[in geschrifte]

In geschrifte


Rabelais in andermans teksten: daar gaat deze pagina over. De rubriek ‘Nuttig & Curieus’ uit Faicts & Dicts (zie de inhoud van Faicts & Dicts) krijgt hier een vervolg.

Waar we de auteur of een van zijn vele personages in de geschreven media aantreffen, wordt dat geboekstaafd. Onderscheid tussen ‘hoog’ en ‘laag’ in de verschillende genres, tussen fictie en non-fictie en tussen recent en minder recent doet voor ons niet ter zake. Net als in ‘Nuttig & Curieus’ wordt, aldus het redactioneel in Faicts & Dicts 29 (in de leeszaal) , vrolijk

‘overgeschreven en gekopieerd, geplunderd en gedepouilleerd, afgeschreven en overgepend, aangehaald en opgesomd, kortom plagiaat gepleegd met bronvermelding, alles ter meerdere eer en glorie van Rabelais en zijn fatum in Nederland, het leven en de literatuur’.

[terug naar faicts & dicts, naar entree of naar de sitemap]

© Monique Bullinga | m [at] rabelais [punt] nl
 

Inhoudsopgave

Hellfire Club [22]
Achterhaald [21]
Buste Balzac [20]
‘Doctor Rabelais’ [19]
‘Rabelais was an old rat’ [18]
‘Rabelais in het Engels’ [17]
‘Een van de vrolijkste en geleerdste tijdschriften in ons land’ [16]
‘Bridoye et le jeu de l’oie’ [15]
‘Hoorn des overvloeds’ [14]
‘Den schnaaksen pastoor van Meudon’ [13]
‘Rabelais en het bemiddelend vonnis’ [12]
‘Zekere grenzen...’ [11]
Een markiezin... [10]
Rechtspraak en ‘kelige wildklemmen’ [9]
Panurge als spion: een Franse broeder Tuck? [8]
‘Fay ce que vouldras’: goed of kwaad? [7]
Bevroren woorden [6]
Archie, de man van staal? Rabelais, de man van metaal! [5]
Doe wat ge met een maartse kater moet doen [4]
‘Eenvoudigweg vermakelijke boeken’ [3]
‘Le divin auteur du Pantagruel’ [2]
‘Elken avond een kapitteltje’ Jan Walch over Rabelais [1]


[22]
Hellfire Club

‘“Dat soort ondergrondse antikunstbewegingen is er altijd geweest,” zei Haasse, “duizenden jaren geleden waren ze er al. Ze wakkeren ontevredenheid aan, gaan dwars tegen normen en waarden in. Ze ontmaskeren fatsoen, schoonheid en moreel gedrag als leugens en bedrog. In Appeltern bijvoorbeeld, mijn boek over de achttdende-eeuwer Joan Derk van der Capellen, noem ik de Engelse politicus John Wilkes. Hij is lid van een hellfire club, een duivels genootschap waar orgieën worden gevierd en zwarte missen worden opgedragen onder het motto faire ce que voudra. Dat was vaak het motto van dergelijke duivelse clubs.” [...] Ook in haar roman Fenrir gaat Haasse in op dit soort vreemde genootschappen die goed en kwaad in de samenleving ondermijnen. “Dat soort mensen wijst alles af wat het individu dwang oplegt, ieder individu moet kunnen doen wat hij zelf wil, ook al gaat dat ten koste van een ander.”’

Hella Haasse in gesprek met Margot Dijkgraaf, maart 2006, in: Margot Dijkgraaf, Spiegelbeeld en schaduwspel. Het oeuvre van Hella S. Haasse (2014), p. 275.
      Zie ook het artikel dat Jaap Engelsman schreef: ‘Francis Dashwood en de vermeende Hellfire Club’, Faicts & Dicts 27 / augustus 2002 (in de leeszaal).

[21]

rabelais in monitor geplakt 1998

In 1998 knutselde ik voor Faicts & Dicts. Berichten van de Rabelais-club ‘Fay ce que vouldras’ een plaatje in elkaar dat ‘Rabelais en de elektronische werkelijkheid’ moest verbeelden: hoe voorlijk leek dat destijds. En nu, nog geen vijftien jaar later, is dit beeld hopeloos achterhaald. Alleen al die knol van een monitor!
 

achterhaald twee


Update: toen ik onlangs dit boek (uit 2007) binnenkreeg trof mij het omslag, ontworpen door Jack Harrison. Dat het idee niet bijster origineel is bleek me zojuist (1 januari 2014):
 

zaf augustinus

[...] op de homepage van het Zentrum für Augustinusforschung is Augustinus voor een beeldscherm gezet. Meer voorbeelden van dit beeldgebruik zijn ongetwijfeld te vinden voor wie zoekt.

[20]

ijsenbrant balzac

Voor Faicts & Dicts 15 (in de leeszaal) schreef Piet Offermans ‘“Oarig”. Een Nederlandse vertaling van Balzacs Contes drolatiques’. Aan de verzameling letterkundige parafernalia hier ten huize konden we de beeltenis van de Franse (veel)schrijver toevoegen: Peter IJsenbrant fabriceerde eigenhandig deze fraaie buste van Balzac (foto: de trotse eigenaresse van dit exemplaar).
 

[19]
‘Doctor Rabelais’

Once — it was many years ago.
In early wedded life,
Ere yet my loved one had become
A very knowing wife,
She came to me and said: ‘My dear,
I think (and do not you?)
That we should have about the house
A doctor’s book or two.’

‘Our little ones have sundry ills
Which I should understand
And cure myself, if I but had
A doctor’s book at hand.
Why not economize, my dear,
In point of doctor’s bills
By purchasing the means to treat
Our little household ills?’

Dear, honest, patient little wife!
She did not even guess
She offered me the very prize
I hankered to possess.
‘You argue wisely, wife,’ quoth I,
‘Proceed without delay
To find and comprehend the works
Of Doctor Rabelais.’

I wrote the title out for her
(She'd never heard the name),
And presently she bought those books,
And home she lugged the same;
I clearly read this taunting boast
On her triumphant brow:
‘Aha, ye venal doctors all,
Ye are outwitted now!’

Those volumes stood upon the shelf
A month or two unread,
Save as such times by night I conned
Their precious wit in bed;
But once — it was a wintry time —
I heard my loved one say:
‘This child is croupy; I’ll consult
My doctor, Rabelais!’

Soon from her delusive dream
My beauteous bride awoke.
Too soon she grasped the fulness of
My bibliomaniac joke.
There came a sudden, shocking change,
As you may well suppose,
And with her reprehensive voice
The temperature arose.

But that was many years ago,
In early wedded life,
And that dear lady has become
A very knowing wife;
For she hath learned from Rabelais
What elsewhere is agreed:
The plague of bibliomania is
A cureless ill indeed.

And still at night, when all the rest
Are hushed in sweet repose,
O’er those two interdicted tomes
I laugh and nod and doze.
From worldly ills and business cares
My weary mind is lured,
And by that doctor's magic art
My ailments all are cured.

So my dear, knowing little wife
Is glad that it is so,
And with a smile recalls the trick
I played her years ago;
And whensoe’er dyspeptic pangs
Compel me to their sway,
The saucy girl bids me consult
My doctor, Rabelais!’

Eugene Field, in: idem, A Gentle Obsession (2007); net als nummer 18 gevonden door Ed Schilders. [omhoog]
 

[18]
‘Rabelais was an old rat’

‘I should trust Dr. O'Rell's judgment in this matter, even if I did not know from experience that it was true. For Dr. O'Rell is the most famous authority we have in bibliomania and kindred maladies. It is he (I make the information known at the risk of offending the ethics of the profession) — it is he who discovered the bacillus librorum, and, what is still more important and still more to his glory, it is he who invented that subtle lymph which is now everywhere employed by the profession as a
diagnostic where the presence of the germs of bibliomania (in other words, bacilli librorum) is suspected.

I once got this learned scientist to inject a milligram of the lymph into the femoral artery of Miss Susan's cat. Within an hour the precocious beast surreptitiously entered my library for the first time in her life, and ate the covers of my pet edition
of Rabelais. This demonstrated to Dr. O'Rell's satisfaction the efficacy of his diagnostic, and it proved to Judge Methuen's satisfaction what the Judge has always maintained — viz., that Rabelais was an old rat.’

Eugene Field, in: idem, The Love Affairs of a Bibliomaniac (ca. 1910); gevonden door Ed Schilders. [omhoog]
 

[17]
Rabelais in het Engels
door Francis H. Abbot
Bespreking van The Works of Francis Rabelais. Bezorgd door Albert Jay Nock en Catherine R. Wilson. New York: Harcourt, Brace and Company. 2 dln. $15.00.
vertaald door Jaap Engelsman

‘Een ontwikkeld mens leest Rabelais; tegen die stelling valt weinig in te brengen, zou je zeggen. Maar in Amerika ligt dat anders. Als een erudiet man “het beste dat in de wereld is gezegd en gedacht [dient] te kennen”,[1] dan mag de Franse zestiende eeuw toch zeker niet ontbreken. En in die periode heeft geen ander de reputatie van deze grote verteller en humanist kunnen evenaren en behouden. Maar wie hem hier te lande leest en er plezier aan beleeft, moet zich al gauw een beetje verontschuldigen, want de filisters zijn onder ons en de huichelarij viert hoogtij. De vals-aardige toon van Sterne spreekt de massa meer aan dan het franke geluid van Rabelais. Bijgevolg wordt een van de grote mannen van Frankrijk — ja zelfs een van zijn geestelijke pijlers, die men dient te kennen om zich een afgerond beeld te kunnen vormen van de Franse volksaard — naar verhouding verwaarloosd. En Rabelais behoort niet enkel toe aan Frankrijk; hij behoort aan de wereld. Toch geldt hij in de Verenigde Staten in het algemeen als een vulgaire, clowneske figuur. Wie zijn werken bezit, bewaart ze op de hoogste planken of in een stil hoekje —  want wat zullen de buren wel niet denken. Dat neemt niet weg dat pantagruelisme is wat wij nodig hebben om nieuw leven te brengen in de dorre weiden van de Amerikaanse universiteiten.

