukken van Thomas Corneille...’

‘Vroeger werd er in de provincie niet gelezen en men had er geen enkele mening over schrijvers of boeken. Tegenwoordig wordt er evenmin gelezen, maar men houdt er wel meningen over literatuur op na, die men dan uit goedkope krantjes heeft gehaald. Een betreurenswaardige vorm van vooruitgang!’

■ Edmond en Jules de Goncourt, Dagboek. Gekozen, vertaald en bezorgd door Leo van Maris (1985; 2014), resp. p. 71 en p. 163.

♦♦♦

‘Vanaf haar sofa die ze van paarse kussens had voorzien, keek Elvire toe hoe de meisjes met het kind aan het sollen waren. Ze sneed langzaam met een briefopener in de vorm van een Chinese jatagan een boek open dat ze niet zou lezen. Dat ze nooit zou lezen. Zoals ze ook de andere niet had gelezen, geen van de andere die ze ook zo had opengesneden, met een ruwe haast waardoor het papier lelijke scheuren ging vertonen, zoals ze er nooit een zou lezen.
      Want als haar ogen een zin ontcijferden, het geeft niet welke, op goed geluk af, in het begin, aan het einde of midden in het boek, hoe ingewikkeld de bizarre kronkelgang ervan ook mocht zijn, hoe opvallend de banaliteit of de poëzie, er was altijd wel iets voor het dolende brein van Elvire om nog verder af te dwalen, en om te dromen. Ze las nooit een zin uit. De woorden kwamen niet tot een eind, sleepten haar mee, bleven zelf als kurken drijven op haar gedachten. Ze kon niet meer lezen. Ze kon alleen nog dromen.’
■ Louis Aragon, De reizigers op de imperiaal. In de vertaling van Hannie Vermeer-Pardoen (2014),
 p. 509.

♦♦♦

‘Men denke aan de roem van Rodin, die alles kan wat een beeldhouwer kan, maar toch eigenlijk niet kan beeldhouwen, in dezelfde zin als Marijke Bakker niet kan acteren. Zo moeten er ook schrijvers zijn die eigenlijk niet kunnen schrijven, maar nochtans de lezers voortdurend suggereren dat zij schrijvers zijn en daarom door zeer veel lezers gewaardeerd worden. Ik heb altijd gedacht dat Walt Whitman zo’n schrijver was, maar ik heb nooit iets van hem gelezen.’
■ Karel van Het Reve, Ik heb nooit iets gelezen en alle andere fragmenten (2004), p. 145.

♦♦♦

‘Leonie dunked the skillet in the rinsewater. “I don’t know why Ed doesn’t take an interest in things like that.”
“Why, I thought he did,” said Callie. “I thought Ed was always reading books.”
“Oh, he is — or says he is. I never heard him discuss any of them much.”
“Maybe he just don’t talk about ’em.”
“More likely, he can’t. Dad always said Ed just looked at the pages — didn’t really read.”’
■ Jetta Carleton, The moonflower vine (1962; 2009), p. 242.

♦♦♦

‘Qu’apportait-il enfin dans ses commentaires d’Aristote qui pût l’habiliter à cette tâche d’instructeur? Il n’avait pas de connaissance de l’histoire ancienne, il n’avait pas d’idée des opinions exprimées en cette discipline vénérable, il n’était pas au courant des sectes philosophiques dont Aristote fait mention presque à chaque page. C’est ainsi qu’on peut le voir citer abominablement tous les philosophes de l’antiquité, car il n’avait jamais lu un seul d’entre eux, ignorant qu’il était du grec et du latin: au lieu de Proclus il écrit Ptolomaeus, au lieu de Protagoras Pythagoras, au lieu de Cratyle Démocrite; il affuble les livres de Platon de titres ridicules, et il s’exprime à leur sujet de façon telle que même un aveugle peut voir clairement qu’il n’en jamais lu le moindre mot.’
Juan Luis Vives, De disciplinis, I.5.3, geciteerd in J.-C. Margolin, ‘Vivès, lecteur et critique de Platon et Aristote’, in: R.R. Bolgar ed., Classical influences on European culture A.D. 1500-1700 (Cambridge 1976; 2010), p. 252.

♦♦♦

‘On ne lit pas Montaigne. On étudie de courts extraits pris dans les manuels scolaires. Plus tard, éventuellement, par curiosité pour un épais volume appartenant à notre patrimoine culturel, on survole quelques chapitres. Ce n’est toujours pas le lire vraiment.’
■ Hervé Caudron, Apprendre à philosopher avec Montaigne (2013), p. 7.

♦♦♦

‘Na Ivan aldus de les gelezen te hebben, informeerde de gast:
— Beroep?
— Dichter! bekende Ivan, zijns ondanks met tegenzin.
Dit trof de gast pijnlijk.
— Ach, is dat pech hebben! riep hij uit, maar hij herstelde zich meteen weer, verontschuldigde zich en vroeg: Hoe heet u?
— Bezdomny...
— Hm... zei de gast fronsend.
— Wat heeft u, houdt u niet van mijn gedichten? vroeg Ivan benieuwd.
— Maar dan ook helemaal niet.
— Welke heeft u dan gelezen?
— Ik heb nooit één regel van u gelezen! riep de gast zenuwachtig uit.
— Hoe kunt u dat dan zeggen?
— Wat zullen we nu hebben! antwoordde de gast. Alsof ik nooit andere verzen heb gelezen. [...]’

■ Michail Boelgakov, De meester en Margarita. Vertaald door Marko Fondse en Aai Prins (1997) (Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 2011), p. 144.

♦♦♦

‘Maar nu ik het over dé humanisten heb en zelfs over dé nuchtere Hollander, nu, hoop ik, de overeenkomsten tussen Agricola en Van Heusde zijn opgevallen, kom ik toch wel terecht in het bekende probleem van de generalisering. De overtuigingen van op zijn minst een paar honderd humanisten uit zoveel eeuwen lopen uiteen, en wat weet ik er eigenlijk van, ik heb er maar een paar gelezen en van hen nog maar een paar werken en daarvan nog maar een paar goed, terwijl er ook nog eens zoveel relevante secondaire literatuur bestaat sinds Burckhardt en Voigt... die ik doorgebladerd heb.’
■ J.P. Guépin, Het humanisme 1350-1850 (1993), p. 22.

♦♦♦

‘Ik ben het dan ook wel eens met de opmerking van Piet Schrijvers dat Greenblatts boek [De zwenking. Hoe de wereld modern werd, 2012] een wat opgeblazen indruk maakt. Ik denk dat het vooral de wat ronkerige ondertitel is die maakte dat Steenbakkers en Klever dit boek aanraadden. Ik vraag me nu af of ze het zelf wel lazen en of mogelijk de verwijzing naar Lucretius al de trekker was. Enfin, ik vond het een informatief en zeer interessant boek, en de vondst van Lucretius wás een opmerkelijke historisch-culturele daad, maar een beeld van “hoe de wereld modern werd” bied Greenblatt’s boek nauwelijks.’
■ Stan Verdult, in een blog van 6 mei 2013: ‘The Swerve / De zwenking biedt nauwelijk beeld van “hoe  de wereld modern werd”’. De reactie van Wim Klever luidde: ‘Correctie: ik heb Steinblatt  gelezen noch aangeraden. Daarentegen heb ik wel alles van Epicurus (in het Grieks) en van Lucretius (in het Latijn) gelezen [...]’

De voor het overige zeer lovende bespreking trof me, omdat ik The swerve weliswaar met veel plezier gelezen had, maar ook vond dat het boek te veel aan de oppervlakte bleef. Het raakt aan van alles en nog wat, en ja, natuurlijk vind Poggio Bracciolini dat manuscript — spannend! — maar het gaat nooit de diepte in. En wat bladzijdenlange verhalen over de flagellanten deden in dit boek over de vondst ‘die de wereld voorgoed veranderde’ (als er één uitdrukking is die alle zeggingskracht verloren heeft dan is het deze), begreep ik niet. Het leek me eerder een bijproduct van ander onderzoek. Zeker, Greenblatt schrijft met vaart en is een rasverteller, en dat maakt hem een feest om te lezen. Zijn Will in the world. How Shakespeare became Shakespeare (2004) las ik in één adem uit. Maar hier ging het om een coherent geheel, alle kritiek van Shakespeare-deskundigen ten spijt. Dat kun je van The swerve jammer genoeg niet zeggen.
      Zie over Lucretius’ De rerum natura het signalement van de vertaling die Piet Schrijvers maakte, recensies nr. 19.

