[entree rabelais] [chronologie] [faicts & dicts] [leven & werk] [multimedia] [bric-à-brac] [de lezende kip] [sitemap]

Uit zijn leven en werk


Voor uitzonderlijke en afzonderlijke zaken uit zijn leven en werk is deze pagina over Rabelais bedoeld. Wat hier uiteindelijk te zien en te lezen is, zal de tijd uitwijzen. Opmerkelijke digitale initiatieven zullen zeker gesignaleerd worden, evenals nieuwe publicaties over de schrijver, zijn werk en zijn tijd.

Op de pagina traductions zijn fragmenten uit verschillende vertalingen met elkaar te vergelijken, waarbij, als steeds, de editie-Huchon (1994) en Vermeer-Pardoens vertaling (1996-1998) als uitgangspunt worden genomen.

© Monique Bullinga | m [at] rabelais [punt] nl
 

Inhoud

[26] Louis Barré
[25] Nieuwe, integrale en tweetalige Cinq livres
[24] ‘A rare moment of ingratitude’?
[23] Wieringa nu écht digitaal
[22] Inextinguible Rabelais
[21] Colloques de Rome
[20] ‘Fay ce que vouldras’ bij Erasmus
[19] Herdruk Passini en een nieuwe Gargantua e Pantagruele
[18] De Van Doesburgjes in Tours
[17] Gilbert Highet over Rabelais
[16] Theater: Pantagruel
[15] Twee nieuwe Droz-titels een een toetje digitaal
[14] François Rabelais le film
[13] Drie nieuwe Rabelais-publicaties
[12] Goedkope herdruk Gargantua & Pantagruel
[11] Les abstractions drolatiques
[10] Rabelais: radijs of Leidse kaas
[9] W.F. Smith
[8] Wieringa digitaal
[7] Rabelais op de index
[6] Niphleseth
[5] Les songes drolatiques de Pantagruel
[4] Liber amicorum
[3] Forse: corpus Rabelais
[2] ‘Panurg’s Hollands’
[1] Brieven uit Rome


[26]
Louis Barré

Behalve een sprookjeszusje (zie recensies nr. 22) heb ik ook een boekenzusje: Béatrice. Zij verraste me laatst met een Rabelais-uitgave die ik nog niet had. De complete titel luidt:

Oeuvres de Rabelais / Augmentées de plusieurs fragments et de deux chapitres du Cinquième Livre / restitués d’après un manuscrit de la Bibliothèque impériale / et précédées d’une / notice historique sur la vie et les oeuvres de Rabelais / Nouvelle édition / revue sur les meilleurs textes / Et particulièrement sur les travaux de J. Le Duchat, de S. de l’Aulnaye / et de P.L. Jacob 9bibliophile) / Éclaircie, quant à l’ortographe et à lo ponctuation, accompagnée de notes succintes / et d’un glossaire / par Louis Barré / Ancien Professeur de Philosophie. Paris, Garnier Frères, Libraires-Éditeurs [1856]

Het gaat om een herdruk van de oorspronkelijk in 1854 verschenen uitgave, toen met illustraties van Doré. Volgens Jean Fleury, Rabelais et son oeuvre (II, 1877), had Barré deze ‘édition populaire’ (p. 568) niet zó mogen uitgeven, want in de zestiende eeuw:

La ponctuation était toute différente et fondée sur d’autres principes que celle qui nous est familière. […] il ne faut pas toucher légèrement à l’orthographe de Rabelais, parceque, en général, elle réprésente la prononciation et donne à chaque mot, à chaque phrase un certain accent qu’il faut respecter. On n’a donc pas le droit d’imprimer comme l’a fait
M. Barré: il fut, ils fussent, bu, buvant, âge, eau, ménage, clarté, chef, relève, arroser, coeur, cognaistre, voir, etc., au lieu de: il feut, ils feussent, beu, beuvant, eage, eauë, mesnage, clairté, chief, reliève, arrouser, cueur, congnoistre, v
eoir. [...] ce n'est pas simplifier l'orthographe, c'est changer la langue. (p. 446)

nadar louis barré caricature
Louis Barré (1799-1857) — hiernaast de caricatuur door Nadar — was als leraar, veelvertaler, schrijver en bezorger van talloze tekstedities een typische exponent van de negentiende-eeuwse Franse letterkunde (zie de catalogus van de bnf.fr). Daarenboven ‘[...] pas sans mérite comme rabelaisant’, zoals Lazare Sainéan (1859-1934) het zuinigjes uitdrukt. Diens notitie over ‘Le complément du Dictionnaire de l’Académie française’ (in: Revue des Études Rabelaisiennes X, 1912, pp. 463 e.v.), waaraan Barré meewerkte, bevat echter enkele uitspraken die er niet om liegen. In zijn glossaire heeft Barré een aanzienlijk aantal woorden opgenomen die nooit uit Rabelais’ pen zijn gevloeid. Erger (‘plus curieuse’) nog is dat deze ook zijn terug te vinden in het Complément, en dat Barré behoorlijk wat steken heeft laten vallen. Zo schrijft hij aan Rabelais woorden toe die door andere auteurs gemunt zijn, geeft hij inadequate omschrijvingen van andere, en presenteert hij als onweerlegbare feiten enkele van Le Duchats etymologische hypotheses, ‘ce qui est vraiment excessif dans un ouvrage didactique comme le Complément’ (p. 465). Dodelijk voor een letterkundige reputatie moet de alinea zijn waarmee Sainéan zijn stukje besluit:

Il résulte donc que la source principale où l’éditeur du Complément du Dictionnaire de l’Académie française a puisé la plupart des renseignements touchant le vieux langage est le glossaire de l’édition de Rabelais par Louis Barré, glossaire qui est lui-même l’écho réduit des hypothèses de Le Duchat. Dès lors, on n’est plus surpris de trouver dans une publication quasi-officielle des données fantaisistes qui se perpétuent depuis deux siècles. (p. 486)

In dit licht is het portret dat Nadar schetste misschien zo caricaturaal nog niet.


[25]
Nieuwe, integrale en tweetalige Cinq livres

In januari verscheen het werk van Rabelais bij Gallimard in een nieuwe, tweetalige editie. Marie-Madeleine Fragonard bezorgde de uitgave en tekende voor de hertaling in modern Frans.

rabelais cinq livres fragonard ed. tr. 2017 cover klein

Het is een rijk en mooi geïllustreerd boek geworden, dat zijn plaats naast de van 1994 daterende editie-Huchon en die van Céard, Defaux en Simonin uit hetzelfde jaar meer dan verdient.


[24]
‘A rare moment of ingratitude’?

comenius orbis study detail copyright folger shakespeare  library

Michael J. Heath, Rabelais en Erasmus. Een korte notitie (pdf) bij een klaroenstoot.


[23]
Wieringa nu écht digitaal

In september 2015 was het zo ver: de vertaling van Gargantua & Pantagruel die Nicolaas Jarichides Wieringa in 1682 publiceerde, verscheen integraal op Ceneton. Onder de enthousiaste leiding van Dirk Geirnaert en Ton Harmsen is deze klus geklaard. Wat er aan vooraf ging?

♦♦♦

Eind jaren ’90 nam ik het initiatief Wieringa’s Rabelais-vertaling op cd uit te brengen. De inhoud daarvan zou verder bestaan uit een facsimile en transcriptie, aangevuld met onder meer fragmenten uit het proefschrift van Louise Thijssen-Schoute (1904-1961) en een selectie van artikelen door Paul J. Smith, werkzaam aan de Universiteit Leiden en lid van de Rabelais-club ‘Fay ce que vouldras’. Na enig overleg werd besloten de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te vragen de uitgave met een geldbedrag te ondersteunen. Paul Smith ondersteunde zijn verzoek met een beroep op Thijssen-Schoute, toen hij in oktober 2001 schreef:

De wens van een heruitgave werd reeds geuit door Louise Thijssen-Schoute, die, zoals u weet, haar proefschrift wijdde aan Wieringa als vertaler. In dit proefschrift, waarin zij baanbrekend onderzoek verrichtte naar Wieringa’s Rabelais-vertaling, gaf zij als eerste aan hoe belangrijk het is deze vertaling opnieuw uit te brengen:

[...] De geschriften van Rabelais behoren tot het kostbaarste bezit van de wereldlitteratuur. In Engeland bleek men prijs te stellen op een vertaling uit de zeventiende eeuw door haar in 1900 opnieuw uit te geven. Het is te hopen dat Alle de Geestige Werken Van Mr. Francois Rabelais ....Met groote vlyt uyt het Fransch vertaelt door Claudio Gallitalo [pseud. Van Wieringa] spoedig op Nederlandse persen herdrukt worden.
(uit: C.L. Thijssen-Schoute, Nicolaas Jarichides Wieringa. Een zeventiende-eeuwse vertaler van Boccalini, Rabelais, Barclai, Leti e.a., Assen, 1939, p. 323)

De Maatschappij zegde een klein bedrag toe, en Smith vond twee toenmalige studenten van hem bereid de oorspronkelijke tekst (zie nr. 8) in een tekstverwerkingsprogramma over te nemen: Esther Mourits en Evelien Chayes hebben deze precisiearbeid verricht. Opnieuw volgden overleg en correspondentie, nu aangevuld met het opstellen van richtlijnen en, uiteindelijk, met het collationeren. Dit laatste geschiedde door Dirk Geirnaert, Jaap Engelsman en mijzelf.

citaat thijssen-schoute 1939

In mijn exemplaar van het boek staat een optimistisch: 2004! onder deze regels. Maar het duurde iets langer. Omstandigheden verhinderden dat het project toen zijn voltooiing vond.

