[entree rabelais] [chronologie] [faicts & dicts] [leven & werk] [multimedia] [bric-à-brac] [de lezende kip] [sitemap]

amsterdamse gevelsteen uit 1992; zie onder aan de pagina

 

De lezende kip scharrelt bij elkaar wat ze tegenkomt over ‘het boek’ en ‘lezen’. Zowel uit echte boeken als uit koffielectuur. Korte citaten, wat langere fragmenten, hilarische uitspraken, een veelzeggende afbeelding: als het maar over boeken (-nieuws) gaat. Ongecensureerd, (meestal) zonder annotatie ook: ze moeten voor zichzelf spreken. Soms is het aan te bevelen de bron zelf in te zien, de citaten zijn immers altijd uit hun context gelicht. Het resultaat van dit gescharrel wordt op deze pagina steeds aangevuld; op oud legsel staat ouder materiaal. De pagina Liseuses is verwijderd, maar zweeft nog wel ergens rond.

© Monique Bullinga | m [at] rabelais [punt] nl

Doorsurfen kan naar:

Lezen of niet
Besprekingen en signalementen
Boekplaatjes
Grafboeken
& naar
Adagia, Montaigne en Voltaire

Enne, wat doe je met een gelezen boek? Weggooien natuurlijk.


 

      ‘’s Ochtends kwam ik, mezelf afdrogend, uit het washok de kamer binnen. Naakt stond hij met een boek in zijn handen.
      “Wat is dat?!”
      Het was Histologie und mikroskopische Anatomie des Menschen, een letterlijk loodzwaar boek, gebonden in nachtzwart leder.
      “Ben jij soms een intellectueel, of zoiets?!” vroeg mijn nieuwe vriend rekenschap, met de dikste “l” die ik ooit had gehoord en op een toon alsof hij vroeg: “Ben jij soms een hoer?!”
      “Nee hoor!” stelde ik hem gerust.
      Maar er viel niets meer aan te doen. Hij wierp een blik op mijn boekenkast en sprak: “Jééézus Christus!!”
      Hij schoot in zijn kleren en rende de trap af.
      Op straat riep hij naar boven.
      “Zeg! Nog bedankt voor de lekkere nacht!”’

■ Lisette Lewin, Een hart van prikkeldraad (1992; 1994), pp. 456-457.

♦♦♦

‘[...] I should have caused great astonishment, I suppose, had I replied that in the domain of reading — if in no other — it is regarded as a changeless rule that one time is no time at all, that a man who restricts himself to one reading of a good book knows little about it. The books I value I have frequently read more than ten times; indeed, in some cases I could not possibly say how many times. One does not really know a book until one knows it almost by heart.
      It is a good thing, too, if one has the means, to own one’s books. There are people who do not own any books, although they have the means. I was once invited, abroad, to the house of a certain Maecenas, — a man whose art collections are worth considerably more than a million,— and when I had viewed his pictures, I said: “Now I should like to see the books. Where are they?” He replied, somewhat testily: “I do not collect books.”  He had none.
      There are people who are content, as to books, with the provision afforded them by circulating libraries,— a sorry method at the best. It is a sure sign of failing culture and poor taste when at every watering-place in a great country expensively dressed women are invariably seen each with a greasy novel from a circulating library in her hand. These ladies, who would be ashamed to borrow a dress, or wear secondhand clothes, do not hesitate to economize in book-buying. As a result, they read one novel after another, and the last supplants all knowledge of those that have gone before.’

■ George Brandes, On reading. An essay (1906; op archive.org), pp. 8-9.

♦♦♦

‘Meanwhile the town managed for a time without a pastor — visiting preachers must have filled the gap — until, in January 1561, a new vicar was installed. Master John Bretchgirdle, who came from Witton, Northwich, was an M.A. of Christ Church, Oxford, and held impeccable Church of England principles. He was unmarried — a sister, perhaps two sisters, kept house for him — and bookish; his library (valued at about half his estate) included Tyndale’s New Testament in English, Aesop, Sallust, Vergil, Horace, two works of Erasmus, a Latin-English dictionary, and The Acts of the Apostles, translated into English metre […]’
■ S. Schoenbaum, William Shakespeare. A compact documentary life (1987), p. 23.