♦♦♦

De feeks. Nanda van der Zee. “Ik herinner me dat op de dag dat mijn biografie over Wilhelmina uitkwam, aan haar als historica werd gevraagd wat ze ervan vond. Nou, zei ze, ze had het boek niet gelezen, maar het was vast een damesroman. Een nogal hekserige opmerking. Maar als het dan toch zo moet, geef ik de voorkeur aan de term paleisroman.’”
■ ‘Cees Faseur over de vrouwen in zijn leven’, Opzij mei 2013, p. 98.

♦♦♦

‘Verhalen die doorverteld worden en betekenis geven aan het leven van een mens, lijken voor Dohmen niet van groot belang. Ze zijn hooguit handige illustraties van de lessen van de levenskunst. In zijn “Het leven als kunstwerk” verwijst hij naar Canto 26 van de “Divina Commedia” van Dante, waarin Odysseus figureert in de onderste krochten van de onderwereld. Pijnlijk vind ik dat hij de betekenis van deze beroemde literaire tekst, die onder anderen Primo Levi en een metgezel helpt om het concentratiekamp te overleven — “Gij zijt niet geschapen om als redeloze wezens te leven, maar om deugd en kennis na te streven” — precies omkeert. Dohmen veroordeelt Odysseus vanwege diens overmoed. Hij zou model staan voor de laatmoderne mens “op weg naar de Hel”.
      Ik vermoed dat Dohmen weinig moeite heeft om toe te geven dat hij Dante’s tekst nooit heeft opengeslagen. [...]’

■ Hans Achterhuis, ‘Leven is geen kunst’, Trouw 20 april 2013, p. 8 (in een antwoord op Joep Dohmen, ‘Levenskunst is goed voor elk’).

♦♦♦

‘To understand literature [...] we must stop reading books.’

Wie meer over deze prikkelende stellingname wil weten leze het artikel van Kathryn Schultz in de New York Times Sunday Book Review (juni 2011; hier), waarin Franco Moretti, die de term ‘distant reading’, als tegengesteld aan ‘close reading’ muntte, zijn zienswijze op de toekomst van het digitale onderzoek in de letteren uiteenzet. Moretti, in 2010 met Matthew Jockers oprichter van het Stanford Literary Lab, houdt een pleidooi voor het gebruik van de computer om literatuur te begrijpen. De term ‘distant reading’ gebruikte Moretti al eerder, in een artikel uit 2000 in New Left Review (hier). Zie ook Jockers’ reactie op Schultz’ artikel  (hier). Hij spreekt liever van macroanalysis; zijn boek Macroanalysis. Digital Methods and Literary History verschijnt over drie maanden bij de University of Illinois Press.

Nicoline van der Sijs besteedt in haar column in de NRC van 6 april 2013 aandacht aan de bredere context van de digital humanities of e-Humanities, en belooft ons over ‘het nut van computerlezen’ op de hoogte te houden. Boeiend materiaal, voor de onderzoeker en voor de geïnteresseerde lezer, ook als die liever een boek leest.

♦♦♦

shamir detail omslag


‘The expert members of the commission were to produce a written counsel − Gutachten − to be sent to Uriel, the head of the commission. The mandate asked for the learned opinion of the doctors of the universities of Cologne, Mainz, Erfurt and Heidelberg, and furthermore of Jacob Hoogstraten, Johann Reuchlin and Victor von Carben, and of other non-Jewish Hebraists. It demanded the experts to consider and deliberate the matter thoroughly. And even though a letter of appointment to the commissioners suggested that the books should be examined word for word, probably no actual reading of the books was expected. After all, among the experts only Reuchlin was really fluent in Hebrew, not to mention the fact that the Talmud was written mainly in Aramaic, a language nobody among the experts mastered.’
■ Avner Shamir, Christian conceptions of jewish books. The Pfefferkorn Affair (Museum Tusculanum Press, University of Copenhagen, Copenhagen 2011), p. 33.

♦♦♦

‘There is plenty of morality, if there are few rare books in the stalls. The decay of affection, the breaking of friendship, the decline of ambition, are all illustrated in these [...] collections. The presentation volumes are here which the author gave in the pride of his heart to the poet who was his “Master”, to the critic whom he feared, to the friend with whom he was on terms of mutual admiration. The critic has not even cut the leaves, the poet has brusquely torn three or four apart with his finger and thumb, the friend has grown cold, and has let the poems slip into some corner of his library, whence they were removed on some day of doom and of general clearing out.’
■ Andrew Lang, ‘Apology for the book hunter’, in idem, The library (1881).

♦♦♦

Ja, dat kan ook: vertalen wat er niet staat. Als je een boek ziet liggen en ongezien koopt op de titel kun je bedrogen uitkomen. Dat overkwam me met De bibliotheek van Bagdad. De bloei van de Arabische wetenschap en de wedergeboorte van de westerse beschaving (2012). Ronald Cohen heeft vertaald wat er niet staat: volgens het colofon luidt de oorspronkelijke titel namelijk Pathfinders. The Golden Age of Arabic Science. Met hoeveel plezier ik het ook gelezen heb, ik meende me te kunnen verheugen op een boek waarin ‘De bibliotheek van Bagdad’ centraal stond. In een andere uitgave (zie signalement Staikos, History of the library, nr. 28 op recensies) had ik gelezen dat het zeer onzeker is of die bibliotheek, genoemd Bait al-Hikma of Huis van de Wijsheid, werkelijk bestaan heeft. Over de eraan gelijkgestelde ‘bibliotheek van Bagdad’ gaat het boek ook helemaal niet, het geeft precies wat de Engelse titel zegt, niet meer en niet minder. ■ In hoofdstuk 5, ‘Het Huis van de Wijsheid’, wordt wel een soort kenniscentrum beschreven, een plaats waar de grote geleerden van die gouden eeuw bijeenkwamen om te studeren en te schrijven, onder hetzelfde dak als waar de boeken van de Abbasidische kalief al-Ma’moen (786-833) bewaard werden, en waarover Al-Khalili zegt:

Voordat we onze blik richten op de activiteiten en hoofdpersonen in het Bagdad van al-Ma’moen, moet ik beginnen te onderstrepen dat er geen concrete sporen van het Huis der Wijsheid bewaard zijn gebleven en dat we daarom niet weten waar het heeft gestaan, of hoe het eruit heeft gezien, of welk scala aan activiteiten er heeft plaatsgevonden.

Aanduidingen als ‘academie’ en ‘instituut’ komen eveneens voor, en tevens was er sprake van een ‘paleisbibliotheek’, maar de bibliotheek van Bagdad bestond niet.

Verregaand is de conclusie die in de Nederlandse titel besloten ligt. Hierin worden ‘de bloei van de Arabische wetenschap’ en de ‘wedergeboorte van de westerse beschaving’ op niet mis te verstane wijze aaneengesmeed. Het een is het gevolg van het ander, zo is de suggestie. Als de auteur, Jim Al-Khalili, dit heeft willen zeggen, waarom dat dan niet in de titel van zijn boek tot uitdrukking gebracht?
 

al-khalili pathfinders 2010Picarta en een mailtje aan de auteur brachten opheldering. De oorspronkelijke, Britse uitgave uit 2010 heeft de titel Pathfinders. The Golden Age of Arabic Science. In de woorden van de auteur: ‘the truer reflection of the content and my motivation for writing it’ (15 januari 2013). De in Amerika uitgebrachte editie kreeg van de uitgever de titel The House of Wisdom. How Arabic Science Saved Ancient Knowledge and Gave Us the Renaissance. En dat verklaart voor een deel hoe de Nederlandse titel tot stand is gekomen. Waarschijnlijk een kwestie van marketing. Slórdige marketing, die de lezer geen dienst bewijst.

Overigens is het boek beslist een aanrader. Ondanks het onvermijdelijk opsommende karakter ervan valt er veel te leren uit Al-Khalili’s met verve gebrachte verhaal. Je hoeft niet onbekend te zijn met de invloed van Arabische geleerden op het doorgeven en bewaren van belangrijke teksten uit de Griekse beschaving om Pathfinders te waarderen.