Door een toevallige ontmoeting met Dirk Geirnaert, in maart 2014, kwam ‘Wieringa’ echter weer in beeld. Hij maakte er werk van, was nog steeds zeer enthousiast over de talige rijkdom van deze zeventiende-eeuwse tekst. Het is aan hem te danken dat transcriptie en facsimile nu, na zoveel jaren, alsnog publiek zijn gemaakt. Niet op cd, maar op het web. Ton Harmsen en zijn collega’s van Ceneton zorgden er samen met hem voor dat het project ten slotte tot een goed einde is gekomen. Élke liefhebber van Rabelais en élke taalonderzoeker kan nu genieten van deze twee grootmeesters van de taal: François Rabelais en Nicolaas Jarichides Wieringa. (MB) [omhoog]


[22]
Inextinguible Rabelais

inextinguible rabelais
Mireille Huchon, Tom Conley en Richard Cooper organiseerden in samenwerking met het Musée National de la Renaissance een internationaal congres: Inextinguible Rabelais. Het vindt plaats van 12 t/m 15 november 2014 in Parijs. Bij het programma likt niet alleen de rabelaisiaan zich de vingers bij af, zie de pdf op officinedemercure.
      Wat zou het mooi zijn als iets dergelijks in Nederland kon worden georganiseerd. Als de dixhuitièmistes voor hun vierjaarlijkse International Congress for Eighteenth-Century Studies naar Amsterdam komen (juli 2015), moet de internationale Rabelais-gemeenschap dat toch ook kunnen?


[21]
Colloques de Rome

Nadat op de ‘Colloques de Rome’ is stilgestaan bij het Tiers Livre (1996; Droz, Genève 1999) en het Cinquiesme Livre (1998; idem, 2001) was nu Rabelais’ Vierde Boek aan de beurt: Langue et sens du Quart Livre. Actes du colloque de Rome (novembre 2011), sous la direction de Franco Giacone, verscheen in 2012  bij Classiques Garnier (aldaar ook de inhoudsopgave) en telt 443 blz. Raphaël Cappellen schreef een uitgebreide bespreking, zie acta fabula.
      Het is de eerste titel in de nieuwe reeks van Garnier, ‘Les Mondes de Rabelais’, onder redactie van Mireille Huchon. Er zullen uitgaven in verschijnen ‘Autour de Rabelais en “génie du siècle”, les livres et les hommes, les réalités et les fictions de son temps, l’Antiquité revisitée, les lectures et les interprétations du XXIe siècle.’ We zullen de reeks zeker in de gaten houden. [omhoog]
 

[20]
‘Fay ce que vouldras’ bij Erasmus

In het colloquim ‘De abt en de geletterde vrouw’, uit 1524, lezen we iets wat de rabelaisiaan bekend zal voorkomen:

Magdalia [...] Zeg eens: wat zijn jouw maatstaven voor geluk?
Antronius Slapen, lekker eten en drinken, doen wat je wilt, geld, aanzien.

■ Uit: Desiderius Erasmus, Gesprekken. Colloquia. Verzameld Werk 1. Vertaald en toegelicht door Jeanine de Landtsheer (Atheneum– Polak & Van Gennep, Amsterdam 2001), p. 227.

Voor de liefhebber de tekst in het Latijn:

Magdalia [...] Dic mihi, quibus rebus tu metiris suauitatem?
Antroinus Somno, conuiuiis, libertate faciendi quaevelis, pecunia, honoribus.

■ ASD I.3 Colloquia ‘Abbatis et eruditiae’, p. 404 [412]; zie adagia voor de verwijzing.
 

[19]
Herdruk Passini en een nieuwe Gargantua e Pantagruele

passini omslag 2012


Marina Warners, medeoprichtster van Libreria Bonardi in Amsterdam, schreef in ‘Rabelais in het (modern) Italiaans’, Faicts & Dicts 4, februari 1996:

In zijn voorwoord bij de editie van 1953 merkt Bonfantini [zie hieronder, MB] op dat ook de meer belezen Italianen het werk van Rabelais niet of nauwelijks kennen. Hij verwijst hierbij naar een essay van Ferdinando Neri, ‘La dubbia fortuna del Rabelais in Italia’, dat, hoewel gepubliceerd in 1932, volgens hem ook in 1953 inhoudelijk nog niet aan waarde heeft ingeboet. Want, zo schrijft Bonfantini, het is toch symptomatisch dat er (in 1953) geen enkele volledige Italiaanse vertaling van Gargantua en Pantagruel verkrijgbaar is, zelfs niet een herdruk van Passini’s vertaling uit 1925 die ‘pur nella sua eccessiva faciloneria, non era priva di meriti’.

Onbereikbaar dus in boekvorm, voor de Nederlandse lezer, tot op heden. Want amper twee maanden nadat een gloednieuwe Italiaanse vertaling van Gargantua & Pantagruel het licht zag bracht Newton Compton Editori deze eerste integrale vertaling in het Italiaans opnieuw uit. Het werk verscheen in 1925-1930 in vijf delen bij A.F. Formiggini te Rome; in een zesde deel zijn opgenomen ‘La Pantagruelina pronosticazione.... Almanacchi. Sciomachia. Lettere. Epistole. Epigrammi. Les Songes drolatiques’. De drie integrale Rabelais-vertalingen uit de twintigste eeuw zijn nu alle beschikbaar op papier, een pdf van Passini’s Gargantua e Pantagruele was overigens al te downloaden op liberliber.

      ‘Fay ce que vouldras’
Warners besloot haar artikel met de vraag hoe Bonfantini en Frassineti de beroemde woorden ‘Fay ce que vouldras’ vertaalden. Het antwoord: ‘Fa’ quello che vuoi (Bonfantini)’ en ‘Fa ciò che vuoi (Frassineti)’. Wat maakt Passini daarvan? ‘Fa’ ciò che vorrai’.

bompiani 2012Bij uitgeverij Bompiani verscheen zojuist (mei 2012) een nieuwe vertaling van Rabelais’ vijf boeken, mét de Franse tekst bezorgd door Mireille Huchon. Na Gargantua e Pantagruele van Gildo Passini (1925-1930), Mario Bonfantini (1953; 1993) en de tweetalige uitgave in drie banden door Augusto Frassineti (1984; 1995) nu dus een compleet nieuwe vertaling, wat aan de snelle kant is. Dat wordt een leuk spelletje ‘Zoek de verschillen’. ■ Deze keer heeft een heel team zich aan de vertaling gewaagd, getuige de titelbeschrijving: François Rabelais, Gargantua e Pantagruele, a cura di Lionello Sozzi, 2272 pp. (il volume contiene: Gargantua trad. e note di Dario Cecchetti; Pantagruele, trad. e note di Lionello Sozzi;
Il terzo libro, trad. e note di Michele Mastroianni; ll quarto libro, trad. e note di Paola Cifarelli; Il quinto libro, trad. e note di Antonella Amatuzzi). Verkrijgbaar bij bonardi in Amsterdam.

 

[18]

doesburg tours rabelais


Ed Schilders trof in de nieuwe catalogus van Bubb Kuyper bovenstaande foto aan; de beschrijving:

‘Doesburg, T. van (1883-1931). Original photograph of Theo van Doesburg, Nelly van Doesburg and Antony Kok standing in a park in Tours with a statue of Francois Rabelais in the background, 14x9 cm., verso w. printed/ stamped “Carte Postale” lay-out, addressed in pen and black ink by Antony Kok to “Mademoiselle M. Kok (...) Zutfen Pays-Bas” and signed “Toon”, and w. orig. stamp and postmark 03/08/1925.

= Recto w. contemp.(?) annot. “Rabelais” in pen and black ink in lower blank margin, and with modern annot. “3.6.1923 [sic] Theo van Doesburg, N.v.Doesburg, Anthony Kok” in pen and blue ink in upper blank margin.’
 

[17]
Gilbert Highet over Rabelais

‘Like many other great French writers, Rabelais is far from being  the cool, well-balanced, classical figure which is the accepted ideal of French literature. On the contrary, he is difficult to understand and difficult to admire. Those who enjoy his vigour are repelled by his pedantry; those who like his idealism hate his coarseness; those who prize his humour seldom prize all of it, or else ignore his seriousness: everyone feels that, although much is there, something is lacking — yet what it is that Rabelais lacks is not easy to say.
      The difficulty which his readers feel is based on a lack of harmony between conflicting factors in Rabelais’s book; and it is evident that, since more than most writers he is a one-book man, the disharmony reflects a profound conflict in his own character and life.’
■ Gilbert Highet, The classical tradition. Greek and Roman influences on western literature (1949; 1967), p. 179.

 

[16]

pantagruel d'après rabelais compagnie queue ni tête 2012


De Compagnie Queue ni Tête speelt op 14 maart 2012 in Parijs Pantagruel van Laureline Collavizza. Een teaser is te zien op de blog van de groep (met dank aan Cornucopia).
 

[15]
Twee nieuwe Droz-titels en een toetje digitaal

Eind 2011 verscheen onder redactie van Jean Céard en Marie-Luce Demonet Rabelais et la question du sens. Etudes rabelaisiennes XLIX (Droz, Genève). Het is me een raadsel waarom het zo lang heeft moeten duren voor de bundel (die 306 bladzijden telt) is gepubliceerd. De zestien lezingen werden gegeven op een symposium in Cerisy, dat in 2000 plaatsvond. Maar goed, het lijkt weer zeer de moeite waard (op de site van de uitgever is de inhoudsopgave te bekijken). Voor het ronde bedrag van 100,- mag u het boek het uwe noemen; een paar tientjes meer en u krijgt een pdf’je er bij. ■ Van Emmanuelle Lacore-Martin verscheen Figures de l'histoire et du temps dans l'oeuvre de Rabelais. Etudes rabelaisiennes LI. ■ Beide titels zijn overigens, zoals vaak, uitsluitend door de UB Leiden aangeschaft. Niet toevallig is Paul J. Smith daar hoogleraar.

