[entree rabelais] [chronologie] [faicts & dicts] [leven & werk] [multimedia] [bric-à-brac] [de lezende kip] [sitemap]

Faicts & Dicts. Berichten van de Rabelais-club ‘Fay ce que vouldras’


 ‘een van de vrolijkste en geleerdste tijdschriften in ons land’ [in geschrifte nr. 16]

© Monique Bullinga | info: m [at] rabelais [punt] nl

Inhoud Faicts & Dicts [1]
Alle nummers [2]
Nummer 41 [3]
Faicts & Dicts digitaal [4]
Janus, Adieu

Faicts & Dicts bestaat even lang als de club: sinds juni 1995 (zie ook ‘fay ce que vouldras’). Samen met Jaap Engelsman en Ed Schilders vormde ik (Monique Bullinga) de redactie. Vanaf nummer 10 / oktober 1997 heeft het blad een ISSN: 1387-2729, en het is in te zien in de KB in Den Haag.

Alle tot nu toe verschenen nummers zijn met een muisklik op te roepen (en te lezen met Acrobat Reader, hier gratis te downloaden). Enkele artikelen konden niet opgenomen worden, omdat het copyright ervan niet gedeeld wordt; dit is aangegeven met [***]. Omdat de oorspronkelijke opmaak bij het omzetten naar pdf niet gehandhaafd kon worden, is het tijdschriftkarakter jammer genoeg verloren gegaan. De tekst is hier en daar stilzwijgend van (ontdekte) tikfouten ontdaan. Bronvermeldingen, noten en/of verantwoording van de illustraties zijn te vinden aan het eind van het betreffende artikel.

Nota Bene Het copyright berust bij de auteurs en Faicts & Dicts. Gelieve bij overname als volgt te citeren: auteur, titel, nummer. Voorbeeld: Jaap Engelsman, ‘Jean Astruc en de “robe van Rabelais”’,  in: Faicts & Dicts. Berichten van de Rabelais-club ‘Fay ce que vouldras’ 5 / mei 1996.
 

[1]
Over nummer 1 — een soort intentieverklaring — beschikken alleen de redacteuren, de lijst opent dus met nummer 2. Klik voor een overzicht van de inhoud van alle jaargangen op inhoud f&d.
 

[2]
Alle nummers van Faicts & Dicts zijn te vinden in de leeszaal. Lees ook het adieu van onze vaste columnist Janus, geschreven voor nr. 40.
 

[3]
Heel bijzonder mag de op zaterdag 25 augustus 2007 verschenen, allerlaatste uitgave van ons clubblad genoemd worden. Nummer 41 bestaat uit één artikel, geschreven door André Hanou. Hij ontdekte een zeldzame prent van Romeyn de Hooghe (1645-1708) — in het bezit van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) te Amsterdam — en voorzag die van commentaar. Inmiddels (maart 2008) zijn prent en artikel ook te vinden in de reeks bijzondere werken belicht van het IISG, met dank aan  Frans van der Kolff (Afdeling Verzamelingen).


Op 9 december 2008 werd in het Allard Pierson Museum te Amsterdam een tentoonstelling geopend die geheel gewijd is aan de maker van Pantagruel Agonisant en duizenden andere prenten. Uitgeverij Waanders tekende voor de schitterend vormgegeven tentoonstellingscatalogus Romeyn de Hooghe. De verbeelding van de late Gouden Eeuw, waarin een schat aan kennis bijeen is gebracht omtrent deze pictor doctus. Vele afbeeldingen maken het boekwerk nog aantrekkelijker. Surf naar recensies voor een bespreking door Piet Offermans.
 

[4]
Op rabelais.nl worden verwijzingen naar Rabelais of zijn werk in meer recente teksten en afbeeldingen bijeengezet op in geschrifte, opvolger van de rubriek ‘Nuttig & Curieus’ in Faicts & Dicts. Op place hanou zijn de rabelaisiana bijeengebracht die de naamgever ervan in de archieven nog is tegengekomen.
 