♦♦♦

‘Om de oude wond niet open te rijten zal ik met de nodige voorzichtigheid, maar welbewust iets van mijn aandeel in de affaire toelichten. Want u herhaalt tegenover mij wat hij [Diego López Zúñiga †1531] mij jaren geleden voor de voeten heeft geworpen, maar sluit uw ogen voor mijn antwoord daarop, ofwel omdat u daaraan geen gewicht toekent ofwel (en dat acht ik waar-schijnlijker) omdat u dat niet hebt gelezen. Met dat bezwaar zullen we heel deze discussie door te kampen hebben. Hoewel er in de onderdelen van uw requisitoir niets staat wat ik niet meer dan eens in publicaties heb weerlegd, brengt u alles ter tafel alsof ik er met geen woord op heb gereageerd. Als u oprecht was, had u mijn zelfverdediging moeten accepteren als ze juist leek, of moeten weerleggen als ze niet uw goedkeuring had. Als ik hier doorga met alles te herhalen wat op allerlei plaatsen telkens weer door mij gezegd is, hoe lijvig zal dit boek dan worden? Als ik echter zwijg, zal ik de indruk wekken te erkennen wat u tegen mij inbrengt, vooral bij degenen die mijn werk niet lezen. En dat zijn juist de lieden die met de meeste bombarie tegen mijn geschriften tekeergaan.’

■ Een door Erasmus veel geuite klacht, deze keer in zijn Antwoord aan Prins Alberto van Carpi (1529), opgenomen in Desiderius Erasmus, Verweerschriften (2007), p. 305. 

♦♦♦

‘Menigeen citeert Plato en Homerus zonder hen ooit te hebben gelezen. Ook ik put heel wat citaten uit andere bronnen dan de oorspronkelijke. Met zo’n duizend boeken om mij heen bij het schrijven zou ik, als ik daar zin in had, zonder moeite en eruditie uit een stuk of twaalf naslagwerken die ik nauwelijks inkijk, het nodige kunnen halen om mijn betoog ‘Over het uiterlijk’ mee op te sieren. Om mijn tekst vol te proppen met citaten heb ik genoeg aan het voorwoord van één Duitser; zo vergaren wij zoete roem om er deze dwaze wereld mee te bedotten.’
■ Michel de Montaigne, De essays. Vertaald door Hans van Pinxteren (2006), III.12 ‘Over het uiterlijk’, p. 1363.

In de door Jean Balsamo e.a. bezorgde editie van Les Essais (2007) wordt hierbij in een noot
(p. 1827) droog opgemerkt dat Montaigne wel degelijk van die ‘naslagwerken’ gebruikmaakt: ‘Notre annotation démontre tout au contraire la fréquentation assidue des recueils de citations et des encyclopédies, tels que les Sententiae de Stobée, les Adages d’Érasme, Les Epithètes et l’Officina de Tixier de Ravisy, le De honesta disciplina de P. Crinito, Les Diverses Leçons de
P. Messie ou de A. du Verdier, ou encore les Politicorum libr VI de Juste Lipse.’
      Jean Céard e.a. ed., Les Essais (2001), p. 1640, noemt in dit verband de Duitser Conrad Lycosthenes (Wolffhart) en diens Apophtegmata, verschenen in 1560. Maar dat is een ander verhaal, dat niet hier maar op montaigne thuishoort.

♦♦♦

‘Als student in de rechten schreef ik een boekje, dat Pieter Bas heette. Ik was als tweedejaars nog treinstudent en woonde dus op “Berkenrode”. Het manuscript lag voltooid op mijn kamer in een la, een blauw lint was er omheen gestrikt. In een opwelling besloot ik nu dit werk mijn vader voor te leggen. Naar zijn slaapkamer voerde een aparte trap en ik zie mij nog die treden opgaan, het pakje in mijn hand, in een soort blinde vertwijfeling, want verwachten deed ik hiervan niets. Ik opende de deur en daar lag hij. Over de bovenste rand van het boek dat hij lasbleven zijn ogen op mij rusten. Ik zei, dat ik iets geschreven had en of hij het lezen wilde. Hij antwoordde niet, maar beduidde mij met een knik, dat ik het aan het voeteneind neer kon leggen. Ik bleef een ogenblik staan, maar hij las alweer. Enkele dagen later trof ik het manuscript op mijn bureau weer aan, het blauwe lint er nog omheen. Ik heb er nooit meer iets van gehoord. Geen woord.
■ Godfried Bomans, ‘De man met de zwarte das’, Elseviers Weekblad s.d.; opgenomen in de bundel Genieten in een gekkenhuis, Gerry van der List ed. (2011), p. 395.

♦♦♦

anoniem abelard en heloise

 

 

‘Need I say more? We were united, first under one roof, then in heart; and so with our lessons as a pretext we abandoned ourselves entirely to love. Her studies allowed us to withdraw in private, as love desired, and then with our books open before us, more words of love than of our reading passed between us, and more kissing than teaching. My hands strayed oftener to her bossom than to the pages; love drew our eyes to look on each other more than reading kept them on our texts.
The Letters of Abelard and Heloise. Translated with an introduction by Betty Radice (1967), p. 67.
 

♦♦♦

mugnaini cover bradbury fahrenheit 451
   ‘But you’re the Chief Burner! You can’t have books on your premises!
   To which the Chief, with a dry light smile, replies:
   ‘It’s not owning the books that’s a crime, Montag, it’s reading them! Yes, that’s right. I own books, but don’t read them!’
   Montag, in shock, awaits Beatty’s explanation.
   ‘Don’t you see the beauty, Montag? I never read them. not one book, not one chapter, not one page, not one paragraph. I do play with ironies, don’t I? To have thousands of books and never crack one, to turn your back on the lot and say: No. It’s like having a house full of beautiful women and, smiling, not touching ... one. So, you see, I’m not a criminal at all. If you ever catch me reading one, yes, then turn me in. But this place is as pure as a twelfe-year-old virgin girl’s cream-white summer night bedroom. These books die on the shelves. Why? Because I say so. I do not give them sustenance, no hope with hand or eye or tongue. They are no better than dust.’
   Montag protests, ‘I don’t see how you can’t be —’
   ‘Tempted?’ cries the Fire Chief. ‘Oh, that was long ago. The apple is eaten and gone. The snake has returned to its tree. The garden has grown to weed and rust.’
■ Uit: Ray Bradbury, Fahrenheit 451 (1953; 2003), p. 170.

♦♦♦

‘L’auteur le plus célébré de la Renaissance est sans doute l’un des moins lus de nos jours. Son nom est dans toutes les bouches et sonne comme un slogan dans les universités européennes au XXIe siècle. Cependant, si chacun se plaît à célébrer le cinq-centième anniversaire de la publication de l’Eloge de la Folie (1511), bien peu l’ont lu.’
■ Jean-Christophe Saladin, ‘La révolution humaniste’, in deel 5 van de in oktober 2011 te verschijnen tweetalige editie van Erasmus’ Adages. Intekenen (met prijsvoordeel) is mogelijk op les belles lettres, alwaar ook meer informatie over project en uitgave.

♦♦♦

‘Het rook nog steeds niet zo prettig in de bibliotheek.
De geur was afkomstig van de moedeloosheid welke van de boeken droop. Op den duur gaat van ongelezen boeken wel eens moedeloosheid druipen, en zoals algemeen bekend is de geur van moedeloosheid niet erg zinnenprikkelend.
Ongelezen boeken ruiken naar verveling en nutteloze schrijverslevens.’
Herman Brusselmans, De man die werk vond (1985; 2004), p. 103.

♦♦♦

‘’t Is duidelijk afgelopen met het innige huwelijk tussen het boek als ding en het boek om te lezen. Er is een nieuw soort boekenmens in de maak: de man of vrouw zonder boeken die toch geletterd is. En wat dat andere type betreft: de bibliofiel in zijn rijk gevulde bibliotheek, die met zijn nek nauwelijks boven de boeken uitsteekt en toch van niets weet, want hij leest nooit — dat type is er altijd al geweest.’
■ Gerrit Komrij, ‘Rooskleurige toekomst’, in: NRC Handelsblad 21 april 2011.

♦♦♦

gerbrandy feest van saturnus omslag

 

 

 

 


 

‘De boeken die ik behandel heb ik zelf gelezen, zij het dat ik bij de zoveelste obscure grammaticus of historiograaf weleens een paar hoofdstukken heb overgeslagen. Ik wilde voorkomen dat ik literatuurgeschiedenis op basis van bestaande overzichten zou bedrijven, hetgeen onvermijdelijk zou betekenen dat ik meningen van anderen over ongelezen werken zou debiteren — meningen die op hun beurt vaak weer berusten op het oordeel van negentiende-eeuwse classici.’
■ Piet Gerbrandy, Het feest van Saturnus. De literatuur van het oude Rome (2009), p. 15.