Het toetje bestaat uit het deze maand (januari 2012) voor het eerst verschenen Le Verger, revue de Cornucopia. Het betreft een nieuw digitaal tijdschrift van de gelijknamige site, die zich toelegt op de ‘recherche universitaire consacré à la littérature et aux arts du XVIe siècle’; ‘Cornucopia s'inscrit dans une démarche humaniste d'ouverture et de partage du savoir.’ ■ Dat komt heel mooi uit, want Le Bouqet I bevat vrij te downloaden artikelen over Rabelais: Gargantua & le Quart Livre. Kortom: een goed en vriendelijk initiatief, dat zeker de moeite waard is te blijven volgen.
 

rabelais le film

La très excellente et divertissante histoire de François Rabelais is een tweedelige, in 2009 gedraaide film, onder regie van Hervé Baslé. Samen met Rabelais-kenner Claude Caignebet tekende hij ook voor het scenario. De voorproefjes, te bekijken en beluisteren op françois rabelais le film doen een liefhebber van Rabelais’ tijd in elk geval het water in de mond lopen. De film zal op TV5 te zien zijn, met Nederlandse ondertiteling van Jolijn Tevel en Tess Visser. Wanneer is nog niet bekend.
 

[13]
Drie nieuwe Rabelais-publicaties
 

cambridge companion 2011huchon omslag rabelais januari 2011

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

De Cambridge Companion to Rabelais verscheen in januari 2011 onder redactie van John O’Brien. ‘The most up-to-date book on Rabelais’, aldus de uitgever, is bedoeld om Engelstaligen de kans te geven ‘both to appreciate and to enjoy Rabelais’. Tien korte artikelen, van onder anderen Barbara C. Bowen, Marie-Luce Demonet en Edwin Duval, moeten dit bewerkstelligen. Over de vraag of deze bundel daarin geslaagd is valt te twisten. Hoe interessant ook, de meeste artikelen lijken me te specialistisch om een nieuw publiek aan te spreken. Enkele auteurs hanteren een vlotte pen én zijn in staat in een paar bladzijden een bepaald aspect van Rabelais’ werk te verhelderen. Andere hebben wat minder de gave van het woord en zullen de lezer, vrees ik, eerder afschrikken. Een onomwonden ‘Lees Rabelais!’ zul je in deze gids vergeefs zoeken. ■ Opgenomen zijn een beknopte chronologie, een literatuurlijst, en een index. Voor citaten uit de vijf boeken wordt, behalve naar Huchons Rabelais-editie (1994), verwezen naar de vertaling van Donald Frame (1991). Een opmerkelijke keuze, omdat bijna elke auteur die tekst aanpast (dat laatste is misschien, gezien de vertaalgeschiedenis ervan, níét opmerkelijk). 

Een paar artikelen er uitgelicht. O’Brien bijt het spits af met een introductie die leest als een handig resumé van de overige bijdragen. Soms wilde ik dat ik het bij die samenvatting had gelaten, want vrolijk wordt geen mens van een zin als ‘While the promotion of differences and alternative ways of reading encourages discursive complexity and interpretive proliferation, it tends as well to impede syntactic necessity and semantic coherence.’ Als dit de hedendaagse lezer moet helpen bij het begrijpen van het intellectuele landschap dat Rabelais ons voortovert, zoals O’Brien stelt, zie ik het somber in. Floyd Gray’s ‘Reading the works of Rabelais’ is vooral literair-theoretisch van aard, en lijkt mij eerder bedoeld voor zijn confraters dan voor een ‘broad spectrum of readers’.

Barbara Bowen schrijft als steeds met kennis van zaken maar vooral alsof ze niets liever doet. Haar openingszin ‘Rabelais must surely be one of history’s most misunderstood authors’ zet de toon van ‘Laughing in Rabelais, laughing with Rabelais’. In een zeer leesbaar betoog schetst zij eerst de achtergrond van het lachen in Rabelais’ tijd, om vervolgens in te gaan op ‘laughter, laughers, and the laughable’ in Rabelais’ boeken. Samenvattend zou je kunnen zeggen dat er weinig wordt gelachen in de boeken, dat er voor de lezer genoeg valt te lachen, dat het sleutelwoord niet ‘lachen’ is maar ‘vreugde’, en dat er in vertaling veel verloren gaat. Waarmee ze zich aansluit bij Keith Cameron, die in een bespreking van Frame’s vertaling stelde ‘It goes without saying that Rabelais loses something in the translation’ (Modern Language Review 89.3, 1994).

Ook Neil Kenny maakt in zijn ‘Making sense of intertextuality’ meteen duidelijk waar het om gaat: ‘Rabelais’s writings bristles with visible, subtle, or fictitious traces of other text’s.’ Niet vreemd, want het herschrijven van een eerdere tekst stond in hoog aanzien in diens tijd, niet het minst door de invloed die Erasmus’ De copia (1512) had. Dat ging van translatio tot paraphrasis en van imitatio tot allusio, of, zoals Kenny schrijft: ‘Some [texts] are quoted, cited, paraphrased, parodied, satirized, alluded to.’ Het artikel leest als een trein, maar vooronderstelt van de beoogde lezer nogal wat kennis van Rabelais’ werk. Edwin Duval schreef met ‘Putting religion in place’ een  helder, informatief, en goed gestructureerd artikel, dat misschien als een van de weinige voldoet aan de eis die O’Brien en zijn uitgever zich gesteld hadden. Met de hier opgedane kennis als richtsnoer kun je Rabelais’ boeken op dit vlak te lijf. Dat geldt ook voor ‘Pantagruel and Gargantua: The political education of the king’ van Ullrich Langer, maar dan op dit specifieke terrein. Er wordt niet te veel van de lezer verwacht, en  als introductie lijkt zijn artikel  me nuttig. Richard Cooper durft het in zijn ‘Reading and unraveling Rabelais through the ages’ te bestaan om meteen in de eerste alinea, zonder verder commentaar, een oude koe uit de sloot te halen: ‘Even a wit and satirist of the stature of Voltaire asserted in 1732 that Rabelais contained so much obscenity and ordure that seven-eights of his book should be crossed out.’ Een mooie binnenkomer, moet Cooper  gedacht hebben, want hij weet wel beter. Ten eerste moet je deze mededeling in haar context plaatsen — lees er zelf Le Temple du Goût op na —, ten tweede is Voltaire weliswaar in enkele brieven niet erg lovend over Rabelais, maar ten derde, en vooral: later heeft hij duidelijk veel waardering voor diens werk en beveelt hij lezing ervan zelfs aan.

Al met al een wat onevenwichtige bundel, met enkele lezenswaardige en interessante bijdragen. Of Rabelais hiermee echter dichter bij de Engelse lezer is gekomen waag ik te betwijfelen.

♦♦♦

Over Rabelais van Mireille Huchon (februari 2011) kan ik kort zijn: als de Engelsen Frans lazen hadden ze bovengenoemde companion niet nodig. Huchons boek is een voortreffelijke introductie op zowel de schrijver als zijn werk. Je leest het boek, vooropgesteld dat je Gargantua & Pantagruel gelezen hebt, in één adem uit. Het is  vlot geschreven, zonder een spoortje jargon of theoretisch koeterwaals. Wat er bekend is over Rabelais staat er in. Dat daartoe soms, zoals in het geval van de brieven uit Rome, veel geparafraseerd wordt, is voor de beginnende lezer alleen maar handig. Rabelais’ boeken, de erin behandelde thema’s, de alom aanwezige imitatio, zijn taalgebruik, politiek en religie, en dit alles tegen de achtergrond van zijn tijd: alles wordt even helder beschreven. Kortom: een aanrader. [omhoog]
 

cover reeser & gray ed.2011

 

 

 

 

In de reeks ‘Approaches to Teaching World Literature’ van The Modern Language Association of America verscheen, ook in 2011, Approaches to Teaching the Works of François Rabelais, Todd W. Reeser en Floyd Gray ed. Bedoeld om docenten handvatten te reiken wordt in korte bijdragen ingegaan op steeds een ander aspect van Gargantua & Pantagruel. Het ziet er veelbelovend uit, maar omdat het op de stapel ‘nog te lezen’ ligt blijft het hier voorlopig bij. Eén ding heeft alvast mijn volle instemming: Panurge zoals Albert Dubout hem zag (1936) siert het omslag. [omhoog]

 

[12]
Herdruk vertaling Vermeer-Pardoen
 

cover herdruk als in catalogus 2011

 

 


De voorjaarscatalogus 2011 van Van Gennep had een bijzonder aardige verrassing in petto:  de derde en laatste Nederlandse vertaling van Rabelais’ werk, uit 1996-1998, verschijnt in een goedkope herdruk. ‘Het eerste grote werk van Voltairevertaalster Hannie Vermeer-Pardoen’ zal ongeveer 800 pagina’s tellen en ca. 25 euro kosten. Goed nieuws, vooral voor al die lezers die nu misschien (alsnog) kennismaken met Rabelais, en daarbij voor een dubbeltje op de eerste rij zitten.