Het zal nog lang duren — áls het ooit zover komt — dat Rabelais hier algemeen gelezen wordt, maar er zijn een paar mensen die hem lezen, en voor hen is een groot goed geschied. De nieuwe editie van zijn Gargantua and Pantagruel door dr. Albert Jay Nock en mej. Catherine Rose Wilson is fraai en komt gelegen. Het drukwerk is voortreffelijk (als “offer op het altaar van de muggenzifterij” merk ik in het voorbijgaan op dat ik één fout heb gevonden: Le Motteux, op p. v, regel 1, heeft een a in plaats van een o). De talrijke foto’s van personen, gebouwen en locaties zijn alle belangwekkend, vaak fraai en soms, zoals in het geval van de kaart van het schouwtoneel van de Picrocholijnse Oorlog, zeer verhelderend voor een goed begrip van de tekst. De vertaling is die van Urquhart en Le Motteux, maar gemoderniseerd in spelling, interpunctie en hoofdlettergebruik, zodat de lezer niet door een vreemd paginabeeld wordt afgeleid. Moeilijke woorden worden verklaard, maar niet te vaak; er zijn voetnoten, maar niet te veel. En het mooiste is een inleiding van zo’n 190 pagina’s, waarin wordt meegedeeld wat er bekend is over het leven van Rabelais, en die vol staat met het soort literatuurkritiek dat slechts een pantagruelist kan schrijven.

De Engelstalige volkeren zijn sinds lang in het gelukkige bezit van een Rabelais-vertaling die zélf klassiek Engels proza is. Urquharts “tekstgetrouwheid” houdt geen letterlijke weergave in, maar maakt op de Engelse lezer een indruk die overeenkomt met de indruk die het origineel maakt op een Franse lezer. In dat opzicht kan slechts de King James-versie van de Bijbel eraan tippen, en die twee vertalingen zijn in onze taal nog altijd zonder weerga. Het is dan ook zeer terecht dat deze tekst gemakkelijk toegankelijk wordt gemaakt voor de moderne lezer; dat de bezorgers in kwestie voor hun taak berekend zijn is zonneklaar. Je hoeft de inleiding maar lukraak open te slaan en je vindt een passage als deze: “Eens en voor al moet worden vastgesteld dat de voornaamste reden om een klassiek auteur als Rabelais te lezen is dat hij — vooral op momenten van zwakte en verslapping — de geest stut en steunt tegen de spanningen van het leven, hem verheft boven platvloerse ergernissen en verloedering, en hem zuivert van vertwijfeling en cynisme.” Die zin zou iedere promovendus moeten inlijsten en boven zijn bureau hangen, wanneer zijn systeemkaartjes hem weer eens te machtig worden.

Of denk aan de weldadige uitwerking die dit op de onderzoeker zou kunnen hebben: “Want in zijn kijk op de waarden van het leven staat Rabelais geheel aan de zijde van de wijzen en de heiligen; slechts in zijn methode gaat hij zijn eigen weg. Hij prijst het humanistische leven niet aan, nee, hij vertoont het, en laat het voor zich spreken. [...] Zijn zedenlessen hebben niets vermanends of prekerigs. [...] ‘De gedaante van deze wereld vergaat,’ zei Goethe, ‘ik zou mij slechts willen bezighouden met de omstandigheden die blijvend zijn.’[2] Wel, zo zien wij het allemaal, tenminste af en toe, maar de doorsnee mens wordt niet echt getroffen door zulke verheven woorden, hoe indrukwekkend ook. Zelfs de majestueuze zin die op het graf van een van de Scipionen is uitgehouwen — ‘Qui apicem gessisti, [...] mors perfecit tua ut essent omnia brevia, honos fama virtusque, gloria atque ingenium’[3] — zelfs die is in zijn majesteit diep melancholiek — melancholiek en rustgevend. Rabelais schenkt kracht en licht; hij laat het leven van de humanist een uitbundige vreugde uitstralen, zodat het zich vertoont als iets lieflijks, iets oneindig begeerlijks, waarnaast alle overige verworvenheden vanzelf door de mand vallen als goedkoop, armzalig en triviaal. Je gaat er van harte en blijmoedig een pact mee aan, in het besef dat hierbij vergeleken al wat er verder verloren gaat, niet wordt gemist.”

Kan het mooier? Ik betwijfel het.’
 

Noten van de vertaler:

[1] ‘[to] know the best that has been said and thought in the world’. Dit lijkt bedoeld als aanhaling van Matthew Arnolds definitie van criticism: ‘a disinterested endeavor to learn and propagate the best that is known and thought in the world.’ (Een onbaatzuchtig streven om het beste dat men in de wereld weet en denkt, te leren en te verbreiden; Essays in Criticism, First Series, ‘The Function of Criticism at the Present Time’, 1865.)
[2] ‘Die Gestalt dieser Welt vergeht, ich möchte mich nur mit dem beschäftigen, was bleibende Verhältnisse sind [...].’ (23 aug. 1787, ‘Zweiter römischer Aufenthalt’ (1829), in: Italienische Reise).
[3] Een iets andere, vermoedelijk nauwkeuriger transcriptie, met de vertaling van Wouter Keuleers:

‘Quei apice [...] gesistei
mors perfec[it] tua ut essent omnia brevia,
honos, fama, virtusque gloria atque ingenuim. [...]’

(Jij, die de priestermuts [...] hebt gedragen.
De dood heeft ervoor gezorgd dat voor jou alles kort van duur was:
je eer, je goede naam, je moed, je roem en je talent.)

■ De recensie verscheen in Virginia Quarterly Review, 8:1 (jan. 1932) pp. 150-153.
© University of Virginia / 2000 Bell & Howell Information and Learning Company
© Vertaling Jaap Engelsman
(voor rabelais.nl) 2008 [omhoog]
 

[16]
‘Een van de vrolijkste en geleerdste tijdschriften in ons land’

‘Al ruim tien jaar, vanaf juni 1995, verschijnt een aan Rabelais gewijd tijdschrift Faicts & Dicts. Veertig afleveringen zijn de voorbije tijd, “onregelmatig, naar gelang de lust[en] der leden”, gepubliceerd. Van de toezending van het tijdschrift, dat onder redactie van Monique Bullinga, Jaap Engelsman en Ed Schilders stond, kon men zich verzekeren als men over Rabelais schreef. Wie schreef, werd lid van de Rabelais-club “Fay ce que vouldras”.

De rol die Rabelais in de Nederlandse literatuur speelde en speelt, werd in die veertig afleveringen nauwgezet gedocumenteerd. Essays van Ed Schilders en Atte Jongstra flankeren er de intelligente analyses van Paul Smith en Dirk Geirnaert. Rabelais-vertaalster Hannie Vermeer-Pardoen beschreef wat het is om het overdonderende geweld van Rabelais te vernederlandsen. André Hanou bracht de receptie van Rabelais in de achttiende eeuw in kaart en Monique Bullinga schreef over de héle Rabelais.

De veertigste aflevering van een van de vrolijkste en geleerdste tijdschriften in ons land markeert het einde van het tijdschrift in papieren vorm, het is ook het einde van de exclusiviteit. Enkele rubrieken krijgen vanaf dit jaar een digitale voortzetting op www.rabelais.nl, waar intussen alle nummers van Faicts & Dicts te vinden zijn en nog heel veel meer, zoals — op aanvraag — lemmata van een Rabelais-lexicon “in opbouw”. Wie het beter weet, mag zijn zegje doen.’

■ Signalement in het nummer van Nieuw Letterkundig Magazijn dat op 22 december 2007 verscheen. De auteur? Peter Altena... [omhoog]
 

[15]
‘Bridoye et le jeu de l’oie’

‘On joue beaucoup aux dés chez Rabelais. Gargantua s’y exerce dès l’enfance, Panurge ne saurait vivre sans. Mais à quoi? Au jeu de l’oie? L’épisode de Bridoye y invite mais les historiens sérieux de ce jeu, ceux qui ne le croient ni renouvelé des Grecs, ni égyptien semblent formels. Aucun jeu de l’oie antérieur aux dernières années du seizième siècle n’est conservé. Pourtant, le dominicain italien Barletta (= 1480), dans un sermon pour le quatrième dimanche de l’Avent, parle du jeu de l’oie à cette période de Noël, plus même, il y faut des gros et des petits dés afi n de remédier aux imperfections de la vue dues à la sénescence. Ce texte est, on le sait, paraphrasé par Rabelais: “Sed dicunt quidam. Si vult venire in domum meam in istis festis, paravi plura. Si voluerit ludere at triomphos (tarot) sunt in domo, ad thesseras habeo plura tabulatia, ad aucam habeo taxillos grossos et minutos. Grossos ut si forte male videret, qui a deus senuit”.