♦♦♦

‘Het enige wat je zou kunnen zeggen is dat je twee verschillende soorten schrijvers hebt. Mensen die werken vanuit hun gevoel en hen die het voor hun werk doen. James Patterson schrijft elk jaar een boek. Ik heb er nooit een gelezen, hij is er vast goed in en hij is succesvol, maar hij heeft geen The Corrections (van Jonathan Franzen — red.) in zich.’
■ Bret Easton Ellis, in een gesprek met Robert Vuijsje, HP / De Tijd 1 oktober 2010.

♦♦♦

‘Een van zijn meest befaamde uitspraken in die tijd is: J’ai pleuré et j’ai cru, waarmee hij [...] het sterven van zijn moeder aangeeft als de reden voor zijn terugkeer tot het geloof. Chateaubriand wordt op die manier, zonder dat het boek [Le Génie du Christianisme] is gepubliceerd, steeds beroemder, in steeds breder kring. Begin eenentwintigste eeuw doet dit bijna modern aan: iedereen vindt het een magistraal boek, maar geen mens heeft het gelezen. Zoiets levert een ideale boekenkast en -kennis op: stampvol onzichtbare meesterwerken.’
Frans van Woerden, Haal ik de eeuwigheid wel? Biografie van François-René de Chateaubriand (2000), p. 83.

♦♦♦

Het onbegrip van vrienden
Een probleem waarmee elk genie te maken heeft. Na voltooiing van De kant van Swann stuurde Proust exemplaren naar zijn vrienden, van wie velen moeite leken te hebben met het openen van de envelop.
   Zo herinnerde Proust zich dat hij de aristocratische playboy Louis d’Albufera vroeg: ‘En, mijn beste Louis, heb je mijn boek gelezen?’
   ‘Je boek gelezen? Heb je een boek geschreven?’ antwoordde zijn vriend verbaasd.
   ‘Ja, dat weet je toch, Louis, ik heb je zelfs een exemplaar gestuurd.’
   ‘O, mijn kleine Marcel, als je het me hebt gestuurd, heb ik het beslist gelezen. Ik wist alleen niet zeker of ik het had ontvangen.’

[En:]

Mme Gaston de Caillavet toonde zich dankbaarder. Ze schreef de auteur een brief waarin ze hem allerhartelijkst voor zijn geschenk bedankte. ‘Ik lees telkens weer die passage in Swann over de eerste communie,’ verzekerde ze hem, ‘want ik had daarbij destijds precies hetzelfde gevoel van paniek, van ontgoocheling.’ Het was attent van Mme Gaston de Caillavet dit met hem te willen delen, al zou het misschien aardiger zijn geweest als ze de moeite had genomen het boek te lezen, want dan zou het haar zijn opgevallen dat een dergelijke godsdienstplechtigheid er helemaal niet in voorkomt.

■ Uit: Alain de Botton, Hoe Proust je leven kan veranderen (1997; 2007), pp. 68-69.

♦♦♦

broach cover brett helquist 2005

 

‘What is it?’ Hero asked. She lifted the cover and read the delicate black print: The Complete Works of William Shakespeare.
‘I know you must have dozens of copies at home because of your father,’ Mrs. Roth said. ‘But I thought perhaps you’d like one of your own. You shouldn’t have to wait until seventh grade to read the inspiration for your wonderful name.’
Hero hesitated. She thought of her father, how Shakespeare belonged only to him. She ruffled the thin pages, staring at the dense colums of type.
Mrs. Roth laughed at her. ‘My dear, it’s not a homework assignment. You don’t have to read the whole book. The play is very short. You’ll like it.’
‘Okay, thanks,’ said Hero reluctantly. ‘But if it’s boring, I’m probably not going to finish it.’
Mrs. Roth smiled. ‘Spoken like a true scholar of English literature.’
■ Elise Broach, Shakespeare’s Secret (2006), p. 74.

♦♦♦

‘“Gerald was behaving very oddly. Unnaturally quiet. And couldn’t wait to get rid of us.”
“What about the others?”
“Spent the whole time gushing over our visiting ‘celebrity’. What a reactionary fossil he turned out to be. Not a clue about contemporary drama. Not surprising, the stuff he churns out.”
“You don’t admire Mr. Jennings novels?”
“Never read them. Got better things to do with my time.”’
■ Caroline Graham, Written in blood (1994; 2007), pp. 107-108.

♦♦♦

‘De afgelopen maandagavond was ik in de openbare bibliotheek DOK Delft, en hoorde daar veel over de afwezige directeur: Eppo van Nispen tot Sevenaer (1946). Aimabele man, zei mij het publiek op de literaire avond. Iedereen in Delft keek er erg van op dat hij per 1 juni de nieuwe directeur van de CPNB wordt, die de Boekenweek organiseert. En waarom? “Eppo heeft nog nooit een boek gelezen. Dat beweert hij zelf, en nog lachend ook. Toen hij hier de bibliotheek opende, begon hij met hossen op de muziek van Frans Bauer.”’
■ Arjan Peters, ‘De uitvinding die Eppo heet’, de Volkskrant 26 februari 2010.

♦♦♦

Van wie heeft u het meest geleerd?
Van Hans, mijn oude buurman. Een erudiete, fijngevoelige man, te kwetsbaar voor de samenleving. Hij heeft me geleerd dat je gelukkig door het leven kunt gaan zonder alle boeken te lezen die je aanschaft. Een geruststellende gedachte.
■ Uit de wekelijkse serie vragen uit HP/De Tijd, deze keer aan Mohammed Bezakour, schrijver en columnist (5 maart 2010).

♦♦♦

‘Een snob leest niet, hij herleest.’
■ Gelezen op de alleraardigste blog maximen.nl.

♦♦♦

‘Het werk van Zamoyski verdient alle bewondering. Het enige bezwaar dat is de dikte van de boeken. Een recensent van NRC Handelsblad schreef dat Zamoyski’s boek over Napoleons fatale veldtocht naar Moskou zo meesterlijk is dat het Tolstojs Oorlog en vrede doet verbleken — waarmee hij slechts te kennen gaf dat hij een van de beide boeken die hij hier met elkaar vergeleek niet had gelezen.’
■ Bart Jan Spruyt, ‘Klaroenstoot voor Chopin’, in: HP / De Tijd 15 januari 2010.

♦♦♦

vox lezen of niet lezen

Natúúrlijk viel mijn oog op het logo in Vox van 14 januari 2010, p. 28. Lezen of niet lezen, dat is immers waar het op déze pagina allemaal om gaat. De ‘rellerige, dellerige Heleen van Royen’ is ‘toch literair’, vindt Jos Joosten, hoogleraar Moderne Letterkunde aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.
vox pennetjes

Hij kent maar liefst 4 van de 5 pennetjes toe aan haar De mannentester (2009).
♦ Dit neutrale signalement riep de toorn op (best mild trouwens) van mijn geliefde. Zijn aanvulling (wat minder mild):

‘Professor Jos is niet de eerste die zich bekeerd heeft tot het literair populisme. En dat detoneert op zijn beurt weer niet in het huidige cultuurlandschap, waarin de Efteling steeds meer de maat der dingen wordt. Je kunt de zure oratio pro domo van een Connie Palmen afwijzen en toch de literaire lat op hoogte houden. In elk geval hoger dan de vaginale letterkunde van Van Rooijen of de schaamstreekbroeierigheid van Kluun. Heeft Joosten het cultureel-democratische licht gezien of hebben we hier te maken met slim opportunisme? Je zult maar hoogleraar zijn in de moderne literatuur die in hoog tempo gepopulariseerd wordt. Als straks de laatste literaire eilandjes zijn verdwenen onder de egale zeespiegel van het leesgenre pulp, wat moet je dan nog als prof in die moderne literatuur? Dichtbundels analyseren? Voor wie? Voor een lege collegezaal die je met je vier pennetjes zelf gecreëerd hebt?’
Piet Offermans, 29 januari 2010.

♦♦♦

‘Bank statements which showed regular standing orders and moderate monthly transfers from a deposit account. Barnaby put these aside. There were also a couple of holiday brochures. They checked the shelves of books (all on accountancy apart from a set of Dickens which looked as if it had never been opened, let alone read) and shook them but no sinister letter or revealing billet doux fell out.’
■ Caroline Graham, Death of a hollow man (1989; 2007), p. 242.