NB Begin 2012 is die verrassing nog steeds niet verschenen, en het lijkt er op dat dat ook niet meer gebeurt. Een gemiste kans. [omhoog]

 

[11]
Les abstractions drolatiques

velter

Over de Songes drolatiques hebben we het al gehad (zie [5]). Maar dankzij een tip van Hans van den Bergh kunnen we dit item mooi actualiseren. Vorige maand (oktober 2009) namelijk plaatste Johan Velter op zijn blog een opmerkelijk bericht:

‘In 2009 verscheen bij uitgeverij Sfcdt, gevestigd in Monomotapa,
Les abstractions drolatiques. De 120 tekeningen uit 1565 werden, “pour les amateurs”, naar de 21ste eeuw overgebracht. Dit boek verscheen in een oplage van
126 exemplaren en kost 25 euro.’
 

velter 1velter 2

Geheel in stijl zijn uitgever en plaats van uitgave fictief. Maar de uitgave zelf hoort niet in de wereld van het imaginaire boek thuis, zoals twee van de abstracten aantonen. ■ Wie alle tekeningen wil bekijken moet er snel bij zijn, gezien het beperkte aantal exemplaren waarin de — bibliofiele — editie gedrukt is. Enige uitleg bij dit bijzondere project geeft de kunstenaar / uitgever op zijn blog. [omhoog]
 

[10]
Rabelais: radijs of Leidse kaas

‘Het is met Rabelais als met radijs of Leidse kaas: houdt men er van, dan is het juist om de scherpe smaak die een ander afschrikt. Men is, om het met zijn woorden te zeggen, “pantagruellist”, of men is het niet. Men proeft in de stortvloed van platheden, grappen, toespelingen, parodieën en schaterlachen de sterke gezondheid, of men voelt zich beetgenomen door een taal-fantast en meer niet. Evenals op het klooster van Thélème, een der verrukkelijkste passages uit het boek Gargantua, staat boven heel het werk van Rabelais de spreuk: “Doe wat u aanstaat.” Leef volgens uw natuur, en de natuur leeft in u. Dit is het enige geluk der stervelingen.

Dit sluit echter in — en hier begint, als men zo zeggen mag, Rabelais’ evangelie — dat uw natuur reeds al datgene bevat, wat de moralist met zijn wil en de wijsgeer met zijn bespiegelingen naar zich toe moet trekken. Dat het vlees de steen der wijzen is. Dat reuzen van ingeboren goedgeaardheid, als Gargantua en Pantagruel, zonder schade te lijden aan geest of ziel, de hulpbruggetjes van ethiek en metafysica kunnen veronachtzamen voor de grote polsstok, die de Schepper ons allen heeft meegegeven. De goedgeaardheid is een voorwaarde, maar dan bungelt ook het gehele leven, de avonturen, de mensen, de sprookjes, de vindingen van vernuft en gevoel, als speelgoed aan uw gordel.

Rabelais was een realist. Geen centimeter-realist, als een zeker soort roman-schrijvers, die stapje voor stapje het leven op de voet volgen, maar een zevenmijls-realist, die de werkelijkheid heus niet liefhad of schoon vond en die niet stamelde dat het leven “zwaar maar kostelijk” is. Neen, zijn liefde gold de letteren, met al de hartstocht en onverzadigbaarheid van een humanist. Wat hij voor de werkelijkheid voelde was veeleer een geloof. Hij geloofde vurig in het bestaansrecht van het bestaande, in de geheiligdheid van het gewone. Het leven zelf was een voorbeschikking. Wat leefde was goed, wat goed was leefde. Het kwade was niets dan een onwerkelijke schim, een “Anti-physie”, die reeds voor één druppel bloed bezweek.

Hij leefde in een tijd van stilstand en krachtverzameling. De Paus was besluiteloos, de koning van Frankrijk was besluiteloos, Luther was zijn hoogtepunt voorbij en de Contrareformatie werd aarzelend ingezet. Calvijn publiceerde zijn Institutiones ongeveer in hetzelfde jaar als Rabelais zijn Eerste boek van Pantagruel. Zij waren, met Ignatius, de enige mensen die althans wisten dat zij zelf iets wilden.

Aan de lectuur van Rabelais komt zeer ten goede, wanneer men de vijf boeken niet achtereenvolgens doorleest. Het éne boek Gargantua en de vier boeken Pantagruel zijn vijf afzonderlijke werken, door de schrijver bijna alle met grote tussenruimte en in andere tijdperken van zijn leven geschreven. Men moet beginnen met Pantagruel I, daarna Gargantua (beide boeken zijn naderhand door Rabelais gekuist herdrukt, en hij deed zelfs de onvervaarde uitgever Dolet een proces aan, toen deze een onbesnoeide herdruk bracht) en eerst vervolgens Pantagruel II en III, met privileges van de koning en de kardinaal verschenen, om te eindigen met het veel betwijfelde deel IV van Pantagruel, dat lang na Rabelais' dood het licht zag. Ik meen dat de vertaler verstandig gedaan had, als hij het ‘Levensbericht’ in vijf hoofdstukken had gesneden en telkens zulk een hoofdstuk aan een deel had doen voorafgaan.

Belangrijker echter is, dat de vertaling van Sandfort zo goed is als zulks maar wezen kan. Rabelais verliest reeds als men hem in modern Frans leest, en dit heeft Balzac begrepen, toen hij voor zijn Contes drolatiques zijn taal archaïseerde tot die van de zestiende eeuw. Maar wat er in het Nederlands van Rabelais bewaard kan blijven, is hier met grote woordenrijkdom en dikwijls met veel durf bereikt. De uitgever heeft er door de toevoeging der prenten van Doré en Robida een prachtig boek van gemaakt, het is fraai gebonden en de band is fraai bestempeld, en, als gij eens op een winteravond niet naar de film gaat, maar dit boek bij de kachel op uw knieën neemt en een der delen leest, hebt ge een goede ruil gedaan.’

Martinus Nijhoff, Kritisch en verhalend proza (Verzameld werk II). Gerrit Borgers en Gerrit Kamphuis ed. (Amsterdam 1982), pp. 697-699; oorspronkelijk verschenen in De Gids I 1932; overgenomen van de dbnl. [omhoog]

[9]

smith w f ac 1953

In de Alumni Cantabrigienses (part II, vol. 5, p. 574, Cambridge 1953; met dank aan Steven Wood, Haworth, Yorkshire).

Merkwaardig genoeg wordt zijn magnum opus niet vermeld: The five books and the minor writings / together with / letters & documents illustrating / his life / A new translation with notes / by / W.F. Smith / Fellow of St John’s College Cambridge / Member of the Rabelais Club / Published for subscribers only, 2 Vols (Alexander P. Watt, Londen 1893).  ■ J.M. Cohen, die zich ruim een halve eeuw later aan een vertaling waagde (1955), besluit zijn ‘Translator’s introduction’ met de woorden:

‘Smith’s version of 1893 is a painfully exact exercise in the Victorian Tudor style, valuable, however, for its exellent battery of notes. Thinking it his duty to reproduce his master’s sentence forms exactly, this great Cambridg Rabelaisian often matched obscurity with obscurity. [...] Smith’s Rabelais deserves to stand on the shelf beside H.E. Watt’s Don Quixote as a monument of excellent scholarship devoted to a fault theory of translation.’

Lazare Sainéan liet zich in 1930 (L’Influence et la réputation de Rabelais. Interprètes, lecteurs et imitateurs, un rabelaisien (Marnix de Sainte-Aldegonde) een stuk lovender over Smith uit, maar verwijst eveneens vooral naar diens notenapparaat:

‘Elle [la traduction] est pourvue de notes précieuses [...] L’auteur a tiré profit d’Urquhart, mais il a fait de l’oeuvre de Rabelais elle-même une étude approfondie qui donne à sa version et à son commentaire une valeur à part.’

Een fragment uit de verschillende vertalingen is te vinden op traductions: bepaal zelf waar uw voorkeur naar uitgaat — voor zover mogelijk op basis van zo’n kort stukje tekst. Ik heb mijn keuze al gemaakt... [omhoog]

[8]

alle de geestige werken 1682 titelpagina

De complete Wieringa-vertaling (afbeeldingen) digitaal: dat is te danken aan Paul Dijstelberge. Heel mooi dat deze voor rabelaisianen en lexicologen zo belangrijke tekst in het openbare domein is gekomen. Daar is iets aan vooraf gegaan, én op gevolgd. Zie nr. 23... [omhoog]
 

[7]

rabelesius

Rabelais op de lijst van verboden boeken, in de Index Librorum prohibitorum, 1564. De uitgave is in te zien en te downloaden (image) van de Bayerische Staatsbibliothek. [omhoog]
 

[6]
Niphleseth
by Steven Wood — with thanks to Tamar Yellin for her invaluable help
 

briefve declaration uit huchon ed. 1994There are 'facts' which get copied uncritically from book to book without ever being checked for accuracy. One such 'fact' that has had a very long career concerns Niphleseth, the name of the Queen of the Andouilles in Rabelais' Fourth Book Chapter 42.  This states that niphleseth is a Hebrew word for the penis. This explanation first appears in the ‘Briefve Declaration’ in some copies of the first edition of the Fourth Book (Paris, Michel Fezandat, 1552; Plan 78, NRB 45*):

‘Niphleseth. Membre viril. Hebr.’

It is repeated in the anonymous ‘Alphabet de l'Auteur François’:

‘Niphleset. C'est un mot Hebreu, qui signifie le membre viril. l. 4, ch. 42.