Le texte est édité à Brescia en 1497-1498, à Lyon dès 1502, 1507, 1524…

Cette petite pierre à la surface de la mare tranquille des lectures de Rabelais irradie des cercles concentriques d’autant plus hypothétiques qu’ils s’éloignent du centre. Mais les Silènes alcibiadiques masqués d’oisons bridés et de canes bâtées invitent à…
— Reprendre la voie des signes (3 multiplié par 3) qui, de 9 en 9, marque les étapes
de la quête des cornes de Panurge au Tiers livre.
— Reconnaître dans le 4 pris pour un 5 de Bridoye le désir de parvenir en 53, au
grand dépit de Toucheronde (le pion adverse).
— Compter à la façon du Timée les 1+2+3+4= 10 de la tétrade des consultants pour
parvenir à 63 et gagner l’oie.
— Relire sur ce point les commentaires au Timée de Procle et de Chalcidius où
l’on s’interroge sur l’identité du mystérieux quatrième absent que Jamblique
estime “supérieur aux présents et contemplateur des intelligibles”.
— S’aventurer à énumérer les caractéristiques aucines des héros du roman:
— Panurge rôti, mangeant son blé en herbe, honorant Némésis, la déesse oie de la
Fortune dont le lieu est l’oreille dextre (Pline), oyant et merdoyant.
— Badebec; Gargantua, car gantes et gantuas sont oies médiévales (Du Cange).
— Trouillogan, l’oie-truie ou la merde d’oie, selon que l’on choisisse l’une ou
l’autre étymologie d’un obscur « trouille » (Von Wartburg), bien proche du
pourceau volant à pattes d’oie de l’esprit tutélaire de la gigantale race andouillique.
— Og-hapalit, le géant pré-déluvien (cf. Du Cange, s.v. « oga « = oie= oge).’

Samenvatting van de lezing die Claude Gaignebet hield voor het in juli 2006 gehouden congres ‘Hasard et Providence, XIVe – XVIIe siècles’ (zie verder montaigne). Opnieuw komt de bijzondere vorm van rechtspraak in een item op deze pagina aan de orde; zie ook [9] en [12]. [omhoog]
 

[14]
‘hoorn des overvloeds’

‘Ze loeren voortdurend op hun kans: de cellulairen en de hoofdcipiers, de wellustelingen en asceten, de kinderverkrachters, lijkenschenders, lustmoordenaars, de masturbanten en exhibitionisten, de gefrustreerde vagebonden en geboren slaven, de argelozen en achterdochtigen, de hovaardigen en nederigen, de opstandigen en onderdanigen, de levenslustigen en levensmoeden, de overgevoeligen en en de cynici, de dipsomanen en de geheelonthouders, de arroganten en beschetenen, de sadisten en masochisten, de stoutmoedigen en bloothartigen, de zwendelaars en kwakzalvers en ruitentikkers en kuitenprikkers, de gepatenteerde leugenaars en waarheidsapostelen, de gelovigen en agnostici, de op een cent doodvallende Harpagonnen en de geldstukslaanders, de waaghalzen en de labbekakken, de hedonisten en sybarieten en de martelaren die zich pas gelukkig voelen als ze diep ongelukkig zijn, de overspeligen en de kuise Jozeffen, de kuddedieren en de kluizenaars, de dierenvrienden en de mensenbeulen, de ambtenaren en avonturiers, de hoerenlopers en de middernachtzendelingen, de materialisten en idealisten, de terneergeslagenen en opgetogenen, de misogynen en satirs, de ongeduldigen en jobsgeduldigen, de oranjeklanten en revolutionairen, de matriciden en Oedipussen, de kannibalen en de door hen opgegeten wordende vegetarische missionarissen, de zelfingenomenen en de zelfverguizers, de schroomvalligen en de zelfverguizers, de schroomvalligen en de brutale beulen, de esthetici en introspectieven, de exuberanten en introverten, de gatlikkers en reetkruipers, de a-, bi-, homo- en heteroseksuelen en de hermafrodieten, elkaar het licht in de ogen niet gunnend dat ze zelf geen van allen hebben in hun donkere cellen.
■ Apie Prins, Ik ga m’n eige baan (1958), geciteerd in: Martin van Amerongen, Mijn leven zijn leven. Over biografieën, autobiografieën, hagiografieën en anti-biografieën (boekenweekgeschenk 1993). Voorwaar een ‘vray Cornucopie de joyeuseté et raillerie’ (Tiers Livre Proloog). Zie over de copia o.a. Terence Cave, The Cornucopian Text: Problems of Writing in the French Renaissance (1979). [omhoog]
 

[13]
‘Den snaakschen pastoor van Meudon’

‘Den eersten almanak, die in druk verscheen, moeten we zoeken te Weenen. Het was in het jaar 1460 of daaromtrent. Hij was gemaakt “pro pluribus annis”, voor onderscheidene jaren. George van Peurbach of Purbach was de vervaardiger. Daarna, in 1474, kwam Regiomontanus met een almanak voor den dag, die in het Duitsch en in het Latijn werd uitgegeven. In 1491 verscheen er weer een bij den beroemden boekdrukker Engel te Weenen en in 1493 zien we ze in Frankrijk. Eenmaal daar aangeland neemt de almanak al spoedig een guitig tintje aan, dat vooral uitkomt in een van de vele almanakken, die door den snaakschen pastoor van Meudon, Rabelais, gepubliceerd werden. Deze Rabelais was, zoals men weet, een zeer geleerd man, een schrijver van talent, doctor in de geneeskunde, hoogleeraar in de astronomie enz. enz. enz., maar boven alles een snaak. En wanneer hij nu een zeer ernstigen, zeer geleerden almanak heeft geschreven, moet hij zich eens verzetten en schrijft hij onmiddellijk zijn: Pantagrueline prognostication, waarin we b.v. bij het derde hoofdstuk kunnen lezen: “‘Over de ziekten van dit jaar’. In dit jaar zullen de blinden weer weinig zien, de dooven vrij slecht hooren, de stommen ter nauwernood spreken, de rijken zich een weinig beter bevinden dan de armen en de gezonden beter dan de zieken”, enz. enz. enz. ’t Was alsof de vroolijke Rabelais een loopje nam met den geleerden Rabelais en zich eens lustig maakte met de voorspellers der toekomst.’
Leeuwarder Courant 24 december 1898, uit een artikel over almanakken.
J.M. Vermeer-Pardoen vertaalde in 2003 ook de Pantagrueline prognostication. [omhoog]
 

[12]
‘Rabelais en het bemiddelend vonnis’

— 1 —

In het jaar 1550 leefden er in Frankrijk drie mannen die tot op de dag van vandaag beroemd zijn gebleven. Rabelais had toen nog maar drie jaar te leven, Montaigne was vijftien en Ronsard zesentwintig jaar. Montaigne stierf in 1592, Ronsard in 1585. Een zo illuster gezelschap was zelfs in Frankrijk uniek. Als een kostbaar kleinood koester ik de liefdesverzen van Ronsard opgedragen aan Cassandra, niet de legendarische dochter van Priamus, koning van Troje, en zienares van onheil, maar een jonge vrouw van vlees en bloed, getrouwd met een ander maar dat deed er toen niet veel toe. Juist in 1550 wijdde hij vele gedichten aan haar in de bundel die hem beroemd maakte: Odes.

Tandis que vivons ores,
Un baiser donnez-moy,
Donnez-m’en mille encores
Amour n’a point de loy:
A sa divinité
Convient l’infinité.

Liefde kent geen wetten (en wetten kennen geen liefde). De goddelijkheid van liefde past eeuwigheid. Zoals toen en nu gebruikelijk versmaadde Cassandra haar hartstochtelijke, dove minnaar; ze hield alleen van zijn gedichten. Van Duinkerken heeft in 1935 (hij was toen tweeëndertig) een opstel aan Ronsard gewijd in De mensen hebben hun gebreken. Daarin vertelt hij zijn lezers ook dat Ronsard en Rabelais elkaar kenden en dat Ronsard Pantagruel bewonderde. Waarschijnlijk woonde hij de begrafenis van Rabelais in 1553 bij. In elk geval vervaardigde hij zijn grafschrift, waarin hij, weinig delicaat, vooral aandacht vroeg voor zijn ontembare dranklust: ‘Le gallant bouvoit nuit et jour’.
Rabelais nu. Al meer dan een halve eeuw geniet ik van de drie delen die Fr. Ruchon verzorgde: Gargantua (‘Buveurs très illustres...’), Pantagruel en Le Tiers Livre, waarin Panurge de hoofdrol speelt. Toch verklaar ik zonder schroom dat ik vaak moeite heb om zijn taal te doorgronden. Het stelt mij enigszins gerust dat Ruchon zijn voorwoord aanvangt met de vaststelling: ‘Rabelais est certes un auteur difficile’, blijkbaar zelfs voor de Franse lezers. Rabelais speelt zo intens met de taal en die taal staat zover van mij af dat die moeite meer dan eens in het geheel niet beloond werd. Maar welk een verrukkelijke malloot en spotter met al wat toen heilig en verheven was, is hij. Daar is iemand als onze tijdgenoot Herman Brusselmans (Weg met de literatuur!) niets bij.