♦♦♦

‘[In a decree governing the custody of books by English Bendictines issued in 1070, Archbishop Lanfranc — recently arrived in Britain with the Norman conquerors — directed that every monastic librarian in the realm convoke an annual meeting in which “a document setting forth the names of the brethren who have had books during the past year” would be disclosed at an assembly:]
“and let each brother, when he hears his own name pronounced, return the book which had been entrusted to him for reading; and let him who is conscious of not having read the book through which he had received, fall dow on his face, confess his fault, and pray forgiveness.”’
Nicholas Basbanes, Patience and Fortitude. Wherein a Colourful Cast of Determined Book Collectors, Dealers, and Librarians Go About the Quixotic Task of Preserving a Legacy (2003), p. 44.

♦♦♦

‘En het ergste van alles was dat hij nooit las. Hoe welbespraakt en vrijmoedig had hij ooit met haar over literatuur gesproken. Wat had zijn liefde voor Middlemarch en Daniel Deronda hem voor haar ingenomen. En wat was het een schok geweest toen ze al snel daarna besefte dat ze de vorm voor de inhoud had aangezien: niet alleen was wat hij over die boeken zei een uit het hoofd geleerd lesje, ook zijn kennis van de literatuur was beperkt en nooit werd er een nieuwe titel aan toegevoegd. Dat was nog de zwaarste slag: hoe had ze ooit van een man kunnen houden die nooit las, terwijl de mensen die haar dierbaar waren en na aan het hart lagen allemaal woonden in de woorden van George Eliot, Woolf, Murdoch, Gaskell en Byatt?’
■ Irvin D. Yalom, De Schopenhauer-kuur. Vertaald door Hannah Jansen (2004; 2009).

♦♦♦

Maar u spreekt wel waardeoordelen uit. Waarom noemt u alleen Reve, Mulisch en Nooteboom als grote Nederlandse schrijvers en bijvoorbeeld niet Grunberg en A.F.Th van der Heijden?
Ik heb willen voorkomen dat ik mezelf opstel als een literair criticus die de scepter zwaait over het landschap van de Nederlandse literatuur, waarvan ik zelf deel uitmaak. Dus ik heb alleen de door de canon en de geschiedenis geijkte schrijvers genoemd, om te vermijden dat er een discussie ontstaat in de trant van: Palmen maakt gehakt van bepaalde auteurs.

Dat doet u anders wel met Anton Coolen, die u als hét voorbeeld van kitsch aanhaalt. Maar diens ‘Dorp aan de rivier’ is een prachtig boek. Heeft u het gelezen?
Misschien vroeger, maar het kan heel goed dat ik een vergissing heb gemaakt. U rekent Dorp aan de rivier tot de hoge literatuur?

Coolen onderzoekt  bestaande ficties, stelt zich op als emigrant en verwoordt de eenzaamheid die daar het gevolg van is. Hij is origineel, subversief en neemt de clichés van een afgekloven genre, de streekroman, op de hak.
Als er een tweede druk komt van mijn boek zal ik Anton Coolen vervangen door Konsalik.

■ Elsbeth Etty in gesprek met Connie Palmen, NRC 5 december 2009.

♦♦♦

‘Mijn vriendin is vermoedelijk de enige die ik ken die Tristram Shandy niet alleen gelezen maar ook herlezen heeft [...].’
■ Sarah Hart, ‘Schaduwboeken’, Vrij Nederland 24 juli 1999.

♦♦♦

‘Wij classici hebben een heel aparte verhouding met ongelezen boeken. In je hele opleiding lees je enorm veel van de meest uiteenlopende auteurs, maar zelden een werk in zijn geheel van kaft tot kaft. Hoewel classici nooit iets doen om de indruk te ontkrachten dat ze de gehele antieke literatuur hebben gelezen, bestaat hun belezenheid meestal uit fragmenten van selecties van highlights. Na de studie Nederlands biedt de studie klassieke talen de best denkbare opleiding in het spreken over boeken die je nooit hebt gelezen.’
Ilja Leonard Pfeijffer, ‘Een echte onbelezene’, NRC 20 december 2002. 2002. Dit schreef Pfeijffer dus vijf jaar vóór de verschijning van Bayards Comment parler des livres que l’on n’a pas lus? (zie recensies)! Een duidelijk geval van Plagiat par anticipation, zoals de laatste titel (2009) van Bayard luidt.

♦♦♦

barnes ambaum claim

 
Deze aardige boekencomic, overgenomen met toestemming van de makers (copyright Bill Barnes & Gene Ambaum Unshelved.com), is van 7 augustus 2009
— kijk op hun website voor meer strips.

♦♦♦

‘Les editions des Essais de Montaigne ne manquent pas. Mais qu'elles soient “savantes” ou qu'elles se prétendent “grand public”, elles n’offrent pourtant que le texte original, plus ou moins “toiletté”, et force est de constater que les Essais, tant commentés, sont pourtant rarement lus... ‘
■ Guy de Pernon (pseudoniem van Guy Jacquesson ), in zijn voorwoord bij de digitale Montaigne, door hem in modern Frans vertaald. Lees verder op montaigne (zoek: Pernon).

♦♦♦

‘Ik pakte De man zonder eigenschappen op, bladerde erin, las een paar bladzijden, en legde het weer op zijn plaats. Dat doe ik nu al jaren. Eigenlijk altijd. Met Musil en vooral met Ulysses van Joyce.
Iedere keer confronteer ik mezelf met mijn onwetendheid en zeg ik tegen mezelf dat ik die boeken zou moeten lezen. En iedere keer kan ik me er niet eens toe brengen om ze te kopen.
Ik denk dat ik nooit uit de eerste hand kennis zal nemen van de avonturen — als je dat al kunt zeggen — van Stephen Dedalus, Leopold Bloom en Ulrich. Ik heb me erbij neergelegd, maar in de boekwinkels blijf ik in die romans bladeren, zomaar, als een soort ritueel van de onvolmaaktheid. De mijne.’
Gianfrico Carofiglio, Gerede twijfel (2009), p. 116.

♦♦♦

‘I was constantly harassed by my students at night school, many of whom were cops who failed to see the virtues of Beowulf or Dylan Thomas. I was widely disliked because idealist that I then was — I expected the students to read their assignments. Since few did, I sometimes resorted to reading the assigned text aloud. This was not welcome because it was soporific. Generally about half of my class fell dead asleep.’
Larry McMurtry, Books: A Memoir (2008), p. 38.

♦♦♦

hitchings 2008

Dat is lef hebben... En dan eigenlijk alleen maar een veredeld soort  samenvattingenboek schrijven. Hij komt niet in de búúrt van Bayard.

♦♦♦

‘Eerst een bekentenis: het boek van Fasseur over Juliana en Bernhard heb ik nog niet gelezen. Maar ik heb er de laatste tijd zo veel over gelezen — niet alleen recensies, maar ook min of meer polemische reacties —, bovendien heb ik Fasseur er een paar keer over horen spreken, de eerste keer bij de presentatie van zijn boek op 11 november, dat ik meen tot een samenvattende conclusie te kunnen komen.’
■ J.L. Heldring, ‘Juliana, Bernhard en de staatsraison’, NRC 27 november 2008. ■ In deze korte alinea ligt een samenvatting van Bayards boek besloten. Mooier kan het niet.

♦♦♦

‘Ik ploeterde door de eerste hoofdstukken, raakte vast en begon welwillend opnieuw: misschien moest ik nog aan het boek wennen, het juiste tempo vinden, me de nieuwe leesconventies eigen maken die zo’n ambitieus boek kennelijk van zijn lezers eiste?

Tot ik een vrolijke bespreking vond, geschreven door de Engelse dichter en vertaler Michael Hofmann, onder de bitse titel “Proust? Ha!” Hofmann noemde Nádas’ roman een “bastaardkind van romantische schlock en verwaterd modernisme”. Had hij de roman niet moeten recenseren, schreef hij, dan was er geen moment in de roman geweest waarop hij er niet liever de brui aan had gegeven. “Ik hunkerde ernaar het niet te hoeven lezen. Ik had willen ophouden na één pagina, na vijf pagina’s, na 705 pagina’s. Mijn gekrabbel in de marge werd steeds venijniger en obscener, voordat het ten slotte helemaal opdroogde en ik weggleed in apathie.”’