The ‘Alphabet’ was first published in the Elzevier edition of the Oeuvres in 1663 and seems to have last been published in the Variorum edition in 1823.

It continues to appear over the centuries down to modern editions and books about Rabelais. I did try to find the word niphleseth in a Hebrew-English dictionary but with no success. This I attributed to my complete ignorance of the Hebrew language. Recently I referred the matter to the Jewish writer and teacher Tamar Yellin. She told me that any such word would have to be from the root p-l-s meaning to weigh or make level, which is not relevant. ■ There the matter rested until I acquired copies of the Revue des Etudes Rabelaisiennes from the Internet Archive. In 1908 Lazare Sainéan published an article on Rabelais's vocabulary in that journal (‘Le Vocabulaire de Rabelais’, RER Vol. 6). In his treatment of Hebrew words he quotes the ‘Briefve Declaration’ and adds (p. 300 n. 5):

‘C'est miphleseth qu'il faut lire, et la Septante traduit le mot par ειδολον, monstre.’

Oddly this information is not repeated in his La Langue de Rabelais of 1922-1923 where he reverts to the ‘Briefve Declaration’ interpretation without further explanation. ■ When I asked Tamar Yellin about miphleseth as a Hebrew word she was able to supply the following information:

‘The transliteration should be “miphletzet” from the root p-l-tz, meaning “to shudder,” the same root that appears in Job 9 v.6, “[the earth's] pillars shudder” and in Isaiah 21 v.4 “a shuddering” and elsewhere. My biblical dictionary (Hebrew and English Lexicon of the Old Testament, Oxford 1977) translates miphletzet as a “horrid thing” (a “thing to shudder at”) and the word is found in I Kings 15 v.13 and its parallel passage at II Chronicles 15 v.16, referring to “some abominable object of idolatry, not precisely known.” But since it is related to the Asherah, which was a fertility tree-goddess, I leave the rest to your imagination."

So the mystery of the nonexistent Hebrew word niphleseth seems to have been cleared up at last.

* Pierre-Paul Plan, Les éditions de Rabelais de 1532 à 1711. Catalogue raisonné descriptif et figuré, illustré de cent soixante-six facsimilés (1905); Stephen Rawles en M.A. Screech, A new Rabelais bibliography. Editions of Rabelais before 1626 (1987). [omhoog]
 

[5]
Songes

In 1565, twaalf jaar na de dood van Rabelais, verscheen Les songes drola- / tiques de Pantagruel, / ou sont contenues plusieurs figures / de l’invention de maistre Fran- / çois Rabelais: & dernie- / re oeuvre d’iceluy, / pour la recreation / des bons / esprits. A Paris, / Par Richard Breton, Rue S. Iaques, / à l’Escruisse d’argent. / M. D. LXV, zoals de oorspronkelijke titel luidt. Deze uitgave bestaat uit een serie van 120 groteske afbeeldingen, die — behalve aan Rabelais zelf — onder meer aan Jacques Callot zijn toegeschreven.

Het is echter een stuk waarschijnlijker dat de onbekende maker zich heeft laten ‘inspireren’ door De zeven doodzonden van Pieter Bruegel de Oude, gegraveerd door Jérôme Cock (1558). Een aantal van de daar aangetroffen figuren treffen we hier, ondersteboven, ook aan. Ook zijn gelijksoortige figuurtjes te vinden in de Devises héroïques van Claude Paradin (1557) en in de Métamorphoses van Ovidius (1559), aldus de tekst bij cat.nr 579 van de tentoonstellingscatalogus Rabelais. Exposition organisée à l’occasion du quatrième centenaire de la publication de Pantagruel (1933).

De uitstekende introductie die hierna volgt schreef Jaap Engelsman oorspronkelijk voor Faicts & Dicts 6. Puzzelen en ‘zoek de verschillen’ kan met behulp van de site van Chris den Engelsman en de fraaie diavertoning van de Songes die door Robin Raybould op het web is gezet. Hieronder twee gedrochtjes uit Bosch’ Het Laatste Oordeel; te koop in ’s-Hertogenbosch, waar tot 31 december 2009 De Wereld van Bosch was te bewonderen in het Noordbrabants Museum.
 

bosch 1 [foto monique bullinga 2008]

 

bosch 4 [foto monique bullinga 2008]


Actueel
Vlak nadat ik Songes op deze pagina had geplaatst, besteedde de NRC (10 juli 2008) aandacht aan de jonge kunstenaar Leonid Babiichouk (27). Hij studeerde aan de Maastrichtse kunstacademie af ‘met een een dertienluik van drie meter hoog en meer dan zestien meter lang. Panelen vol nachtmerrieachtige taferelen en uitgevoerd in een trefzekere tekenstijl met houtskool en Siberisch krijt’. ■ Op de foto die het artikel vergezelde was iets van dit immense kunstwerk te zien, en wat ik zag was een afschaduwing van Bruegel, Bosch, de onbekende maker van de Songes. Nog iemand die zich hoor hen had laten inspireren dus, en een link naar de Songes-tekeningen die ons onderwerp zijn. Maar nee, Babiichouk zegt nergens, ook niet op zijn site, dat hij aan deze kunstenaars schatplichtig is. Wat we lezen is dit:

‘“Niets van deze tekeningen was gepland. Mensen denken dat het in mijn hoofd zat, maar ik ben verbaasd door wat ik op papier zie. Elke beslissing is genomen op vormgevoel.” [...] Babiichouk zegt dat hij voor hij acht maanden geleden aan zijn veelluik begon nooit op deze schaal heeft gewerkt. Eigenlijk maakte hij video’s en zat hij op A4-tjes “autistisch” uiterst nauwkeurig lijnen te tekenen en uit te gummen tot het volgens hem perfect was. “Vendetta is begonnen met de tekening van de man met de dikke buik. Het is één groot werk geworden. Ik kan er mee leven dat niet alles perfect is getekend.”’

Heeft Babiichouk geen inspiratie gevonden bij de oude meesters, en is de gelijkenis die ik zie gewoon toeval? Het zou mooi zijn als een kenner zijn werk eens nader beschouwde. Hij kan vast beginnen met leonid, Babiichoucks site. [omhoog]
 

Les Songes Drolatiques de Pantagruel
door Jaap Engelsman

Les orteilz avoit comme une espinette orguanisée [...] Les aisselles, comme un eschiquier [...] Le nez, comme un brodequin anté en escusson.
Quart Livre XXXI

In een moderne uitgave van Johann Fischarts Geschichtklitterung (1963) vielen mij de absurdistische houtsneden op waarmee de tekst was verlucht. Over deze platen werd slechts meegedeeld dat ze waren ontleend aan de Songes drolatiques de Pantagruel uit 1565. Dit behoort natuurlijk tot het ABC der Rabelais-kunde, maar wist ik veel. Na overleg met De Tiengeboden werd besloten aan de Songes een inleidend artikeltje te wijden in Faicts & Dicts. De gegevens hiertoe zijn in hoofdzaak ontleend aan de inleidingen door Paul Lacroix en Michel Jeanneret bij herdrukken uit respectievelijk 1868 en 1989. (Zie de literatuuropgave; bij het korte stuk van Lacroix leken paginaverwijzingen mij niet nodig.)

In 1565, twaalf jaar na de dood van Rabelais, verscheen bij Richard Breton, in de rue Saint-Jacques te Parijs, waar de zilveren rivierkreeft uithing, een boekje in octavo getiteld Les songes drolatiques de Pantagruel, ou sont contenues plusieurs figures de l’invention de maistre François Rabelais: & derniere oeuvre d’iceluy, pour la recreation des bons esprits. Na een woord vooraf van amper drie bladzijden bevat het 120 genummerde houtsneden zonder bijschriften.songes jeanneret ed 1989 nr 44 Deze ongekleurde prentjes, waarvan enkele verkleind bij dit artikel zijn afgebeeld, vertonen in een eenvoudige, maar heldere stijl een zo te zien onsamenhangend assortiment rare snoeshanen. Elk plaatje wordt door één figuur gedomineerd; vrijwel allemaal staan ze, zonder nadere indicatie van achtergrond of omgeving, op een stukje grond met grassprieten. De mensachtige, dierlijke en hybride schepsels hanteren allerlei gebruiksvoorwerpen of zijn er zelfs mee vergroeid. Misvormingen, malle tronies en wapentuig zijn legio. Hoewel het volume van de gestalten met een eenvoudige maar effectieve arcering is aangegeven, maken de plaatjes toch een lineaire en vlakke indruk.

In de titel heeft de kunstenaar of de uitgever zich met het woord songe — voorloper van rêve — een alibi geschapen om de verbeelding de vrije hand te kunnen laten (Jeanneret, pp. vi-viii). Deze titel is bovendien de oudste plaats waar het woord drolatique, dat verwant is met het verouderde Nederlandse drol ‘snaak, zot’, in geschrifte voorkomt (Jeanneret, pp. v-vi). Daarna duikt het pas weer op in Balzacs bewust archaïserende Cent Contes drôlatiques (1832-1837).