— 2 —

Bemiddeling, bij ons gemakshalve aangeduid als médiation, is nu aan de orde van de dag. Zij verdient volgens velen de voorkeur boven de zwart-witbeslissing van de rechter. Wie een klein beetje meer gelijk heeft dan zijn tegenstander krijgt in die rechtspraak voor honderd procent gelijk. Dat wil zeggen in de meeste gevallen. Want in het verkeersrecht is het al doodgewoon dat bij een ongeval ieders schuld wordt vastgesteld ter afdoening van de schade. Vergeten wordt bij die lofprijzing van de bemiddeling dat er heel wat zaken zijn waarbij bemiddeling niet te pas komt omdat de zwart-witbeslissing de enige is die deugt. Het zal vooral bij dispuut over de hoogte van een schadevergoeding en over de bestanddelen van de schade zijn, dat bemiddeling de beste uitkomst biedt.
Alfons vordert van Bernard een bedrag van tienduizend euro die hij zegt aan Bernard geleend te hebben toen zij nog boezemvrienden waren. Bernard ontkent ooit enig bedrag van Alfons in leen te hebben ontvangen. Een slechte beslissing in deze zaak zou zijn aan Alfons de helft van het door hem geclaimde bedrag toe te wijzen. Want óf Alfons heeft gelijk óf Bernard. Helaas betekent die vaststelling niet zonder meer dat een zwart-witbeslissing de rechtvaardigheid dient. Er is sprake van de typische onmacht van het recht, die hierin bestaat dat Alfons, die, laten we aannemen, gelijk heeft, want waarom zou een fatsoenlijk mens zonder reden een ander aanspreken op een lening die niet bestaat, zijn gelijk moet bewijzen. En als hij geen papieren heeft zal hij daarin waarschijnlijk niet slagen.
Lang geleden, in 1974, heb ik toch een lans gebroken voor het bemiddelend vonnis [...]. Ik beriep me daarbij op Rabelais en diens Pantagruel.
Rabelais wist heel wat af van het Franse recht uit de zestiende eeuw, maar hij was, voorzichtig gezegd, niet erg onder de indruk van wat de rechters er mee deden. Hij heeft in hun rechtspraak een almaar weerkerend mikpunt voor zijn spot gevonden, en daarvoor gebruikt hij als zegsman Pantagruel. Hier volgt, in het kort, zijn verhaal.
Op aansporing van zijn vader gaat Pantagruel zich op de (rechts)wetenschap toeleggen en dat met groot succes want al spoedig laat hij 9764 (rechts-)wetenschappelijke stellingen ‘aanslaan’, en weet die tegen alle aanvallen, zelfs van de kant van de Sorbonne, triomfantelijk staande te houden. Als de faam van zijn immense geleerdheid zich over heel Frankrijk en vooral over Parijs verspreidt, wordt hij gemengd in de berechting van een proces dat al jaren voor een gerechtshof dient, te weten tussen monsieur Baisecul, eiser, en monsieur Humevesne, gedaagde. De zaak is zo ingewikkeld dat het Hof van Parijs er geen raad mee weet (‘n’y entendait que le haut allemand’). Zesenveertig weken lang zijn de knapste koppen onder de rechters aan het beraadslagen zonder enig resultaat, waarna één van hen op het lumineuze idee komt Pantagruel bij de beslissing van de zaak te betrekken.
Hij krijgt alle procesbescheiden ter inzage, maar zijn eerste eis is dat al die papieren rotzooi (‘fatrasseries de papiers’) verbrand zal worden (wat gebeurt), en de tweede dat partijen zelf zonder hun advocaat haar zaak zullen komen toelichten. ‘En als ik ze gehoord zal hebben, zal ik mijn mening over de zaak geven zonder verzinsels of geheimzinnigheden.’ De bezwaren van de rechters tegen deze persoonlijke verschijning van partijen worden gemakkelijk weggewuifd, en de heren Baisecul en Humevesne steken hun pleidooi in eigen zaak af, nadat Pantagruel hen te verstaan heeft gegeven dat ze er hun hoofd bij in kunnen schieten als ze op een onwaarheid betrapt worden.
Na afloop van deze comparitie vraagt Pantagruel aan de rechters, die de zitting als belangstellenden hebben bijgewoond, wat zij van de zaak vinden, en dezen antwoorden dat ze alles hebben verstaan maar niets begrepen. (Ik moet me bij de rechters aansluiten, want de zin en de samenhang van het bij de pleidooien aangevoerde is ook door mij voor het grootste deel onbegrepen gebleven.) Pantagruel is veel knapper dan de rechters en zegt: ‘Ik vind de zaak niet zo moeilijk als jullie haar gemaakt hebben.’ Toch kost ook hem de uitspraak enige moeite, want hij loopt een paar keer door de rechtszaal rond, verzonken in gepeins hoe hij aan beide partijen zonder aanziens des persoons recht kan doen toekomen. Maar kort daarop gaat hij zitten en spreekt hij zijn vonnis uit. Ook daarvan heb ik, en dat zal wel de snode bedoeling geweest zijn, weinig méér begrepen dan dat zowel de eiser als de gedaagde voor gelijke delen in het gelijk en in het ongelijk werden gesteld met compensatie van de proceskosten.
Als dit vonnis is uitgesproken blijken partijen er allebei tevreden over te zijn: een ongelofelijke zaak (‘ce qui fut chose incroyable’), want na de grote regens van de zondvloed was dat niet meer voorgekomen en het zou binnen tientallen jaren ook niet meer voorkomen dat twee partijen, gewikkeld in een rechtsstrijd, over een rechterlijk oordeel even tevreden waren. De bovenmenselijke wijsheid van Pantagruel bracht eiser én gedaagde in een drie uur durende staat van bezwijming. En ze gingen daarna tevreden naar huis want ze dachten beiden dat ze hun zaak gewonnen hadden.

— 3 —

Alle gekheid op een stokje (zou mijn moeder zeggen), maar één ding is in elk geval niet gek: dat een zaak waarin beide partijen enig gelijk en enig ongelijk hebben (wat een niet zelden voorkomend geval is) alleen maar beider tevredenheid kan opwekken als het niet is een zwart-witoordeel maar een met gemengde kleuren. Anders gezegd: médiation moet waar het past ook rechters-recht worden.

■ Voorpublicatie uit: J.C.M. Leijten, De Glorie van het Recht, dat in februari 2008 zal verschijnen bij Uitgeverij Balans. J. Leijten (zie ook fcqv) is in oktober 2007 lid geworden van de Rabelais-club ‘Fay ce que vouldras’, en heeft met de publicatie van bovenstaand artikel op rabelais.nl meteen aan de enige aan het lidmaatschap gestelde voorwaarde  voldaan. ■ Lees ook hieronder rechtspraak enz. [omhoog]
 

[11]
‘Zekere grenzen...’

Oeuvres de Rabelais. Texte par Louis Moland. Illustrations de Gustave Doré. Paris, 1873.

Niemand kan over Rabelais spreken, of hij behoort van te voren aan te kondigen dat hij weinig of niet citeren zal. De reden waaróm is, met verwijzing naar eene anekdote uit het leven van Sterne, door Sainte-Beuve genoemd: “Wanneer men, zelfs in tegenwoordigheid van heeren, want in die van dames is het volstrekt ondoenlijk, overluid een hoofdstuk uit Rabelais zal voorlezen, dan gevoelt men zich steeds te moede als iemand die op een regenachtigen dag een marktplein moet oversteken, waar des morgens verkooping van schapen en runderen gehouden is. Telkens eene schrede regts of eene schrede links, ten einde dit of dat gedenkteeken eener andere dan menschelijke tegenwoordigheid te ontwijken, en niet al te bemodderd den overkant te bereiken. Eene dame verweet eens aan Sterne, dat in zijn Tristram Shandy zoo vele onvoegzame tooneelen voorkwamen. ‘Mevrouw,’ antwoordde hij zonder dralen, wijzend naar een driejarig knaapje dat in paradijskostuum over het tapijt rolde, ‘ziedaar mijn boek: even naakt, maar ook even onschuldig.’” Bij Rabelais komt men er zoo gemakkelijk niet af. Het knaapje is bij hem een volwassen man geworden, en niet alleen een man, maar een monnik of een reus. Het heet Gargantua, het heet Pantagruel, het heet Panurge, en gaat voort, niets te verbergen. Van een tot de dames gerigt: “Ziedaar, mevrouw!” kan geen spraak zijn; zelfs onder mannen moet, als men zekere grenzen niet overschrijden wil, gekozen worden.’ ■ De nieuwere kritiek is van meening dat sommige anekdoten uit Rabelais' leven, welke overigens in zich zelf geen aanstoot geven kunnen, louter fabelen zijn en uit eene ernstige biografie voortaan behooren geweerd te blijven.

■ C. Busken Huet, ‘Rabelais’ [1872], in zijn Litterarische fantasien en kritieken (26 delen, 1868-1885). Lees verder in de dbnl, alwaar ook verscheidene portretten van de veelschrijver te zien zijn. [omhoog]
 

[10]
 Een markiezin...

Op 21 maart 1912  werd in de rubriek ‘Kunst’ van de Leeuwarder Courant  in een paar regels aandacht besteed aan een op stapel staande Rabelais-uitgave:

‘Binnenkort zal een volledige, definitieve uitgave van de werken van Rabelais verschijnen. Een markiezin heeft 50,000 frcs. gegeven voor allerhande onderzoekingen, die bij deze uitgaaf noodig geweest zijn.’

Die anonieme adellijke dame uit het bericht betrof de Marquise Arconati Visconti née Marie-Louise-Jeanne Peyrat (1840-1923), en zij gaf met haar schenking de aanzet tot de befaamde editie bezorgd door Abel Lefranc e.a. Deze ‘édition critique’ zou helaas nooit voltooid worden; tussen 1913 en 1931 verschenen de eerste vijf rijk geannoteerde delen; in 1955, drie jaar na de dood van Lefranc, kwam nog een zesde deel uit: Quart Livre I-XVII.