■ Eddy Bertens, ‘Het welwillendheidsprincipe’, De Leeswolf 14 (2008) 4. De roman die zowel Hofmann als Bertens niet te verteren vindt is het door ‘de kritiek’ bejubelde Het boek der herinneringen van de Hongaarse schrijver Peter Nádas. Hij werd vergeleken met Proust, Mann en Musil.

♦♦♦

boekengezicht [ maker onbekend]

 

‘Just because you don’t enjoy reading a good book, doesn’t mean there aren’t many other uses for all of those books piled up in the attic.’
Op deze site is te zien wat je allemaal met boeken kunt doen als je ze niet leest.
(Tip van Jaap Engelsman)

♦♦♦

‘Onderzoek heeft aangetoond dat we van snel denken blij worden. Dat is goed nieuws. Ik had altijd al bezwaren tegen langzaam denken. Minutenlang zitten wachten tot iemand anders eindelijk heeft bedacht wat-ie gaat zeggen — onaanvaardbaar. Zelf langzaam denken, niet te harden. Alsof er een tik in je plaat zit.
[...]
Zeker is [...] dat langzaam lezen tot somberheid leidt. Dat gevoel had ik al, en daarom zijn er veel boeken die ik niet lees. Aan het omslag, de titel en de omvang zie je al dat het langzaam lezen wordt — en dus somberen. Daar ga ik mijn goeie geld niet aan uitgeven.’
■ Martin Bril, ‘Snelheid’, Volkskrant Magazine 1 november 2008.

‘Het manuscript lag voltooid in mijn kamer in een la, een blauw lint was eromheen gestrikt. In een opwelling besloot ik nu dit werk mijn vader voor te leggen. Naar zijn slaapkamer voerde een aparte trap en ik zie mij nog die treden opgaan, het pakje in mijn hand, in een soort blinde vertwijfeling, want verwachten deed ik hiervan niets. Ik opende de deur en daar lag hij. Over de bovenste rand van het boek dat hij las bleven zijn ogen op mij rusten. Ik zei dat ik iets geschreven had en of hij het lezen wilde. Hij antwoordde niet, maar beduidde mij met een knik dat ik het aan het voeteneind kon neerleggen. Ik bleef een ogenblik staan, maar hij las alweer. Enkele dagen later trof ik het manuscript op mijn bureau weer aan, het blauwe lint er nog omheen. Ik heb er nooit meer iets van gehoord. Geen woord.’
■ Godfried Bomans, over zijn officiële debuut Pieter Bas, geciteerd in: Martin van Amerongen, Mijn leven zijn leven. Over biografieën, autobiografieën, hagiografieën en anti-biografieën (1993). Als het waar is, is het wreed.

♦♦♦

boekendoos engelsman

In de ‘lectuurdoos’ van Jaap Engelsman ‘zit een selectie van boeken waarin ik nu lees of die ik graag zou willen lezen. Onmogelijk, natuurlijk...’
Kijk hier voor informatie over het boek met de blanco rug, dat als titel heeft: De wondere wereld van De Althaea Pers: bijzonder vormgegeven boekjes van Jos Swiers.

♦♦♦

‘Er wordt wel eens gedacht dat iedereen het boek Don Quichot van Cervantes kent. Dat valt knap tegen. Deze morgen nog vroeg ik aan vijf mensen: “Ken jij Don Quichot van Cervantes?” De stukadoor die in mijn huis bezig is, antwoordde: “Nee, jij wel?” De postbode zei: “Cervantes en al die dingen, daar houd ik me niet mee bezig.” De uitbater van de sigarettenwinkel vertrouwde me toe: “Ik lees alleen boeken over auto’s.” M’n grootmoeder zei: “Zo meteen een Quichot tegen je smoel, onnozelaar.”
[...]
En als mensen Don Quichot van Cervantes al kennen, dan hebben ze het negen kansen op tien niet gelezen. Vaak geven ze dat niet toe. Het is nu eenmaal bon ton onder intellectuelen om te laten doorschemeren dat ze zo ongeveer de hele wereldliteratuur tot zich genomen hebben. Dostojevski? Twaalf boeken van die gozer gelezen! James Joyce? Ik heb Ulysses ooit nog uit mijn hoofd gekend! Umberto Eco? De slinger van Foucault is zo ongeveer m’n bijbel! Thomas Mann? Die heeft me meer beïnvloed dan m’n moeder en m’n vader samen! Cervantes? Don Quichot laat me lachen, huilen en nadenken tegelijk!’
 

brusselmans foto peter ijsenbrant 2007


■ Herman Brusselmans, ‘De don als leermeester in de liefde’, in: Een klap van de molenwiek. Hoe Don Quichot naar de Lage Landen kwam (2005). Ingestuurd door Peter IJsenbrant, die ook de foto van de auteur maakte, toen deze in 2007 de manifestatie ‘Boeken rond het paleis’ opluisterde.

♦♦♦

‘Rabelais est une référence pour tous. Mais peu l’ont réellement lu. [...] A défaut d’avoir lu Rabelais, vous pourrez l’avoir entendu!’
■ Gelezen op les allumés du jazz.

♦♦♦

‘Eerlijk is eerlijk, Erasmus wordt in onze tijd meer bestudeerd dan gelezen. [...] Hoeveel leraren beginnen over hem, lezen hem voor, laten hem op lijsten zetten?’
■ Barber van de Pol, Lieve Erasmus, verkeren met een denker (2002), p. 42.

♦♦♦

Germaine Greer haalde op 19 juli 2008 de NRC en daarmee deze keer ook deze pagina. Ze is boos, en wel op Joanna Murray-Smith, schrijfster van The Female of the Species. In deze komedie, die de week daarvoor in Londen in première is gegaan, komt een figuur voor die wel erg veel op Greer lijkt. ‘Zonder het stuk te hebben gezien of de tekst te hebben willen lezen fulmineerde Greer tegenover Britse kranten dat Murray-Smith “een krankzinnige reactionair” is.’ Aldus Floris van Straaten, correspondent te Londen.

♦♦♦

‘[...] in dat lange tussenstuk [wordt] een spannend maar juridisch aandoend steekspel opgevoerd en, zoals de lezers weten: juridica non leguntur. Ze worden niet gelezen door niet-juristen omdat ze, zoal niet saai dan toch wel onbegrijpelijk zijn. Maar ook juristen zelf lezen ze niet, maar zoeken hoogstens voor hun zaak de belangrijke passages op.’

Over Nabokov had ik lange tijd meer gelezen dan van hem, iets wat bij mij en naar ik vrees ook wel bij anderen een kwaal aan het worden is die steeds ernstiger vormen aanneemt al naar gelang de supplementen van de kranten zich uitbreiden.
[...] Ik had eerlijk gezegd zonder het gelezen te hebben een hekel aan zijn beroemde boek Lolita. Regelmatig hoor je van mensen die boeken uit de handel, films uit de roulatie of beide op de brandstapel willen, omdat ze zo bar onzedelijk zijn. Meestal geven die mensen toe, dat ze die boeken niet gelezen, die films niet gezien hebben. [...] ze hadden er over gelezen en dat was voor hen genoeg.

■ Jan Leijten, De glorie van het recht (2008).

♦♦♦

‘[het] nichtje van Pascal, Marguérite Périer, die hem een interview afnam, in de tijd dat dat nog ongebruikelijk was, tekende uit zijn mond deze onsterfelijke verklaring op: Je vraagt mij of ik zelf wel al die boeken heb gelezen waaruit ik heb geciteerd. Mijn antwoord is: nee, want anders zou ik mijn hele leven hebben moeten besteden aan het lezen van bar slechte boeken.
■ Jan Leijten, De glorie van het recht (2008) (zie ook in geschrifte nr. 12, ‘Rabelais en het bemiddelend vonnis’).

Toch is het niet zo erg als het lijkt:

‘On me demande si j'ai lu moi-même tous les livres que je cite. — Je réponds que non: certainement, il aurait fallu que j'eusse passé ma vie à lire de très mauvais livres; mais j'ai lus deux fois Escobar tout entier; et, pour les autres, je les ai fait lire par mes amis; mais je n'en ai pas employé un seul passage sans l'avoir lu moi-même dans le livre cité, et sans avoir examiné la matière sur laquelle il est avancé, et sans avoir lu ce qui précède et ce qui suit, pour ne point hasarder de citer une objection pour une réponse, ce qui aurait été reprochable et injuste. (Rapporté par Marguerite Périer.)'
■ ‘Propos attribués à Pascal’, in: Pascal, Oeuvres complètes. Présentation et notes de Louis Lafuma (1963). Ook hier geen bronvermelding anders dan dat de anekdote genoteerd is door Marguerite, dochter van zijn oudste zus Françoise Gilberte.