Op de fles
door Janus

Toen in de zomer van 1995 bij Monique, Jaap en Ed het plan groeide om een clubje rond Rabelais te formeren, werden drie uitgangspunten geformuleerd: klein, hapsnap en pretentieloos. Klein was geen probleem: het afhakken van één hand vormt geen handicap om in Nederland het aantal Rabelais-lezers op je vingers na te tellen. Hapsnap werd in het colofon van Faicts & Dicts aldus verwoord: ‘verschijnt onregelmatig, naar gelang de lusten der leden.’ Nou, dan moet je Monique kennen! Van juni 1995 tot december 2006 verschenen 40 nummers, eerst 4, later 3 per jaar, dwangmatig precies voor het eind van de betreffende maand. Pretentieloos is het clubblad qua uiterlijk zeker. Toen in de jaren ’60 van de vorige eeuw Marx over Europa heerste, werd zijn gedachtegoed per stencil onder de massa’s verspreid. Faicts & Dicts is elitair maar dat zou je aan de buitenkant niet zeggen. Het omslag is zo dik als een kopieerapparaat aankan en een beetje illustratie moe(s)t met de hand worden ingeplakt. En hoe zit het inhoudelijk, zoals wij dat vroeger noemden? Daarover straks meer.

En nu is het clubblad van het genootschap ‘Fay ce que vouldras’ bijna ter ziele en moet er dus gememoreerd worden. Want een columnist die deze clichésituatie niet aangrijpt moet alsnog worden ontslagen, ook al bestaat het blad niet meer. Dat laatste is trouwens niet waar. De papieren editie stopt weliswaar — ik moet het nog zien — maar Rabelais gaat ook in Nederland het wereldwijde net op (www.rabelais.nl) en dan is het — mark my words — met uitgangspunt één snel gedaan. Maar goed, de verspreidingsvorm die ontstond in de geboorte-eeuw van Rabelais is er voor Faicts & Dicts straks niet meer en dus memoreren wij.

Columnisten mogen tegenwoordig (soms) alles. Ze denken dat dat komt omdat zij de laatste verdedigingslinie zijn in de strijd voor het vrije woord en de vrije gedachte. Als er een sneuvelt staat het land op zijn kop. En terecht. Maar hun straffeloosheid komt heel ergens anders vandaan. Ze zijn de zotten van onze samenleving; hun vrijheid is identiek aan die van de narren aan middeleeuwse vorstenhoven. En nu ben ik waar ik wezen wil. Deze laatste zin had ik nodig als excuus voor de volgende grafrede op de papieren Faicts & Dicts in de gedaante ener allegorie.

Leen de laarzen van Pantagruel en been met een rotvaart door zijn avonturen. Onze held is groot gegroeid en gezegend (?) met een vriendenkring. Onder hen de intrigant en beroepstwijfelaar Panurge. Als deze weer eens een existentieel vraagstuk in de kring gooit — trouwen of niet? — besluit het gezelschap menig deskundige te gaan raadplegen, maar dat levert niets op. Van het een komt het ander en zo beginnen onze vrienden aan een odyssee langs talloze (ei)landen, ‘heldhaftige daden’ verrichtend en even heldhaftige avonturen belevend. Maar aan elke tocht komt een keer een einde en gelukkig voor onze helden valt dit samen met het bereiken van het reisdoel: het orakel van de Fles. In Lampland krijgen ze van de koningin een Lampepit mee om hun de weg te wijzen naar het eiland van de Fles. Daar aangekomen concludeert Panurge: ‘Vandaag hebben we gevonden wat we met zoveel vermoeiende en inspannende weder-waardigheden hebben gezocht.’

Begeleid door de Lampepit daalt het gezelschap af in de onderaardse, wonderschone tempel. Hier worden ze welkom geheten door Bakbuk, de hogepriesteres van de Fles. Zij laat hen drinken van het water van de onbeschrijflijk fraaie tempelfontein en bewerkt hun tongen met vrolijke hammen, gerookte ossetongen, lekker pekelvlees en viskuit zodanig, dat ze de edelste wijnen van Frankrijk proeven. In deze extase vindt de climax plaats: Panurge wordt door de hogepriesteres Bakbuk naar een kapel geleid, waar in een fontein half onder water de heilige fles staat. Gesouffleerd door Bakbuk zingt Panurge zijn rituele vraag: wat is het antwoord op mijn levensvraag, wat is waarheid, wat is wijsheid? Borrelend en boerend geeft de Fles het antwoord: ‘Trinch’. Panurge kan daar niks mee en dus geeft Bakbuk hem de uitleg uit een zilveren boek in de vorm van een fles. ‘Proef dit hoofdstuk, drink deze schone glosse op [...] trinch is een orakelwoord dat in alle talen wordt gebezigd en dat ons zegt: “Drink”.’