Dat de markiezin de Franse letteren en met name Rabelais een warm hart toedroeg blijkt ook uit het feit dat zij eerder al een Rabelais-uitgave mogelijk maakte. V.-L. Bourrilly’s editie van de Lettres écrites d’Italie par François Rabelais (Décembre 1535-Février 1536) (1910) meldt:‘Cette édition a été publiée / aux frais de la donation Peyrat / faite au Collège de France / par Madame la Marquise Arconati Visconti.’ ■ Lefranc betreurt in het voorwoord van deel V (1931) haar verscheiden en steekt nog eens de loftrompet over haar (pp. vii-viii):

‘Si l’édition critique a pu être commencée en 1907, ce fut grâce à l’initiative toute spontanée de la marquise Arconati Visconti, fille d’Alphonse Peyrat. Cette femme généreuse et éclairée, à l’intelligence fine et cultivée, dont le nom restera attaché à tant d’oeuvres utiles et à toute une série de fondations scientifiques et d’enrichissements de nos musées, s’est éteinte, à Paris, en mars 1923. Passionnée de l’étude du seizième siècle, et specialement curieuse de l’histoire de la Renaissance française, elle avait voué aux ouvrages de Rabelais un véritable culte, qu’elle se plaisait à affirmer en toute circonstance. Ce sentiment s’était manifesté dès ses années de jeunesse, comme le prouvent les lettres que lui écrivait Léon Gambetta en 1877 et dont nous avons publié le texte dans la R.E.R. [Revue des Etudes Rabelaisiennes] de 1904. A partir de cette même année, elle suivit assidûment les cours que le signataire de ces pages professait au Collège de France sur la vie et les oeuvres du Chinonais. Ce fut même à l’issue de l’une de ces leçons, consacrée à Pantagruel, qu’elle lui proposa, avec cette conviction enthousiaste et communicative qui rendait son amitié si précieuse, d’organiser le travail.
On sait le reste. Les seizièmistes n’oublieront jamais tout ce que lui doivent les études rabelaisiennes, et la mémoire de la Marquise Arconati sera toujours associée, dans leurs coeurs et dans leur souvenir, à la publication que sa pensée vigilante a permis d’entreprendre et que nous souhaitons ardemment pouvoir mener à bonne fin.

Dat laatste, we zagen het al, is er niet van gekomen. Maar de mooie, oprecht gemeende woorden van deze grote Rabelais-kenner komen de culturele weldoenster zeker toe. [omhoog]
 

[9]
Rechtspraak en ‘kelige wildklemmen’

‘In Pantagruel [X-XIII] van Rabelais hebben de heren Baisecul (“kontlikker”) en Humevesne (“scheetruiker”) een hoog oplopend geschil dat het begrip van het gerechtshof ver te boven gaat. Een gezelschap van hooggeleerden bijt zich stuk op de zaak zonder tot een uitspraak te komen. Ten einde raad roept men de reus Pantagruel te hulp, die zich faam heeft verworven met briljante weerleggingen van wetenschappelijke uitspraken. Eerst laat hij Baisecul zijn eis formuleren, die bestaat uit een adembenemende woordenbrij waar geen touw aan vast te knopen is. Dan verdedigt Humevesne zich al even welbespraakt met hoorndolle wartaal.
Duidelijk wordt waarom de rechters en geleerden vergeefs grip probeerden te krijgen op de zaak, want wat valt er wel niet rechtskundig te annoteren bij een zin als deze: “De hele nacht deden ze niets anders dan met de hand op de pot te voet en te paard oorkonden versturen om de schepen tegen te houden, want de kleermakers wilden met alle geweld van de gescheurde jurken een grote deken maken om er de oceaan mee af te dekken omdat die volgens de hooibrouwers steeg ten gevolge van een flinke pan soep.” Je kunt er met veel spul en moeite een mist verspreidend betoogje van Balkenende in herkennen, om zich de SP van het lijf te houden, maar in feite wordt er natuurlijk helemaal niets gezegd.

Pantagruel heeft dan ook weinig tijd nodig om vonnis te wijzen. Op basis van volkomen krankzinnige overwegingen veroordeelt hij de eiser tot een boete van drie bekers zure melk, “gestremd en bereid naar landelijk gebruik”, en de gedaagde tot “het leveren van hooi en pluis bij de monding van de kelige wildklemmen, die onklaar zijn gemaakt met in mooie rondjes gesneden kurken”. Beide partijen tonen zich zeer tevreden met het vonnis.’

Herman Franke, ‘Bij de monding van kelige wildklemmen’, de Volkskrant 8 december 2006. De citaten uit Pantagruel zijn door Franke zelf vertaald; bij J.M. Vermeer-Pardoen luidt het vonnis als volgt: ‘[...] veroordeelt het hof hem tot drie grote glazen gestremde melk, gekruid, gediredondijnd en gepernageld zoals dat in de streek te doen gebruikelijk is’, en: de gedaagde ‘zal zelf gehouden zijn om hooi en met dril vermengde en goed met de rol gezifte hede te leveren bij de monding van de gutturale valkuilen.’ ■ Rabelais schreef: het hof veroordeelt de eiser tot ‘troys verrassées de caillebotes assimentées prelorelitantées et gaudepisées comme est la coustume du pays’, en de gedaagde  ‘sera tenu de fournir de foin et d’estoupes à l’embouchement des chassetrapes gutturales emburelucocquées de guilverdons bien grabelez à rouelle’. [omhoog]
 

[8]
Panurge als spion: een Franse Broeder Tuck?

Wie schreef Spionnen rond het Vaticaan, Broeder Panurgecontraspionage? Want dat beduimelde pocketje had ik in een antiquariaat opgedoken, en de vraag luidde: was ik een schat op het spoor gekomen? Ja en nee. Jacques-Henri Juillet (1919-1986) tekende, zo bleek later, zelfs voor een rééks met ‘Broeder Panurge’ in de hoofdrol. In de Volkskrant van 11 april 2003 schreef Annemarie Oster erover. Zij had de vertaling van La nuit des loups gemaakt, in 1966 bij Uitgeverij Born uitgekomen: ‘Spionnen rond het Vaticaan heette die – katholiekerige – detective. Hoofdpersonage was een potige kerel in monnikspij: Frère Panurge. Kruiste onrecht zijn pad, dan sloeg hij eerst een kruis en er daarna op los.’

Dat doet eerder aan Broeder Tuck (die van Robin Hood) denken dan aan een kruising van Broeder Jan en Panurge, maar toch lijkt Juillet zijn Rabelais wel gelezen te hebben:

‘Broeder Panurge maakte een protesterend gebaar:
“Ik heb daar alleen maar een paar relaties.”
“Dat weet ik,” onderbrak de bisschop hem... “goede vrienden, ruim van hart en opvattingen, ‘francs de coeur et de gueules’ zoals Rabelais zou zeggen [...]”’

Met de nadruk op lijkt en op zou. En nog een keer:

‘Panurge, die maar al te goed wist, dat je met een lege maag tot niets in staat bent en die goed op de hoogte was van de eetlust van zijn vrienden, had een buffet, Gargantua waardig, laten aanrukken, waar hammen, worsten en koude kippen hoog opgetast stonden en dit alles besproeid met ferme flessen van de beste Lacrima Cristi en een weelde aan Chianti en Frascati. Genoeg om een heel klooster een maand lang in leven te houden!’

Jammer genoeg rechtvaardigt zelfs de connectie met Rabelais een plaats van deze pocket op de plank curieus niet: het is nauwelijks te verteren kost, met een onwaarschijnlijk plot en even ongeloofwaardige hoofdpersonen, en taal en stijl zijn die van een ondeugende puber uit de jaren ’50 van de vorige eeuw. Op het omslag wordt een samenvatting gegeven die daarom na lezing van het boek nogal overtrokken blijkt:

‘Wie is Broeder Panurge? Wie verbergt zich achter de zwierige monnikspij? Een Don Camillo der spionage, op goede voet met Sint Antonius en niet in staat een mens te doden zonder hem eerst de absolutie te geven? ... Het adembenemend, duivels plan van een duistere groep neo-nazisten kan alleen door drastisch optreden gekeerd worden. Broeder Panurge deinst er niet voor terug...’

Er zijn in elk geval vier deeltjes in de reeks verschenen en in het Nederlands vertaald: 1: Frère Panurge fait de l’espionnage, 1962; (Spion te middernacht, 1962); 2: La nuit des loups (Spionnen rond het Vaticaan, 1966); 3: La mort au crépuscule (Spionage in de schemering); 4: Corrida pour une inconnue (Spionage voor een mooie onbekende).■ Aangetroffen in de Franse digitale boekhandel (9/2007) verder nog Poker du diable (Les missions du Père Panurge), 1970); Les missions de Frère Panurge - L’homme De Gibraltar (Continental Pocket, z.pl. 1970); Frere Panurge fait de l’espionnage (Atlantic et Grand Damier, Livre ancien z.pl. z.j. [1962]); L’Etrange mission de Frère Panurge (z.pl. 1962).

De achterplattekst van Spionnen rond het Vaticaan (1966), hier in zijn geheel overgenomen, roept enkele vragen op:

‘De Franse schrijver Jacques-Henri Juillet woont in Bordighera, Italië. In 1940 werd hij — als cavalerie-officier gelegerd in de Maginot-linie — door de Duitsers gevangen genomen. In 1943 vluchtte hij — na vijf mislukte pogingen — uit het kamp Colditz bij Weimar, waar ook de Franse generaal Giraud gevangen zat, naar Frankrijk waar hij deelnam aan het verzet. Zijn eerste boek, “Les nuits perdues” (oplage 100 000 exemplaren) werd, na in het Engels te zijn verschenen, in Frankrijk verboden. Tot nu toe heeft Juillet 200 boeken geschreven waaronder historische romans, studiën, enz. In de afgelopen jaren heeft hij zich gespecialiseerd in de spionage en haar bestrijding. In de daaruit voortvloeiende romans keren steeds dezelfde figuren terug, zoals Broeder Panurge, Jeff Dermont, Jacques Werner, Sturm en anderen.
[...]
De Broeder Panurge-romans zijn internationaal begeerde boeken. Ze worden in vele talen uitgegeven, en in Amerika, Spanje en Italië verfilmd, o.a. voor T.V. Wie is dan toch die Broeder Panurge? Een juist antwoord is moeilijk te geven. Hij is een schilderachtige Rabelais-figuur, een beetje ’n Don Quichot, ’n Cyrano de Bergerac, ’n Don Camillo, en heeft in vele situaties een passend bijbelcitaat bij de hand. Hij is in ongelooflijk korte tijd in vele landen populair geworden.’