♦♦♦

Kees Fens bespreekt Alan Bennets De ongewone lezer (de Volkskrant 4 april 2008), waarvoor Pieter Steinz een voorwoord heeft geschreven. De recensie eindigt met de volgende woorden:

‘Aan zoveel luchtigheid de zwaarwichtigheid van een voorwoord mee te geven, is heel curieus. Het meest curieuze is overigens dat Steinz, die van beroep leesadviseur en verbandenlegger is, de koningin van Nederland een lijst van noodzakelijke lectuur meent te moeten voorleggen. Ik vind dat het meest komische onderdeel van het boekje. Ze moet van meester Steinz onder andere de Nederlandse Historiën van Hooft lezen, — ik vraag mij af of Steinz zelf dat werk in zijn geheel gelezen heeft, anders had hij wel troonsafstand als voorwaarde ingebouwd.’

♦♦♦

‘Many of the 200,000 books in the tower have barely been read and some were never opened, but now they give us a fascinating insight into the life and society of the time.’
■ Aldus Vanessa Lacey, manager of the Cambridge University Library Tower Project.

♦♦♦

gingerich 2004


Een eerste druk uit 1543 van ‘the book nobody read’ is op 17 juni 2008 bij Christies verkocht voor 2.210.500 dollar. Gelezen of niet, Copernicus’ De revolutionibus orbium coelestium, libri V is volgens een door het veilinghuis aangehaald citaat ‘the most important scientific publication of the 16th century and a “landmark in human thought”.’ Zie ook het bericht op boekendingen, de mooie boekensite van Hans van den Bergh.

♦♦♦

‘Hij had een gelijke bewondering voor Voltaire en Rousseau, die zich in zijn bibliotheek bevonden, die hij niet had gelezen en ook niet zou hebben begrepen.’
■ Gustave Flaubert, De eerste leerschool der liefde (1969), p. 166.

♦♦♦

Willem G. van Maanen heeft de AKO-Literatuurprijs 2007 niet gewonnen. Maar hij is al heel tevreden dat zijn nominatie een tweede druk betekende voor Heb lief en zie niet om, ‘het nieuwste boek van de 87-jarige auteur van het rijmpje “ik wordt veel geprezen, maar niet gelezen”’ (de Volkskrant 5 november 2007).

♦♦♦

copyright paul kusters toos en henk 20 10 07

♦♦♦

‘Het leven is kort, de boekenberg is hoog, vrije tijd is schaars. Geen wonder dat de gemiddelde lezer regelmatig strandt in een roman waaraan hij met veel enthousiasme begonnen is. I know I do. Een paar jaar geleden, toepasselijk genoeg bij het wisselen van de millennia, nam ik mij dan ook voor om binnen een jaar alle boeken van het (denkbeeldige) plankje halfgenoten meesterwerken uit te lezen. [...] De hernieuwde kennismaking met de onuitgelezen klassieken beviel zo goed dat ik besloot om ook een aantal wél uitgelezen maar inmiddels halfvergeten favoriete romans te gaan herlezen [...].
■ Pieter Steinz, ‘De bibliotheek als dubbelganger. Woord vooraf’, in: Alberto Manguel, Dagboek van een lezer (2004).

♦♦♦

‘Even leek het erop dat Les Murray, de dikke Australische dichter met zijn brede zangerige poëzie, de Nobelprijs zou krijgen. Daarom haalde ik zijn grote werk Fredy Neptune uit de kast, in de mooie vertaling van Peter Bergsma, en vroeg me af of ik het ooit echt gelezen had of het alleen maar had “aangelezen” zoals een vriend dat treffend noemt. Moest wel dat laatste zijn dacht ik nog vaag voordat ik pijlsnel in dit dichtwerk verdween en pas drie uur later voor het eerst boven kwam — nog niet eens op de helft.’
■ Marjoleine de Vos, ‘Ze hebben me nooit wat gedaan!’, NRC 15 oktober 2007.

♦♦♦

‘Iedereen weet hoe de edelman [Don Quichot] eruitziet, maar worden zijn avonturen nog wel gelezen? Nou, reken maar. Vraag een Spaanse politicus welk boek op zijn nachtkastje ligt en hij antwoordt zonder blikken of blozen: El Quijote. Welk boek neemt de voetbalcoach mee naar het trainingskamp? De Quijote. Wat heeft de laatste maanden de meeste indruk gemaakt op de televisiepresentator? Herlezing van de Quijote. Je maakt wel een erg domme en ongeciviliseerde indruk als je hardop durft te zeggen dat je het niet gelezen hebt.’
■ Cees Zoon, ‘Gek van een oude anarchist’, de Volkskrant 28 januari 2005.

♦♦♦

‘Het valt me op hoe vaak iemand in gezelschap een boektitel noemt, waarna alle andere aanwezigen knikken, terwijl vaststaat dat de helft dat boek niet kent. De verklaring ligt voor de hand: er is sprake van bereidwilligheid of vage herkenning en de jaknikkers zoeken al luisterend naar aanknopingspunten. De Quijote is een overbekend boek, maar ik denk dat de meesten als ik erover begin, hoe er ook geknikt wordt, alleen de titelheld kennen, misschien wel zonder te weten dat hij uit een boek komt. Geletterden zullen daarenboven een paar gevleugelde woorden uit het boek kennen en allicht de naam van de schrijver: Cervantes. En waarschijnlijk is er ook in Nederland een groep lezers voor wie de Quijote het boek der boeken is.’
Barber van de Pol, ‘De erfenis van de vertaler’ (1994), in: idem, Cervantes & co. In plaats van voetnoten. Essays (2000).

♦♦♦

Op de website van Uitgeverij Atheneum is een nieuwe canon te bekijken, samengesteld door een jury die bestaat uit Hella Haasse, Kristien Hemmerechts, Maarten Asscher, Kees Fens, Piet Gerbrandy en Arnon Grunberg. (Zucht. Of: terzijde. Waarom verrast zo’n rijtje namen toch nooit?) Voor de Perpetua-reeks, want hierin worden de boeken opnieuw uitgegeven, zijn 80 titels al uitgekozen; uit de lijst van nog eens 30 titels mag ‘het publiek’ een keuze maken. Waarom dit item op deze plaats? Omdat de jury in haar oneindige wijsheid besloten heeft de Illusions perdues van Balzac op te nemen.

♦♦♦

‘Het is niet meer vanzelfsprekend dat grote titels en auteurs op school voorbij komen. Twintig, dertig jaar geleden was dat wel zo: ook al had je nooit iets van Flaubert gelezen, je wist dat hij een belangrijke auteur was. Dat idee van een gemeenschappelijke imaginaire bibliotheek is grotendeels verloren gegaan.’
■ Naadloos aansluitend bij Bayards Comment parler enz. Aan het woord Henk Pröpper, in de Volkskrant 28 september 2007. Uit hetzelfde artikel van Aleid Truiens, ‘Honderd maal eeuwigheid’, nog een citaat: ‘Multatuli schreef ooit over Chateaubriand: die man is zó klassiek, dat ik hem niet meer hoef te lezen.’

♦♦♦

‘De bibliofiel leidt een deerniswekkend bestaan. Geen sprank hoop dringt ooit in zijn leven door. Hij is een toonbeeld van geestelijke stilstand. Hij leest nooit eens een boek. Want lezen houdt maar af van kopen.’
■ Gerrit Komrij, ‘Bibliofilie’, in: idem, Verzonken boeken (1986). Ook te lezen in de digitale bibliotheek voor de nederlandse letteren.

♦♦♦

‘U schrijft in uw nieuwe boek onder meer verontwaardigd over literatuur die de natuurwetenschap verkeerd aanhaalt?’
‘Als Harry Mulisch beweert dat de wereld naar de verdommenis gaat, omdat volgens de natuurkunde alles in chaos eindigt. Daar erger ik me aan ja. Of Michael Crichton die de plank misslaat.’
‘Maar dat is, met alle respect, toch maar literatuur?’
Maar? Literatuur en fictie zijn echt enorm belangrijke elementen van onze cultuur. Ze geven schoonheid en troost, zoals Wim Kayzer dat destijds noemde, in een wereld die helemaal zo prettig niet is. En ze bieden je de kans vele levens te leiden in de tijd van één. Lezers lenen andermans ervaringen. Ze zijn tegen veel meer opgewassen dan niet-lezers. Maar dan moet het natuurlijk wel een beetje kloppen wat er staat.’
■ Martijn van Calmthout in gesprek met fysicus Frans Saris, ‘De natuurkunde is voorbij’, de Volkskrant 1 september 2007.