Voordat ik inga op het auteurschap en de functie van het boekje, eerst een kwestie die de gedachten der lezers ongetwijfeld al een regel of wat beheerst: is er een kans dat ik bij de antiquaar op de hoek een origineel exemplaar tegenkom? En zo ja, wat gaat me dat kosten? Hoe het hiermee tegenwoordig gesteld is weet ik niet, maar Lacroix schreef in 1868 — merkbaar bleek om de neus — dat het laatst geveilde exemplaar van dit gezochte werkje 1500 francs had opgebracht. Bij eerdere gelegenheden was er 150 tot 775 francs voor betaald. Naar schatting van Lacroix circuleerden er, buiten enkele stuks in bibliotheken, slechts vijf à zes op de markt. Aan gissingen omtrent de oorspronkelijke oplage waagde hij zich niet.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat het boek herhaaldelijk is herdrukt. Jeanneret (noot 3) noemt behalve zijn eigen herdruk (2000 ex.) en die van Lacroix (300 ex.) nog moderne herdrukken uit 1823, 1869 (herdrukt in 1959), 1870 (waarnaar de platen van Jeanneret zijn gereproduceerd) en nogmaals 1959. Een zeer bijzondere uitgave wordt gememoreerd door Lacroix: in 1797 beweerde de boekhandelaar Salior de originele, deels ingekleurde, pentekeningen van Rabelais in zijn bezit te hebben. Zijn uitgave van deze schat bleef bij nummer 60 steken. De tekeningen werden in 1807 voor slechts 130 francs geveild. Dat materiaal — voor wie ernaar uit wil kijken — was in folioformaat.

Omtrent de functie of bedoeling van de Songes drolatiques de Pantagruel biedt het anonieme voorwoord uit 1565 weinig houvast. De schrijver pocht op zijn ‘grande familiarité’ met wijlen Rabelais, waardoor hij zich verplicht zag diens ‘laatste werk’, deze ‘dromen van Pantagruel’, uit te geven, Over die hersenspinsels wil hij slechts kwijt dat je zulke rare figuren verder nergens ter wereld vindt, en dat zelfs Panurge op zijn laatste reizen niets wonderlijkers kan hebben gezien. Een eventuele allegorische of mystieke uitleg van de figuren, of het bedenken van passende titels, laat de voorwoordenaar graag over aan wie van zulke zaken verstand heeft. Omzichtig stelt hij dat het niet de opzet is geweest mensen van welke ‘estat ou condition’ ook voor schut te zetten. Pas tegen het slot komen een paar opmerkingen die hout snijden: het boekje is bedoeld ‘seulement pour servir de passe temps à la jeunesse, joint aussi que plusieurs bons esprits y pourront tirer des inventions tant pour faire crotestes [grotesken, JE], que pour establir mascarades’. Een soort modelboek dus voor kunstenaars en ambachtslieden, zoals die al sedert de middeleeuwen in omloop waren.

songes jeanneret ed 1989 nr 10Dat het heus om het ‘laatste werk’ van Rabelais zou gaan, gelooft geen hond, al noemt Lacroix ene Charles Lenormand, die meende dat Rabelais veel verstand moest hebben gehad van bouwkunst en derhalve wel een vaardig tekenaar kon zijn geweest. Aannemelijker is de veronderstelling dat uitgever Breton slechts van Rabelais’ naamsbekendheid heeft willen profiteren. Een jaar tevoren was immers het Vijfde Boek verschenen.

Volgens Jeanneret (p. ii) heeft Jean Porcher in 1959 als meer aannemelijke maker van de Songes een zekere François Desprez voorgesteld. Diens naam staat onder het voorwoord van een kledingplatenboek dat in 1562 bij Richard Breton, drie jaar later uitgever van de Songes, was verschenen: Recueil de la diversité des habits. Bovendien meent Porcher voldoende overeenkomsten in stijl en figuren tussen de Receuil en de Songes te kunnen aanwijzen om Desprez als maker van de laatste te kunnen identificeren. Deze François Desprez, over wie weinig bekend is, maakte beurzen en kledingstukken — zaken die dikwijls met borduurwerk werden versierd. Hij moet zich dus beroepshalve hebben beziggehouden met het ontwerpen of althans kopiëren van ornamenten, en kan zeer wel uit zijn dagelijkse stof dit modelboek hebben samengesteld (Jeanneret, p. iii). (Gemakshalve noem ik hierna de maker van de Songes Desprez.)

Zijn deze plaatjes nu allemaal door Desprez zelf bedacht? Hierop gaat Jeanneret kort in (pp. iv-v). Monsterlijke figuren werden al in de Middeleeuwen uitgebeeld, bijvoorbeeld op kapitelen en in de marges en initialen van verluchte handschriften. Verscheidene onderzoekers hebben gewezen op de met de Songes verwante hybride figuren [zie boven, MB] in de schilderijen van Jeroen Bosch (ca. 1450-1516), die — zoals het werk van alle grote schilders uit die tijd — via prenten algemene bekendheid hadden gekregen. Bovendien bevatten de Songes exacte ontleningen aan prenten naar Pieter Bruegel de Oude (ca. 1525-1569). Daarnaast behoren bepaalde ornamenten en vogeltjes in de Songes tot de traditie der grotesken, die al omstreeks 1500 was opgekomen. Al met al lijkt de iconografische oorspronkelijkheid van de Songes-figuren niet bijster groot, wat overigens in de kunst van die tijd eerder regel dan uitzondering is.

Jsonges jeanneret ed 1989 nr 42eanneret trekt heel wat meer ruimte uit voor een erudiet, zij het nogal speculatief betoog over mogelijke betekenissen of bedoelingen van de Songes-prenten. Hieruit doe ik slechts een zeer kleine greep. Een allegorische of karikaturale strekking kan Jeanneret in de Songes niet ontdekken (pp. xix-xxii), wat gezien het ontbreken van bijschriften niet zo vreemd is. Aardig is wel dat in enkele oude Duitse herdrukken de platen onbekommerd van verklaringen zijn voorzien; zo werd nr. 42 —  de hiernaast afgebeelde figuur met de wijnvat-romp — uitgelegd als ‘De zelfmoord van Lucretius’ (Jeanneret, noot 41).

In een beschouwing over de diverse soorten mengwezens die in de Songes figureren trekt Jeanneret (pp. xi-xii) een parallel met de hoofdstukken 29-31 van het Quart Livre, waar een enigszins verwant creatuur wordt beschreven: Quaresmeprenant, ‘confalonnier des Ichthyophages, dictateur de Moustardois’ enz., enz. (zie ook het motto hierboven).

Wangedrochten en monsters — in de zin van spelingen der natuur —  werden in die tijd als angstwekkend en letterlijk onheilspellend ervaren (Jeanneret, pp. xxii-xxxii). Dit leidt naar een interpretatie van de Songes als een poging om het monsterlijke onschadelijk te maken door er de draak mee te steken: ‘la carnavalisation de l’horreur’ (Jeanneret, pp. xxxii-xxxvi). Bladeren in de Songes, lezen in le Quart Livre, dat is ‘côtoyer voluptueusement l’horreur’ (Jeanneret, pp. xxxvi-xxxvii). Uiteindelijk komt Jeanneret tot de conclusie (p. xl): ‘Si les Songes doivent quelque chose à Rabelais, s’ils obéissent à un programme, c’est peut-être cela: danser sur la crête de l’abîme, rire à la face du monstre.’ Kortom: het een heeft geen flikker met het ander te maken.

Wat de kunstzinnige kwaliteit — gevaarlijk anachronistisch begrip! — van de prenten betreft, sluit ik me aan bij Van Bastelaer. Deze kenschetste de Songes-prenten in 1907 als ‘un amalgame plus ou moins habile d’emprunts fait à Bruegel, aux Allemands et aux Italiens, et complétés de dessins assez pauvres d’invention et de forme’ (p. 122). Ouderwets mogen de Songes-prenten zeker heten, daar ze immers niets wezenlijks toevoegen aan wat Bosch een halve eeuw eerder al had laten zien. De vergelijking met Bosch, Bruegel en later verwant werk van Arent van Bolten (ca. 1573-voor 1633) — op wiens werk Paul Smith mij attent maakte — en Jacques Callot (1592/93-1635) maakt Desprez’ artistieke beperkingen pijnlijk duidelijk. Toch bieden de houterige houtsneden van de Songes drolatiques de Pantagruel een amusante momentopname uit de lange westerse traditie van grillige artistieke ‘inventies’.

Literatuuropgave

Paul Lacroix ed., Les Songes drolatiques de Pantagruel (J. Gay et Fils, Genève 1868)
R. van Bastelaer, Peter Bruegel l’ancien (1907) dl. 1, pp. 122-123
Michel Jeanneret (ed.), Les Songes drolatiques de Pantagruel (Editions [vwa], La Chaux-de-Fonds 1989).
Dawn of the Golden Age, cat. tent. Rijksmuseum Amsterdam (1993) pp. 301-302, 408-412 (Arent van Bolten). [omhoog]
 

[4]
Liber amicorum

Twee seiziémistes die — uiteraard — ook over Rabelais hebben gepubliceerd worden dit jaar (2008) vereerd met een liber amicorum. Jean Céard, die onder veel meer samen met Gérard Defaux en Michel Simonin een editie bezorgde van Les cinq livres (1994), krijgt een forse bundel aangeboden: Esculape et Dionysos. Mélanges en honneur de Jean Céard. Jean Dupèbe e.a. ed., xxvi-1180 pp. (Droz, Genève). Alleen weggelegd voor bibliotheken en vergelijkbare instellingen, want het gaat voor € 179,88 over de toonbank...