Dit roept als gezegd een aantal vragen op, van biblio- en biografische aard. Wanneer verscheen de oorspronkelijke, Franse (?) uitgave van Spionnen rond het Vaticaan? Waarom was Juillets eerste boek in Frankrijk verboden? Waarom kwam het oorspronkelijk in Engeland uit? Of was het eerst in Frankrijk verschenen en werd het na de vertaling — meteen in het Engels geschreven? —  pas verboden?  Geldt dat oplagecijfer de Engelse of de Franse titel? Is een oplage van 100.000 exemplaren wel geloofwaardig voor een boek dat in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw verscheen? En die 200 boeken ‘tot nu toe’, dus tot 1966: waar zijn die gebleven? De WorldCat (9/2007) geeft drie titels buiten de bovengenoemde: Les visiteurs de l’an 2000 (Parijs 1956), Les paladins du ciel, Le septième ciel en... Spionnen in het Vaticaan. ■ Wie was deze Juillet? Heeft de auteur van de Frère Panurge-reeks wel onder deze naam bestaan? Ook geboorte- en sterfdata kunnen immers gefingeerd zijn. Hij komt niet alleen in geen enkel door mij geraadpleegd naslagwerk voor, zelfs internet helpt niet. De Franse wikipedia kent de vermeende veelschrijver niet, en geen enkele zoekmachine brengt uitkomst. Toch móét hij sporen hebben achtergelaten, andere dan die paar van de ‘meer dan 200’ boeken — het is heel wel mogelijk dat ik niet goed genoeg gezocht heb. Of... is die flaptekst ontsproten aan het brein van een gehaaide redacteur? [omhoog]
 

[7]
Fay ce que vouldras: goed of kwaad?
[zie ook de lezende kip]

Jaap Engelsman herinnerde zich het openingslied van ‘Ja Zuster, Nee Zuster’:
‘Laten we allemaal doen wat we willen / zonder te schreeuwen en zonder te gillen. / Doe wat je ’t liefste doet. / Ja zuster, nee zuster. / Dan is het altijd goed. / Ja zuster, nee zuster.’ ■ Of Annie M.G. Schmidt bekend was met Rabelais’ ‘Fay ce que vouldras’ wordt betwijfeld.

‘Doe wat gij wilt’ in een heel andere context valt te lezen in een vliegend blaadje, ‘Alleen Jezus brengt vrede’, dat me op straat in handen werd gedrukt door toch wel blije types:
‘[...] Wat is toch de oorzaak van al deze onvrede? Heel kort samengevat kunnen we stellen dat de mensen niet bereid zijn om elkaar te dienen. Het devies is: “Ik doe, wat ik wil.” Hiermede zijn alle mensen behept. En dat is in wezen nu wat de bijbel “zonde” noemt.’ [omhoog]
 

[6]
Bevroren woorden

‘Er welde een traan bij me op, die over mijn wang rolde en hoorbaar op de grond viel, stijf bevroren. Zjenski bukte zich en raapte hem op. Het spoor ervan prikte in mijn wang, maar de traan zelf lag als een parelend geschenk in Zjenski’s handschoen.
“Het fluisteren van de sterren,” zei hij.
“Het wat?”
“Dit zou een dichter als jij toch moeten waarderen. De Jakoeten noemen dit het fluisteren van de sterren. Luister,” zei hij, terwijl hij me met een opgestoken vinger tot stilte maande. Ik hoorde het getinkel weer en keek om me heen waar het vandaan kwam. Zjenski lachte. “Nee, hier. Kijk.” Hij vormde zijn mond tot een wijde o en ademde langzaam uit. En ik zag zijn asemwolk in bevroren druppels omlaagvallen. Dat was het geluid dat ik had gehoord — onze asem die de grond raakte. “Het is een Jakoetische uitdrukking voor een periode waarin het zo koud is dat je asem bevroren op de grond valt eer hij kan vervluchtigen. De Jakoeten zeggen dat je tijdens het fluisteren van de sterren nooit in de buitenlucht een geheim mag verklappen. Want dan bevriezen je woorden, en als ze in de lente ontdooien, kan eenieder die langsloopt horen wat je hebt gezegd. In de lente vult de lucht zich met oude roddelpraat, genegeerde bevelen, de stemmen van kinderen die ondertussen pubers zijn geworden en flarden van vergeten gesprekken. Ons gesprek, kameraad dichter, zal hier langer blijven dan jij.”’
Jon Fasman, De collectie van de geograaf (2005), pp. 143-144. Als dit gegeven niet meteen bekend voorkomt, lees dan uit het Vierde Boek hoofdstuk LV ‘Hoe Pantagruel op zee verschillende ontdooide woorden hoorde’, en LVI ‘Hoe Pantagruel onder de bevroren woorden ook gepeperde taal aantrof’. Een fragment (in het Frans) is hier te beluisteren én te bekijken. [omhoog]
 

[5]
Archie, de man van staal? Rabelais, de man van metaal!

‘Ja, Rabelais was een zeer groot man. 't Was de reactie, de krachtige en verdiende, de zwaar-ware reactie tegen-in het einde, het dood-dorre einde, het God-misbruikend, mensch-arme einde dier eens zoo prachtige, voor ons mysterieuse, maar zonder ontkennen glorie-rijke Middeleeuwen.

François Rabelais was de eerste moderne mensch. Niet als mensch, op zich-zelf, maar als negatief, over-donderend negatief, tegen dat, wat zoo groot en zoo schoon was geweest, maar, dat, zooals alles wat leeft en zich uitspreekt, tot niets moet vergaan. Neen, geen donderend, een schertsend, een grijnsend, maar door dat alles en mèt dat alles een donderende negatie.

Ja, Rabelais was een zeer groot man, een man van eeuwen, een man van metaal, van glinsterend metaal. Hoe men hem ook omkeert, is hij flink-magnifiek, een man, die staat. Die staat voor God en zich-zelf en de wereld, al voelt hem ook niemand, maar zijn diep sterk streven is een kracht die blijft, door de eeuwen heen blijft. Hij heeft alles van zich afgedaan, wat andere menschen, die zich mannen durven noemen, verkleint en bevlekt. Hij heeft geen kleine en dwingerige willetjes op dingetjes ydellijk, hij is eenvoudig goed en eerlijk, maar smaadlijk verachtend en dóór-ziend-vernietigend, de man, die zich weet.

Rabelais is een kracht, een donderende wereld-kracht, want achter al zijn schertsen, en achter al zijn grappig-zijn o zoo grappig caricaturiseeren, zit een vernietigd gevoel. Een gevoel dat er geen gevoel is in heel die menschheid, een gevoel, dat ze allemaal zijn, wat men noemt idioot, grandioos idioot. Ja de menschheid is groot in haar staêgen vooruitgang maar de individuen zijn idioot, kolossaal idioot.’

■ Willem Kloos ‘Gedachten en Aphorismen I’, De Nieuwe Gids 9(1894), pp. 330-331; ook te vinden in de dbnl. [omhoog]
 

[4]
Doe wat ge met een maartse kater moet doen

‘In hoofdstuk dertien van het boek Gargantua van getuige Rabelais kunnen we lezen met welke voorwerpen Gargantua zijn kont afveegde. Genoemd worden onder andere een fluwelen neuswarmer, salie, venkel, dille, marjolein, een vloerkleed, een tafellaken en een kamerjas. Gargantua beweert dat hij veel genot beleefde door zijn billen af te vegen met de fluwelen neuswarmer van een jongedame.
Hoewel de aanklager de getuigenis van Rabelais gebruikte om de zinloze wreedheid van mijn cliënt nog eens te onderstrepen, geloof ik dat wij iets heel anders van hem en zijn getuigenis kunnen leren. Zelfs een simpele handeling als het vegen van de billen, wat velen als iets noodzakelijks zullen beschouwen, kan en moet eigenlijk een reden zijn het genot te vermeerderen. Sterker nog, het genot moet eerst en vooral in het alledaagse worden gezocht.
Gargantua veegde zijn billen ook af met een maartse kater, hoewel de klauwen van deze kater de huid tussen ballen en de anus openhaalde. Men moet experimenteren, om de lucht van het leven nog dieper in te ademen. Men moet niet al te beducht zijn verwondingen op te lopen of anderen aan te doen, want als Gargantua al te beducht was geweest, had hij nooit geweten hoe het is om met een maartse kater zijn billen af te vegen.
Dit is wat we van Gargantua kunnen leren: zelfs een noodzakelijke, veelal achteloos verrichte handeling als het vegen van de billen kan, mits men maar inventief genoeg is en niet bang is zich te vergijpen aan een kamerjas, een tapijt of een maartse kater, tot schoonheid leiden. En tot genot. Van alle voorwerpen die hij gebruikte is de maartse kater uiteraard het toppunt van schoonheid en genot, omdat dit voorwerp gekruid was met de peperbus van de pech, zonder welke ware schoonheid niet kan bestaan. De klauwen van die kater die de huid tussen anus en ballen openhaalden, dat was de pech.
O zeker, wat Gargantua deed met de maartse kater, heeft mijn cliënt zo nu en dan gedaan met zijn medemens, en zeg niet dat de mens geen klauwen heeft, men moet de billen van mijn cliënt maar eens bekijken. Men moet daar maar eens foto’s van maken, men moet dat maar eens op CNN uitzenden. Alsof ze hem met een schuurmachine hebben bewerkt. Maar mijn werk is verdedigen en lofliederen zingen, niet aanklagen.
Mijn cliënt joeg schoonheid en genot na, want dat is het enige wat men op deze wereld kan doen. Als we eerlijk zijn, moeten we toegeven dat het erom gaat sterker te zijn dan het wc-papier. Dat het waarschijnlijk het doel is van het spel, en dus onze taak, om te doen met de ander wat Gargantua met de maartse kater deed.
U, getuigen, aanklagers, rechters, hebt dat allang met mijn cliënt gedaan. Uw stront zit nog in zijn ogen, zijn oren, zijn navel, tussen zijn tanden en onder zijn voeten. Het zit op zijn kleren, aan zijn armen, in zijn haren en onder zijn nagels.’