♦♦♦

‘Hoe in een handomdraai te leren spreken over boeken die je niet gelezen hebt’. Zo zou de titel kunnen luiden van hfst. 6, ‘A note on litmanship’, in Stephen Potters One-upmanship enz. (1952). Jaap Engelsman draagt zijn steentje bij aan de ontlezing en stuurde ons de hilarische handleiding, hier te lezen [!].

♦♦♦

Monsieur de Saintot, nommé Astolphe, le Président de la Société d’Agriculture, homme haut en couleur, grand et gros [...] Astolphe passait pour être un savant du premier ordre. Ignorant comme une carpe, il n’en avait pas moins écrit les articles Sucre et Eau-de-vie dans un Dictionnaire d’agriculture, deux oeuvres pillées en détail dans tous les articles des journeaux et dans tous les anciens ouvrages où il était question de ces deux produits. Tout le Département le croyait occupé d’un Traité sur la culture moderne. Quoiqu’il restât enfermé pendant toute la matinée dans son cabinet, il n’avait pas encore écrit deux pages depuis douze ans. Si quelqu’un venait le voir, il se laissait surprendre brouillant des papiers, cherchant une note égarée ou taillant sa plume; mais il employait en niaiseries tout le temps qu’il demeurait dans son cabinet: il y lisait longuement le journal, il sculptait des bouchons avec son canif, il traçait des dessins fantastiques sur son gardemain, il feuilletait Cicéron pour y prendre à la volée une phrase ou des passages dont le sens pouvait s’appliquer aux événements du jour; puis le soir il s’efforçait d’amener la conversation sur un sujet qui lui permît de dire: — Il se trouve dans Cicéron une page qui semble avoir été écrit pour ce qui se passe de nos jours. Il récitait alors son passage au grand étonnement des auditeurs, qui se redisaient entre eux: — Vraiment Astolphe est un puits de science.’
■ Aldus een van de karakters die Balzac beschrijft in zijn Illusions perdues (1837-1843). Typisch een geval van pedante ‘non-lecture’. Bij Uitgeverij Van Oorschot verscheen in 2004 een vertaling door Jan Versteeg van Balzacs chef-d’oeuvre; deze was uitverkocht, maar inmiddels (november 2008) is er een herdruk verschenen.

♦♦♦

deventer uithangbord  [foto monique bullinga 2007]

 

♦♦♦

Gehoord: ‘Ik vind De ondraaglijke lichtheid van het bestaan zo’n mooie titel dat ik het boek ook mooi vind, al heb ik het niet gelezen.’

♦♦♦

Uit welke roman komt de volgende beroemde openingszin: ‘It is a truth universally acknowledged, that a single man in possession of a good fortune must be in want of a wife’? ■ Omdat ik het boek in kwestie niet zo lang geleden — eindelijk! — las, kon ik het antwoord nog uit mijn geheugen opdiepen. Mocht ú het niet weten bevindt u zich in goed gezelschap. Dirk Leyman verhaalt in zijn blog van 19 juli 2007 van een wel vaker uitgehaalde truc: stuur, onder een gefingeerde naam, een manuscript met fragmenten uit een klassieker naar een  uitgever en wacht de reacties af. De uitkomst mag bekend worden verondersteld. Het artikel dat de papieren man samenvat is te lezen in the guardian. ■ O ja, het antwoord op de vraag:
 

pride and prejudice

 

Behalve door Paul Depondt in de Volkskrant (10 maart 2007) is Comment parler des livres que l’on n’a pas lus (zie boven) nu ook in de NRC besproken (13 juli 2007). Margot Dijkgraaf schreef een korte recensie van dit prachtige boek onder de titel ‘Boeken zijn om in te snuffelen’. Zij haalt jammer genoeg wat weinig van Bayards fraaie voorbeelden aan, en eindigt met een conclusie die ik niet deel: ‘Dit is geen boek om te lezen. Je moet het doorbladeren, er een recensie over lezen, hoogstens even in kijken.’ Als je dít boek niet leest weet je werkelijk niet waar je het over hebt. ■ Overigens toont Dijkgraaf aan het boek wel gelezen te hebben, getuige de laatste zin van haar bespreking: ‘En daarna vergeet je het vanzelf.’ Dat is precies wat Bayard onder veel meer betoogt: op hetzelfde moment dat je begint met lezen begin je het gelezene te vergeten. Geeft niet, komt er weer ruimte in de bovenkamer voor andere boeken. ■ Frank Wagner schreef een zeer uitgebreide recensie van Bayards boek, te lezen op vox poetica. Eerder al had hij de auteur een interview afgenomen naar aanleiding van diens boek Demain est écrit (2005). Bayard, psychoanaliticus en werkzaam aan de Universiteit van Parijs, ‘s’interroge sur les capacités de la littérature à prédire l’avenir, et explore, avec autant d’humour que de rigueur, les implications épistémologiques de ce nouveau paradoxe.’ ■ Lees ook de bespreking door Piet Offermans in recensies.

♦♦♦

‘Whatever had possessed her to tell Lily that Wuthering Heights was one of her favorite novels? Favorite titles, maybe, since that was about as far as she’d ever gotten with the damn book.’
■ Joy Fielding, Mad River Road (2006), p. 145.

♦♦♦

‘Legendarische boeken worden zelden of nooit gelezen. Ze staan op de schappen van de bibliotheek. [...] Velen kennen Gavroche, maar weinigen hebben Victor Hugo’s Les Misérables ook gelezen. Don Quichot, Don Juan en zelfs de door de duivel besjoemelde Faust kennen we uit films of latere bewerkingen. Tijl Uilenspiegel, bijgestaan door zijn goedmoedige vriend Lamme Goedzak, maakt weliswaar deel uit van onze letterkundige canon, maar wie heeft La légende et les avontures héroïques, joyeuses et glorieuses d’Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs van Charles De Coster helemaal uitgelezen?’
■ Paul Depondt, in een bespreking van de opnieuw uitgegeven vertaling die Theun de Vries in 1947 van Costers boek maakte, in: de Volkskrant 15 juni 2007.

♦♦♦

‘Iedereen kent hem, bijna iedereen heeft hem, en behalve de auteur en Michaël Zeeman heeft niemand hem gelezen: de Ulysses van James Joyce. [...] De Ulysses dus. Onleesbaar boek.’
■ Bard van de Weijer, ‘Boeklogboek’, de Volkskrant 20 april 2004. (Zie ook James Joyce).

♦♦♦

‘Niet dat ik nou zo’n groot bewonderaar ben van Goethe... Hoewel, ik ben waarschijnlijk een van de weinigen die hem ook écht gelezen heeft.’
■ Rudy Kousbroek, geïnterviewd door Emma Brunt voor HP/De Tijd 6 april 2007,
p. 56.

♦♦♦

‘Gerbrand Bakkers] ervaringen als schrijver on the road boekstaafde hij in een bijdrage aan En toen viel ik van het podium [...] Daarin beschrijft hij dat zijn lezerspubliek vermoedde dat hij sterk door Nescio was beïnvloed, maar dat hij moest bekennen dat hij nog nooit iest van deze schrijver had gelezen. Van bijvoorbeeld A.F.Th. van der Heijden of Jeroen Brouwers kent hij ook geen enkel boek. “Dan gaat er een golf van verontwaardiging door de zaal,” zegt hij. “Maar dan kan ik natuurlijk net zo goed terugvragen of ze weleens iets van Raymond Carver, Carson McCullers of Fredrick Rolfe hebben gelezen. Ach, het is juist heel verfrissend, dat je door dingen niet te lezen een heel eigen toon kunt vinden.”’
■ Gerbrand Bakker, schrijver van Boven is het stil, in: HP/De Tijd 16 maart 2007,
p. 66.

♦♦♦

‘In de literatuur, de kunst, wordt vaak vergeten dat het allemaal bedoeld is voor een heel kleine kring. Datzelfde groepje zie je overal: bij de boekpresentaties en andere gezelligheid. Slechts een iets groter geroepje leest de boekenbijlagen. Die worden niet gelezen door vrijwel iedereen die in de tram zit.’
■ Cees Nooteboom, in: HP/De Tijd 20 april 2007, p. 61.
 

[omhoog, terug naar de lezende kip of naar entree]