Esprit généreux, esprit pantagruélicque. Essays by His Students in Honor of François Rigolot. Reinier Leushuis en Zahi Zalloua ed.,  zal 312 pp. tellen en € 34,16 kosten. Rigolot schreef onder meer Les langages de Rabelais (1996). [omhoog]
 

[3]
‘Forse’: Corpus Rabelais

Belangrijk nieuws (1/2008) betreffende de Rabelais-kunde is te lezen op de site van Les Bibliothèques Virtuelles Humanistes. Een groep wetenschappers onder leiding van Marie-Luce Demonet stelt zich ten doel een enorm corpus van primaire en secundaire bronnen betreffende Rabelais te digitaliseren. Forse, ofwel ‘FOnds Rabelais et ses Sources En ligne. Oeuvres et images, éditions majeures et manuscrits’, zal uit zo’n 200 teksten bestaan, onderverdeeld in:

‘1) Plus de 30 éditions des œuvres de Rabelais, publiées entre 1532  et 1564, dont les principales seront en mode texte, accompagnées des manuscrits autographes ou présumés tels et d'une iconographie inédite;
2) Une centaine d’ouvrages constituant les sources d’inspiration de Rabelais, soit très connues comme les Adages d’Erasme, soit moins connues comme la compilation des Lectiones antiquae de Caelius Rhodiginus, auxquelles s'adjoignent des manuscrits inédits relevant de cerles érudits, certains méritant d’être intégralement transcrits;
3) Une cinquantaine d’ouvrages trahissant une influence manifeste de Rabelais (traductions et adaptations) d’une part, ou mentionnant Rabelais pour le critiquer ou le louer d’autre part. La mise à disposition de ces documents vise à fournir des sources de première main, tant pour l’interprétation de l’œuvre que pour le rassemblement des documents biographiques. Pour éviter l’écueil d’une édition encyclopédique gigantesque, le terminus ad quem est marqué par les dates du Moyen de Parvenir (1610-1616) texte de l’un des imitateurs les plus originaux de Rabelais, François Béroalde de Verville, ce qui coïncide avec la fin de l’époque Henri IV. Les traductions les plus anciennes seront aussi mises en ligne (en allemand, néerlandais, anglais).’

Neem de link op in uw favorieten, en houd ook déze pagina in de gaten: we zullen  nader berichten over dit grootse project. [omhoog]
 

[2]
‘Panurg’s Hollands’

leeskaart bibliotheek rotterdam 1948

In een van de Rabelais-uitgaven uit mijn verzameling — uit 1874, bezorgd door A.L. Sardou;  nr. 248 van de 500 genummerde exemplaren — zat een leeskaart uit de bibliotheek van Rotterdam, geldig voor het jaar 1948. Zo’n relict uit het verleden is op zich aardig genoeg, maar zijn plaats hier dankt het aan twee woorden op de achterkant van de kaart: ‘Panurg’s Hollands’.

panurge's hollands 1948

Als Pantagruel en Panurge elkaar voor het eerst ontmoeten (in Pantagruel IX), spreekt de laatste in vreemde tongen. In het beroemde vraaggesprek antwoordt Panurge steeds in een andere taal; behalve in een paar fantasietalen eerst in het Duits, vervolgens in het Italiaans, Engels, Baskisch, Spaans, Deens, Hebreeuws, Grieks en Latijn. En in het Nederlands. Op de vraag ‘Spreek je een christentaal of bak je er maar wat van? Het lijkt wel Lanternijns’, antwoordt Panurge:

‘Herre ie en spreke anders gheen taele dan kersten taele: my dunct nochtans, al en seg ie v niet een word, myuen noot v claert ghenonch wat ie beglere, gheest my unyt bermherticheyt yet waer un ie ghevoet magh zunch.’ (Huchon ed. p. 248)

Hannie Vermeer-Pardoen vertaalt:

‘Heer, ik spreek geen andere taal dan de taal der christenen. Ik meen echter dat, ook al spreek ik geen woord, mijn nood u duidelijk toont wat ik vraag: geef mij uit barmhartigheid iets waarmee ik me mag voeden.’

Paul Smith schrijft in zijn artikel over de Elzevier-uitgaven van Rabelais (in Smith ed., Editer et traduire Rabelais à travers les âges ( 1997), onder verwijzing naar P.G. Bietenholz ed., Contemporaries of Erasmus [...] (1985):

‘On suppose que que ce néerlandais a été écrit par l’ancien secrétaire d’Erasme, le flamand Hilaire Bertholphe, que Rabelais semble avoir bien connu.’

Zo dacht Rabelais er zelf blijkbaar ook over. In zijn brief aan Erasmus, geschreven in Lyon en gedateerd 30 november 1532, schrijft hij op goede voet te staan met de filoloog:

‘Je viens d’apprendre de la bouche d’Hilaire Bertolphe, avec lequel j’en use ici très familièrement [...]’ (vertaling uit het Latijn in Huchon ed., p. 999; curs. van mij, MB).

Over Bertolph of Bertoul heb ik weinig tot niets kunnen vinden. Maar dat komt misschien nog wel. [omhoog]
 

[1]
Brieven uit Rome

Superlatieven schieten soms tekort als je de mogelijkheden van het internet wilt beschrijven. Zómaar een brief van Rabelais op het scherm hebben: ik vind het nog steeds een klein wonder. Hierbij dus: het eerste en het laatste vel van een brief die Rabelais in 1536 schreef (zie hierna), gedigitaliseerd door de bibliothèque nationale française en aldaar te vinden.

lettre de rabelais 1536 [1] copyright bnf


lettre de rabelais 1536 [5] copyright bnf

Dat het gaat om een van de drie brieven die Rabelais vanuit Rome schreef aan zijn beschermheer Geoffroy d’Estissac, abt van het benedictijner klooster in Maillezais (zie chronologie), lijkt duidelijk. Meer is op grond van de afbeelding niet te achterhalen, want bij vergroting komt een ernstig tekort aan pixels boven water. Een gemiste kans, want wat heb je aan een facsimile waarvan de tekst niet te lezen is? De BNF geeft ook overigens geen informatie over de brief — maar de editie-Huchon biedt uitkomst; François Moreau vat het onderzoek samen.

De drie brieven uit Rome (die Hannie Vermeer-Pardoen vertaalde voor Faicts & Dicts, zie ook hierna) zijn uit twee bronnen bekend. De eerste, in manuscript, bevindt zich in de collectie-Dupuy (Bibliothèque nationale), ‘ff’os 63-80, Trois lettres de M. François Rabelais transcriptes sur les originaux. Escrites de Rome, 1536’. Het gaat hier om een afschrift uit de eerste helft van de 17de eeuw. ■ De tweede bron is de — niet erg betrouwbare —  uitgave die de gebroeders Sainte-Marthe in 1651 bezorgden: ‘Les / Epistres / de maistre / Francois Rabelais / docteur en medecine, / escrites pendant / son voyage d’Italie, / Nouvellement mis en lumiere. / Avec des Observations Historiques. / Et l’Abregé de l’Autheur. / A Paris, / chez Charles de Cercy, au Palais, / en la Gallerie Dauphine, à la / Bonne Foy Couronnee. / M.DC.LI. / Avec Privilege du Roy.’ Niet erg betrouwbaar dus, maar met een mooi frontispice:
 

rabelais epitres 1651 maker onbekend

De brief waar het hier om gaat, de tweede, gedateerd 28 januari 1536, maakt in manuscript deel uit van de collectie-Rothschild, eveneens bewaard in de Bibliothèque nationale (A XVI 162). Later is er aan toegevoegd: ‘L[ettre] de Rabelais. Original à l’Evesque de Maillezais à Rome. Elle est imprimée.’ Het handschrift dateert uit de zestiende eeuw, en is volgens Abel Lefranc (1863-1952) niet van Rabelais zelf maar van een tijdgenoot van de meester. ■ Richard Cooper stelt in zijn Rabelais et l’Italie (1991) dat het wel degelijk gaat om een  brief en niet om een afschrift: ‘Il s’agit d’une missive qui a été envoyée et reçue et non d’une copie faite par l’expéditeur ou le destinataire: le papier a été plié en six, transpercé et puis scellé avec un cachet; au dos on trouve toujours l’adresse du destinataire et l’accusé de réception, “Rabelays, à (ou de) Romme, xxviii janvier 1536”.’ En bovendien is Rabelais de schrijver: ‘[...] étant donné que l’écriture semble identique à la lettre de Rabelais à Jean Du Bellay du 6 février 1547, universellement reconnue comme autographe [...].’

Hieronder de brief in de vertaling die Hannie Vermeer-Pardoen maakte voor Faicts & Dicts 31 / december 2003. Voor de tekst mét annotatie en illustraties zie dit nummer van Faicts & Dicts
(in de leeszaal).
 