■ Gesignaleerd door Peter Altena en geschreven door Arnon Grunberg, De mensheid zij geprezen. De nieuwe Lof der Zotheid (7de dr. 2001, pp. 123-125). [omhoog]
 

[3]
‘eenvoudigweg vermakelijke boeken’

‘Omdat ik de klassieken rijker en spannender vind, houd ik mij nauwelijks met de modernen bezig [...]. Tot de eenvoudigweg vermakelijke boeken uit de moderne tijd reken ik Boccaccio’s Decamerone, Rabelais en de Basia van Janus Secundus (als die in deze categorie thuishoren): zij zijn het waard om aandacht aan te besteden.’
■ Schreef Montaigne, in: ‘Over boeken’(De Essays, II.10. Vertaald door Hans van Pinxteren; 2006, p. 217). Zie ook Montaigne. [omhoog]
 

[2]
‘Le divin auteur du Pantagruel’

‘Le septuagénaire soupirait après le moment où il pourrait vivre à sa guise. S’il avait peu de connaissances en haute typographie, en revanche il passait pour être extrêmement fort dans un art que les ouvriers ont plaisamment nommé la soûlographie, art bien estimé par le divin auteur du Pantagruel [...] Jérôme-Nicolas Séchard, fidèle à la destinée que son nom lui avait faite, était doué d’une soif inextinguible.’
■ Uit de beginpagina’s van Balzacs Illusions perdues (1837-1843). [omhoog]
 

[1]
‘Elken avond een kapitteltje’
Jan Walch over Rabelais

‘Ik heb in Londen wel eens een reclame voor bouillon gezien, waarbij een os in een kopje werd afgebeeld, met het onderschrift: “An ox in a teacup”. Het is te hopen — en trouwens ook wel waarschijnlijk — dat er in die voorstelling eenige overdrijving school.
Die os, met opgevouwen voorpooten uitkijkend boven den rand van ’t kopje, kwam mij in gedachten, toen ik mij tot het vermetele werk zette, Rabelais te vertoonen in twee kolommen courant [De Vaderlander, 1928]. En dan is dit eigenlijk nog erger, want Rabelais heeft belangrijk meer van een stier dan van een os, en is in gelijke mate nòg minder opvouwbaar.
Wie was Rabelais? Een XVIde eeuwer, die per ongeluk Franciscaner monnik is geworden; is weggeloopen; Benedictijner monnik is geworden; weer is weggeloopen. Maar de Paus heeft ’t hem allemaal vergeven en gezegd, dat hij een goed Christen was. Wij hoeven niet papistischer dan de Paus te zijn, en kunnen ’t hem dus ook wel vergeven, al houden we hem niet voor een goed Christen; wel in de practijk, maar niet zoals de Paus ’t bedoelde.
Hij heeft ontzaglijk veel gelezen, ontzaglijk veel gezworven. Hij was medicus; hij was theoloog; maar meer nog humanist. En hij heeft nog ’t een en ander geschreven ook. Voornamelijk vier boeken — en van een vijfde, dat na zijn dood is uitgegeven, waarschijnlijk zoowat de helft — vol ‘pantagruelisme’: 1. La Vie très horrifique du Grand Gargantua, père de Pantagruel’, en 2. (2-5) ‘Pantagruel, Roy des Dipsodes’....
Dertig jaar heeft hij bij tusschenpoozen aan dit werk gearbeid, het voortdurend herziende — het blijkt al uit den titel van ’t eerste boek, dat die aldus is vastgesteld na uitgave van het tweede — en het nu en dan verzachtende, uit vrees voor machtige vijanden, de Sorbonne vooral, die aanstoot konden nemen aan de diverse satiren.
Met die boeken heeft Rabelais de qualificatie van ‘vader der Fransche letterkunde’ verworven. Maar — het is een merkwaardig geval — zijn werk mist de voornaamste eigenaardigheden welke we tegenwoordig als die van den Franschen geest plegen te beschouwen; in de eerste plaats die typisch-Fransche ‘mesure’. En: zijn geestigheid heeft niets van de fijne, intellectualistische Fransche geestigheid. Hij is eigenlijk meer vroolijk, dan geestig; die vroolijkheid was wel zijn eenige eigenschap, die paste in ’t Franciscaansch verband. Hij is de man van den lach. “Mieulx est de ris que de larmes escrire / Pour ce que rire est le propre de l’homme.” (Noot 1: Slotregels van het versje “Aux Lecteurs” vóórin Gargantua.)
De laatste regel is een gevleugeld woord geworden; men vindt hem aangebracht boven het toneel van het Théâtre du Palais Royal; men vindt hem filozofisch beredeneerd in het eerste hoofdstuk van Bergsons boek Le Rire — Om een paar ietwat uiteenloopende plaatsen te noemen.

***

Gargantua was een fabuleuze reus, die al in oude Keltische sprookjes voorkomt; onder den naam Gurgunt. Over hem bestonden allerlei verhalen, en Rabelais, die toen dokter aan het groote ziekenhuis te Lyon was, bezorgde in 1532, te midden van allerlei andere, ook wetenschappelijke werken, op verzoek van een uitgever, een nieuwen druk van een boekje met allerlei kinderachtige verhalen over de faits et gestes van dien reus. (Noot 2: Dat zeg ik hier nu allemaal maar zoo, of er geen vuiltje van twijfel aan de lucht is. Inderdaad is de heele geschiedenis en voorgeschiedenis van Rabelais’ werk het onderwerp van eindelooze twistvragen. Wie ingelicht wil worden over den “stand der quaesties”, zal, geloof ik, het best ingelicht worden door het mooie en prettige boek van Paul Stapfer, hoogleeraar te Bordeaux, Rabelais, sa personne, son génie, son oeuvre (Paris, Colin, 5e druk 1918).) Van dat boekje, dat een geweldig succes had, en dat Rabelais wel voornamelijk mag hebben uitgegeven om zijn zieken te amuzeeren — zooiets was geheel in zijn geest — zijn nog maar twee of drie exemplaren gevonden.
Het geweldige succès heeft Rabelais toen blijkbaar op de gedachte gebracht, dat men in dergelijke verhalen, waarin de schrijver zoo fantastisch te werk kan gaan als hij wil, ten volle zijn vroolijkheid, zijn verbeelding ook, grenzeloos, kon uitvieren, en tevens onder ’t “decksel” van potsierlijke voorstellingen zijn denkbeelden, ook zeer vrije en ver-gaande, ook felle satiren, kon uiten.
Dat heeft hij dan mettertijd gedaan; hij heeft in 1533 een vervolg uitgegeven op dat reuzen-verhaal van het vorig jaar: Les horribles et espouvantables faits et prouesses du tres renommé Pantagruel, roy des Dipsodes, fils du grand geant Gargantua, composez nouvellement par maistre Alcofribas Nasier. Dan vindt hij het, nu eerste deel van zijn serie-in-aanbouw geworden, boek over Gargantua te onbeduidend in verhouding tot het vervolg; herschrijft dat (1535). En werkt door, en verandert aan zijn serie tot zijn dood, dat is waarschijnlijk in 1553. Ik ga hier geen levensverhaal van hem vertellen; maar vermeld merkwaardigheidshalve, dat hij nog op het laatst van zijn leven (1550-’52) pastoor van Meudon is geweest, een ambt, dat hij door een vicaris liet waarnemen. Het was hem trouwens gegeven als een voordeelig gunstbewijs; zooals dat met dergelijke ambten zoo vaak ging, niet als een “betrekking”.
En nu komt het er maar op aan, in een paar honderd regels eenig idee van den geest, en zoo mogelijk ook van den stijl van Rabelais te geven.