En verdorie, zoals met Pinksteren de Heilige Geest op de apostelen neerdaalde en zij onder invloed alle talen spraken (‘ze zijn dronken van jonge wijn’), zo begint het gezelschap van Pantagruel door het orakel van de Fles door elkaar te rijmen dat het een lieve lust is. Dan gaan de vrienden heen, vergezeld van de beste wensen en drie wijnzakken van de hogepriesteres en dat is het ‘Einde van het Vijfde Boek van de heldhaftige daden en verhalen van de edele Pantagruel’.

Nu de allegorie. In 1995 werd een gezelschap gesticht, neem me niet kwalijk, wat een vreemd gezelschap was dat. De founding father was een mother. Het drietal dat de inner circle vormde was van een wezensvreemde, haast onstoffelijke aard. Bijeenkomsten waren grotendeels virtueel; in elfeneenhalf jaar zijn ze één keer lijfelijk tezamen geweest en toen is er alleen maar gelachen. Maar bijeen bleven ze, en verwonderd zagen ze toe dat de reis van hun gezelschap maar niet ophield en ten slotte bijna twaalf jaren duurde.

Als je een elitegroepje bent, moet je niet verwachten dat je uitgroeit tot een massabeweging. Er zijn nooit meer dan twee tientallen leden geweest, en daarvan moesten er ook nog eens drie door de dood weggerukt worden. Nieuwe leden werden geïntroduceerd en aan boord genomen. Sommigen hielden het schip jarenlang mee drijvend; er waren er ook die waarschijnlijk zelf niet meer wisten dat ze nog aan boord waren. Zeker is dat allen zich stipt hielden aan het devies: ‘Fay ce que vouldras’.

Het schip heet Faicts & Dicts. Over de buitenkant is hierboven genoegzaam gekat. Over de schepelingen laat ik me niet uit; ik krijg er liever geen ruzie mee. Bovendien is er veel positiefs over te melden: intelligent, een enkeling zelfs intellectueel; creatief, een enkeling zelfs exuberant; wetenschappelijk, een enkeling zelfs geleerd. Oké, dan neem je maar voor lief dat dit schip soms net een Vliegende Hollander leek: in een orkaan alle zeilen bijgezet maar geen mens aan boord. De lading? Dus de ‘Daden en Verhalen’ van en over Rabelais, neergelegd in ‘Berichten van de Rabelais-club “Fay ce que vouldras”’, zoals de ondertitel van ons blad luidt. Waren ze interessant, grappig, waardevol? Wat zou u gemist hebben als het niet was opgeschreven? Hebt u überhaupt ooit iets gemist waar u geen weet van had? Rare vragen, nooit meer stellen. Ik weet het beter gemaakt. Elk schip voert een ladinglijst mee. Die zegt niets over de kwaliteit van de vracht, maar je weet wel wat er vervoerd is. Die lijst komt er, op rabelais.nl.

En heden is het schip dus de laatste haven binnengelopen. Ik ben benieuwd wat de Fles als eindconclusie geeft. Dus doe ik net of ik een licht ben en stap in Lampland als Lampepit aan boord. Ik bespeur toch een zekere spanning in het gezelschap. Wie zal de vraag stellen? Pantagruel (Jaap? Ed?) of Panurge (Ed? Jaap?)? Weet Bakbuk (Monique?) het antwoord misschien? Nee, maar die souffleert Panurge (E? J?) de vraag. De overige vrienden, van A(ndré) tot T(héo) kijken lichtelijk geamuseerd toe (de laatste vanuit de wijnhemel). Ik zie en hoor alles en ook wat de Fles al borrelend en boerend zegt, maar ik begrijp er niets van. Het gezelschap begint enthousiast juichend te dichten en zich tevreden op de dijen te slaan. Die snappen het. Ik wil weg, wat zoek ik hier?

Voor we wegvaren krijg ik een glaasje water van Bakbuk, die bij de Fles blijft natuurlijk. En nou snap ik het ook. Het water is in wijn veranderd. Is dat niet prachtig? Is dat niet zinvol? Eind goed, al goed. Faicts & Dicts is op de fles. Prima toch?
 

[omhoog, naar entree of naar de sitemap]


tiengeboden, geschilderd door piet offermans


— Citaat —

Kennismaking met een redactielid-verzamelaarster leidde uiteraard kortstondig tot enige elektronische conversatie over vermeende voor- en nadelen van Amsterdam en Ooij als zetels van intellectueel leven. De conclusie van de doyenne van het R-gezelschap [...] blijve hier onweersproken.’ André Hanou in: Faicts & Dicts. Berichten van de Rabelais-club ‘Fay ce que vouldras’ 24 / augustus 2001