AAN MONSEIGNEUR DE MAILLEZAIS
II

Monseigneur,

Ik heb de brief van de tweede december ontvangen die u zo vriendelijk bent geweest mij te schrijven en waaruit ik heb vernomen dat u mijn twee pakjes had ontvangen, het ene van de XVIIIe en het andere van de XXIIe oktober, met de vier handtekeningen die ik u deed toekomen. Sindsdien heb ik u heel uitvoerig geschreven op XXIX november en op XXX december. Ik denk wel dat u die zendingen nu hebt ontvangen, want de heer Michel Parmentier, boekverkoper wonende in de Ecu de Bâle, heeft mij op de Ve van deze maand geschreven dat hij ze had ontvangen en doorgestuurd naar Poitiers. U kunt er zeker van zijn dat er van hier naar Lyon zorgvuldigzal worden omgesprongen met de pakjes die ik u zal zenden, want ik stop ze inhet grote verzegelde pakket met spullen voor de koning, en als de bode in Lyonaankomt wordt het uitgepakt door de gouverneur. Daarna neemt zijn secretaris, een goede vriend van mij, het pakje waarop ik aan de buitenkant het adres van genoemde Michel Parmentier zet eruit. Daarom kunnen er alleen moeilijkheden optreden tussen Lyon en Poitiers. Om die reden heb ik besloten het van een taxatie te voorzien, zodat er tot Poitiers door de boden beter op wordt gepast, omdat ze hopen er nog een centje aan te verdienen. Van mijn kant houd ik genoemde Parmentier steeds te vriend door middel van kleine geschenken die ik hem doe toekomen, nieuwigheidjes van hier of een aardigheidje voor zijn vrouw, zodat hij nog meer zijn best zal doen om kooplui of boden uit Poitiers op te zoeken om u die zendingen te overhandigen. En ik ben het helemaal eens met wat u schrijft, namelijk dat we ze niet aan bankiers moeten toevertrouwen, want dan konden ze wel eens worden beschadigd en opengemaakt. Ik stel voor om de eerste keer dat u mij weer schrijft, en vooral als het om een belangrijke zaak gaat, ook een woordje aan genoemde Parmentier te schrijven en in uw brief een daalder te stoppen bij wijze van erkentelijkheid voor de moeite die hij doet om mij uw pakjes toe te sturen, en u de mijne te zenden. Er is soms maar weinig voor nodig om fatsoenlijke mensen aan zich te verplichten en te maken dat zij, mocht er haast bij zijn, nog meer hun best gaan doen.

Monseigneur,

Ik heb uw brief nog niet aan de bisschop van Saintes gegeven, want hij is nog niet terug van Napels, waar hij naar toe was gegaan met de kardinalen Salviati en Ridolfi. Binnen twee dagen zal hij hier aankomen: ik zal hem uw brief geven en om antwoord vragen, waarna ik u dat antwoord met de eerste renbode zal doen toekomen. Ik begrijp dat hun zaken bij de keizer niet zo zijn afgehandeld als zij hadden gehoopt, en dat de keizer hun uitdrukkelijk heeft gezegd dat hij op hun verzoek en aandringen alsmede op dat van hun medestander en nauwe bloedverwant, wijlen paus Clemens, Alexander de’ Medici had aangesteld als hertog van Florence en Pisa, wat hij zelf nooit van plan was geweest en ook nooit zou hebben gedaan. Hem nu afzetten zou hem tot een soort goochelaar maken die mensen laat verschijnen en weer verdwijnen. Daarom moesten zij maar besluiten om hem te erkennen als hun hertog en heer en hem te gehoorzamen als vazallen en onderdanen, en niet in gebreke te blijven. Wat betreft de klachten die zij inbrachten tegen genoemde hertog, hij zou daar ter plekke een onderzoek naar instellen, want hij overweegt om, na enige tijd in Rome te hebben doorgebracht, naar Siena te reizen en van daar naar Florence, Bologna, Milaan en Genua. Zo keren genoemde kardinalen huiswaarts, samen met de bisschop  van Saintes, Strozzi en enige anderen, re infecta. De XIIe van deze maand kwamen de kardinaal van Siena en kardinaal Cesarini hier terug. Zij waren namelijk door de paus en door het hele college als ambassadeurs afgevaardigd naar de keizer. Ze hebben het voor elkaar gekregen dat de keizer zijn komst heeft uitgesteld tot eind februari. Als ik zoveel daalders had als de paus proprio motu, de plenitudine potestatis, en nog wat van die gunstige omstandigheden, aan aflaten zou willen geven aan degene die zijn komst nog een jaar of vijf zes zou kunnen doen uitstellen, zou ik rijker zijn dan Jacques Coeur ooit is geweest.

Men bereidt zich in deze stad voor op een luisterrijke ontvangst. En op bevel van de paus wordt er een nieuwe weg aangelegd waarlangs hij de stad binnen zal komen, te weten vanaf de Sint-Sebastiaanpoort via het Capitool, de Tempel van de Vrede en het Colosseum, en dan laat men hem onder de antieke triomfbogen van Constantinus, Vespasianus en Titus, van Septimius Severus en anderen doorgaan, vervolgens langs het Paleis van Venetië en vandaar over het Campo di Fiori en voor het Farnese-paleis langs waar de paus placht te wonen, dan langs de banken onderaan de
S.- Angeloburcht. Om die weg aan te leggen en te egaliseren, heeft men meer dan tweehonderd huizen gesloopt en neergehaald, en drie of vier kerken met de grond gelijkgemaakt, wat door verscheidene mensen als een slecht voorteken wordt gezien. Op de dag van de Bekering van Sint Paulus heeft de Heilige Vader in de Sint- Pauluskerk de mis bijgewoond en heeft hij een feestmaal aangericht voor alle kardinalen. Na het diner is hij langs bovengenoemde weg teruggegaan en hij heeft in het Sint-Jorispaleis overnacht. Maar het puin van al die gesloopte huizen is een akelig gezicht en de eigenaars ervan hebben geen enkele betaling of schadevergoeding ontvangen.

Vandaag zijn hier de ambassadeurs van Venetië aangekomen, vier brave oude mannen, allemaal met grijze haren, die de keizer in Napels tegemoet zullen gaan. De paus heeft al zijn mensen gestuurd om hen te verwelkomen, kamerheren, kameraars, beambten van de kanselarij, landsknechten enzovoorts, en de kardinalen hebben hun muildieren gestuurd, opgetuigd voor groot ceremonieel. Op de zevende dag van deze maand werden ook de ambassadeurs van Siena geheel volgens de regels ontvangen, en nadat zij in een openbare kardinaalsvergadering hun toespraak hadden gehouden en de paus hun in fraai Latijn in het kort had geantwoord, zijn ze naar Napels vertrokken. Ik geloof wel dat er uit alle delen van Italië ambassadeurs naar de keizer zullen gaan; en hij weet wel hoe hij het aan moet leggen om hun de centen uit de zak te kloppen, zoals we hier tien dagen geleden al hebben ontdekt, maar ik heb nog niet precies gehoord wat voor trucjes hij in Napels heeft toegepast. Daar zal ik u later over schrijven.

De vorst van Piemonte, oudste zoon van de hertog van Savoye, is twee weken geleden in Napels overleden; de keizer heeft hem een heel eervolle begrafenis laten geven en die persoonlijk bijgewoond. De koning van Portugal heeft zes dagen geleden zijn ambassadeur te Rome opdracht gegeven om dadelijk na ontvangst van zijn brief bij hem in Portugal terug te komen, wat de ambassadeur meteen heeft gedaan, en gelaarsd en gespoord is hij de zeer eerwaarde kardinaal Du Bellay vaarwel komen zeggen. Twee dagen later is er midden op de dag bij de S.-Angelobrug een Portugese edelman vermoord, die hier in de stad was om ondersteuning te komen vragen voor de joden die onder koning Emmanuel waren gedoopt en die daarna onder de huidige koning van Portugal onder druk waren gezet om hem bij hun dood hun bezittingen na te laten, en die ook nog op andere manieren door hem waren afgeperst, in strijd met het edict en de verordening van koning Emmanuel. Ik vermoed dat er in Portugal oproer is.

Monseigneur,

In de laatste zending die ik u heb doen toekomen, heb ik u ervan op de hoogte gesteld hoe een deel van het Turkse leger door de Sofi bij Bitlis was verslagen. De Turk heeft niet lang op revanche laten wachten, want twee maanden later is hij met een geweld zo woest als men nog nooit eerder heeft meegemaakt op de Sofi afgestormd, en nadat hij een groot gebied in Mesopotamië te vuur en te zwaard had verwoest heeft hij de Sofi weer teruggejaagd over het Taurusgebergte. Nu laat hij een
groot aantal galeien maken op de rivier de Tanaïs, waarover ze naar Constantinopel kunnen varen. Barbarossa is nog niet vertrokken uit Constantinopel om de streek te
beschermen; en hij heeft een aantal garnizoenen achtergelaten in Bona en Algiers, voor het geval de keizer hem zou willen aanvallen. Ik stuur u zijn portret naar het leven gemaakt, en ook een kaart van Tunis en de zeehavens uit de omgeving. De landsknechten die de keizer had opgeroepen in het hertogdom Milaan om de versterkte steden te verdedigen, zijn allemaal verdronken en op zee omgekomen, ten getale van 1200, en een van de mooiste en grootste schepen van Genua is vergaan. En dat is gebeurd bij een haven van Lucca, Lerici geheten. De oorzaak was dat zij genoeg hadden van de zee en aan land wilden, maar dat niet konden vanwege de storm en het zware weer. Ze dachten dat de kapitein van het schip hen aan het lijntje wilde houden en niet wilde afmeren. Daarom vermoordden ze hem, samen met nog een paar officieren van het schip. Toen die dood waren bleef het schip zonder stuurman achter, en in plaats van de zeilen te strijken gingen de landsknechten, die de zeemanskunst niet verstonden, de zeilen hijsen, en in die algehele verwarring zijn ze vergaan op een steenworp afstand van genoemde haven.

Monseigneur,

Ik heb gehoord dat de bisschop van Lavaur, die ambassadeur des konings in Venetië is, ontslag heeft gekregen en naar Frankrijk terugkeert. Zijn plaats wordt ingenomen door de bisschop van Rodez. Hij heeft in Lyon zijn hele hebben en houden al klaarstaan om te vertrekken zodra de koning zijn bevelen zal hebben gegeven.

Monseigneur,

Ik beveel mij allernederigst aan in uw welwillendheid en ik bid onze Heer dat Hij u gezondheid mag schenken en een goed en lang leven.

Rome, op de XXVIIIe dag van januari 1536


Uw zeer nederige dienaar
François Rabelais

[omhoog, naar entree of naar de sitemap]