***

Laat ik u een tafereeltje uit het eerste boek vertellen. Gargantua, de reus — hier is hij een reus, en een geweldige, maar op andere plaatsen blijkt Rabelais dat vergeten te zijn —  heeft de klokken van de Notre Dame genomen; die moeten dienen om als belletjes om de nek van zijn merrie te hangen. Bon. Maar er ontstaat nu over die zaak een hevige beroering in Parijs. De Sorbonne wijdt een spoedvergadering aan ’t geval; waarin dan na veel betoog en haarklooverij pro- en contra, alles precies in de vormelijke vormen van het scholastiek dispuut, besloten wordt, dat de oudste en bekwaamste van al de doctoren der Faculteit naar Gargantua zal worden afgezonden, de oer-geleerde Janotus de Bragmardo; om den reus uiteen te zetten, hoe verschrikkelijk lastig het verlies van die klokken is.
Gargantua verneemt ’t plan; en belegt ook een raad, om te beslissen, wat men in dezen doen moet. Al zijn raadslieden zijn van idee, dat men den theoloog eerst “théologalement” moet laten drinken. En dat men “afin que ce tousseux n’entrast en vaine gloire pour â sa requeste avoir rendu les cloches, l’on mandast, ce pendant qu’il chopineroit, querir le prevost de la ville, le recteur de la faculté et le vicaire de l’église, esquelz, davant que le théologien eust proposé sa commission, l’on delivreroit les cloches. Après ce, iceux presents, l’on oyroit sa belle harangue”. [Gargantua XVIII.] Ik geloof niet, dat het noodig is, dit te vertalen. [Hier toch maar de vertaling van Hannie Vermeer-Pardoen: ‘[...] en om te voorkomen dat die reutelaar er prat op zou gaan dat de klokken op zijn verzoek waren teruggegeven, werd er, terwijl hij aan het innemen was, iemand op uitgestuurd om de provoost van de stad, de rector van de universiteit en de vicaris-generaal van de kerk te halen, aan wie ze de klokken zouden overdragen, voordat de sofist zijn boodschap had uitgesproken. Daarna zouden ze in hun tegenwoordigheid luisteren naar zijn schone toespraak.’] het is meteen een staaltje van het lekkere, smeuïge Fransch van Rabelais, een Fransch, dat nog niet z’n precieuzen XVIIde-eeuwschen draai heeft. En dan komt [Gargantua XIX] de beroemde rede van Maistre Janotus de Bragmardo, “faicte a Gargantua pour recouvrer les cloches”, die begint: “Ehen, hen, hen! (dat is het gehoestt van den “tousseux”) “Mna dies (= bona dies), monsieur, Mna dies. Et vobis messieurs”.
Een pracht-speech, met véél Latijn en veel bewijzen dat de eerwaarde heer theologelijk gedronken heeft.
En Gargantua en zijn gezelschap zitten er met goddelijke vreugde naar te luisteren, — de klokken zijn al terug gegeven, nietwaar? — En dan:
“Le théologien n’eust si tost achevé que Ponocrates et Eudemon (de leermeester en een page van Gargantua) s’esclafferent (= éclatèrent) de rire tant profondement qu’ils en cuiderent (crurent) rendre l’ame à Dieu, ny plus ny moins que Crassus, voyant un asne couillart qui mangeoit des chardons, et comme Philemon, voyant un asne qui mangeoit des figues qu’on avoit aspresté pour le disner, mourut de force de rire. (Noot 3: In de — kostelijke — vertaling van Claudio Gallitalo (Amsterdam 1682): “even gelijk men leest dat Crasus dee, toen hij een groot gepeesden Eezel zag distelen knauwen, en gelijk Philemon, wanneer hij vernam dat den Eezel de vijgen op-vrat, die hem tot het middagmaal toebereid waaren; dewelke zo lang en louter lagchte, tot hy den geest gaf.”) Ensemble eux commença rire maistre Janotus, à qui mieulx, tant que les larmes leur venoient es yeulx, par la vehemente concution de la substance du cerveau, à laquelle furent exprimées ces humidités lachrymales et transcoullées (= naar buiten gevloeid) jouxte (= langs, bij) les nerfs optiques. En quoy par eux estoit Democrate heraclitizant, et Heraclite democritizant representé.”

[Terzijde. We blijven niet citeren uit de vertaling van Hannie Vermeer-Pardoen. Schaf deze snel aan nu het nog kan; er is een ‘voordeeleditie’ uitgebracht (2004) die slechts 48 euro kost!

Update: in maart 2011 verschijnt een eenmalige goedkope herdruk in één band, die ongeveer 25 euro gaat kosten. Grijp uw kans!]

Dit nu is een tafereel en een beschrijving, die Rabelais’ geest typeeren. Ongetwijfeld is er kostelijke humor in de vondst, éérst de klokken terug te geven, en dan zich het genoegen te gunnen te luisteren naar het betoog, waarin men verzocht wordt dat te doen. Een hóóge humor, want een humor die iets heeft van den goedmoedig over het spitsvondig ijveren der menschen lachenden reus. Maar toch ook: een humor zonder eenig meerderheidsvertoon; een humor die zich voordoet als een grap-zonder-meer. Een grap die opgaat in één reusachtigen lach, waaraan het danig beschonken oude heertje ook op ’t allergeweldigst deelneemt; die door den “theologalen” dronk trouwens te makkelijker naar den lachkant meezwenkt.
Inderdaad scheen me deze episode niet ongeschikt om althans éénig idee te geven van den os; in mijn theekopje. De Rabelaisiaansche lach is erin; en de spot met prachtig geconstrueerde redeneeringen, en dan: de wijn is er ook in; en de wijn is een belangwekkend bestanddeel van deze boeken, die zijn opgedragen aan de “beuveurs (= buveurs) très illustres”. Alleen vindt men hier niet weergegeven de stercoraire massa’s, die ook hier en daar zich in deze werken verheffen....
Er is geen zelfverheffing in zijn humor; Rabelais is een te groot filozoof, een te waarachtig filozoof, en van te gulhartige vroolijkheid, om zichzelf au sérieux te nemen. Ja, het zijn wel érge stommelingen, die dat doen: zichzelf au sérieux nemen; maar de meerderheid der menschen doet toch alsof; ook dat versmaadt Rabelais. In al zijn werk, het wijn-doorgoten en lagere menschelijkheid nooit ofte nimmer vergetend werk van den medicus Rabelais, leeft een diep besef van de ijdelheid van al onze overtuigingen en gewichtigheden; hij is inniger, bescheidener en waarachtiger overtuigd, dat we allemaal dwazen zijn dan Erasmus; zijn boek is een dieper doorvoelde lof der zotheid; der zotheid, die het dwaze, heerlijke, maar met geen peinzen, laat staan met Sorbonnistische syllogismen, te definieeren leven is. Hij bekijkt het leven met “pantagruelisme”, dat is — naar de nieuwe proloog van ’t vierde boek verklaart — een “certaine gayeté d’esprit conficte en mespris des choses fortuites.” Is dat niet een verrukkelijk ruim levensgevoel, dat zich uit in den heerlijk breeden, den waarlijk gigantischen “lach van Rabelais”!
O, er zijn wel enkele dingen, waarover hij terloops, als zijns ondanks, ernstig is, bijv. een misbruik als het koppelen van huwelijken door baatzuchtige priesters, zonder dat de ouders ervan weten. Maar wilt u een meer amusante redekaveling over ’t voor en tegen van den huwelijken staat lezen, sla dan het 9de hoofdstuk van het derde boek op, de conversatie tusschen Pantagruel en Panurge, die hem over zijn voorgenomen huwelijk raadpleegt.
Dat is een van de kostelijkste stukken uit den heelen Rabelais. Maar men kan dit niet zeggen, zonder meteen aan andere heerlijke gedeelten te denken, als die waarin hij de monniken te pakken heeft; of de rechtspraak, de eindelooze processen met eindelooze pleitredenen, waarvan niemand iets begrijpt; die hij zoo kostelijk parodieert in het verhaal van het proces der heeren de Baisecul en de Humevesne, met de geweldige opeenstapeling van nonsens in de betoogen; nonsens, die sommige commentatoren allemaal ijverig hebben pogen uit te leggen; aldus — zij het zeer onbedoeld! — met hun commentaren den tekst met even comische toevoegsels uitbreidend! En bij dit alles zijn — hoewel hij ook persoonlijke vijanden rijkelijk met zijn spot bedenkt en beschenkt — nooit hatelijkheden.
Ik moet het hierbij laten; in de hoop, dat mijn lezers het hierbij niet laten zullen. Rabelais is een auteur om op zijn nachtkastje te leggen, en er voor men inslaapt, elken avond een kapitteltje in te lezen. Het is bijna altijd pittig, en vroolijk; al komen er zeer enkele vervelende gedeelten in voor, en al maakt zijn liefhebberij voor komisch graecizeerende en latinizeerende woordvorming de lectuur wel eens nu en dan wat moeilijk. Daar tegenover staat, dat men telkens weer overstelpt wordt door een stortvloed van de fleurigste en diepzinnigste malheid. Allerlei viezigheden? Jawel, maar nooit perversiteiten, en voorgedragen met een verve, waardoor iedere coupure — er bestaan geweldig gecoupeerde uitgaven — een verminking is. Men moet Rabelais nemen, zooals hij is; en niemand kan dat doen zonder er ruimer en beter door te leeren leven en lachen.’

■ Geschreven voor het Haagse dagblad De Vaderlander (1928), is dit artikel later opgenomen in Walchs bundel Boeken die men niet meer leest (1930). Hoewel het als pdf is in te zien in de krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek, is het uitgeprint alleen met een goede loep te lezen. Daarom hier — uitzonderingsgewijs — het hele artikel. ■ De lach van Rabelais wordt er gul in uitgemeten, en Gargantua & Pantagruel, een boek dat in 1930 ‘niet meer gelezen’ werd, verscheen ironisch genoeg nog geen jaar later voor de tweede maal in de geschiedenis in het Nederlands, nu in de vertaling van Sandfort... ■ Beheersten Walchs lezers het ‘lekkere, smeuïge Fransch’ voldoende in 1928? Geen idee. Maar anno 2007 zal dat zeker niet meer het geval zijn. Hier zij dus nogmaals graag verwezen naar de vertaling van Hannie Vermeer-Pardoen.  Voor een recentere ‘stand der quaesties’ is er Gérard Milhe Poutingon, François Rabelais. Bilan critique (1996). [Informatie over Jan Walch]


[omhoog, terug naar faicts & dicts, naar entree of naar de sitemap]