♦♦♦

antal szerb petofi literary museum budapest
‘But what is champagne beside a really old tome? In one hand I held an original Caxton, in the other two Wynkyn de Wordes — not to mention the Continental incunabula, and two Aldines enthroned on a separate shelf. What a wonderful thing is a book! It simply sits there on the shelf, looking like nothing in any way special, and saying not a word. You open it, and you still know nothing about it, because incunabula have no title-pages. Then you glance at the back, at the colophon, and discover that you are holding a Caxton in your hands — an archduke, a Pope. Is there any human being who can carry self-effacement to that level of perfection?

      ‘“Were you ever in France, Doctor?”
      “Of course, many times.”
      “Do you speak French as well as you speak English?”
      “About the same.”
      It was already getting dark, but I could see that Cynthia was looking at me with growing interest.
      “Doctor, you're like the Encyclopaedia Britannica. You know everything.”
      “I do know rather a lot,” I replied nervously.
      “I believe you even speak Sanskrit.”
      “Fluently,” I replied. But she believed that too.
      “And you must surely know the Russian novelists. Tell me something about Dostoevsky or Béla Bartók. I've a friend who never stops talking about them.”
      “I never met Bartók,” I said, untruthfully, shocked at her ignorance. “But I knew old Dostoevsky really well. He and my father were at primary school together, and he often came for supper. He had a beard like Pierce Gwyn Mawr's.”
      “How lucky you are, to have known such famous people as a child. I'm sure you could even tell me why Aix-la-Chapelle is called Aachen in German.”’

■ Uit: Antal Szerb, The Pendragon Legend (1934; vertaald uit het Hongaars door Len Rix, 2006), resp. pp. 77-78 en 108-109. [omhoog]

♦♦♦

‘Terug in de woonkamer licht Ten Bos me zijn leesgedrag toe: “Boeken moet je niet lezen maar gebruiken. Gelukkig hebben veel academische boeken een register waarmee je iets kunt opzoeken. Zo kun je toegang krijgen tot precies dat stukje tekst dat je nodig hebt. Bijvoorbeeld als je wilt weten hoe het ook alweer met een bepaald concept zat. Een boek is een gebruiksvoorwerp. Er is wel een uitzondering: er zijn toch wel veel filosofische boeken die ik helemaal lees.” Hij pakt van tafel een boek en opent het voor me. Het staat vol aantekeningen en strepen. “In mijn boekenkast blijven alleen de meest beduimelde boeken staan. Wat niet is aangetast, verdwijnt.”’
■ Uit een interview (2010) van Joep Schrijvers met ‘provocatief filosoof’ René ten Bos.

♦♦♦

seneca wijsheid cover leo de bruin

 

 


‘Vermijd het om doelloos door je bibliotheek te zwerven en lukraak een veelheid aan auteurs en alle mogelijke auteurs uit de kast te halen. Beperk je tot de erkende grootheden en laat je door hen opvoeden, tenminste als je iets leren wilt dat je leven lang beklijft. [...] Een enorme bibliotheek leidt je aandacht af. Kortom, omdat je toch niet je hele bibliotheek kunt lezen, moet je genoegen nemen met een goed begrip van de boeken die je gelezen hebt.’

■ Seneca, De weg naar wijsheid. Raadgevingen uit de Epistulae Morales. Selectie, vertaling, inleiding en annotatie: Mathieu de Bakker (1998), pp. 55-56.
Het prachtige omslag, voor de Sapientia-reeks, is van Leo de Bruin †.
Raadpleeg overigens het origineel of een Engelse vertaling voor een iets andere lezing.

♦♦♦

Een boek niet voor de eeuwigheid bewaren? Dan scheur je de bladzijden er na lezing uit, zoals we verderop op deze pagina zagen. Maar ook daarna kan het papier nog zo zijn nut hebben: zie de aanvulling aldaar.


celenza machiavelli 2015 fragment cover2

 

 

 

 

 

‘After I leave the woods, I go to a spring, and thereafter to a place where I hang my bird nets. I have a book with me − Dante, or Petrarch, or a minor poet, like Tibullus, Ovid, or other ones of that sort. I read about their romantic passions, their love affairs, and I remember my own, taking pleasure for a while in those thoughts.’

■ Uit ‘one of the Italian Renaissance’s most beautiful [...] letters’, aldus Christopher S. Celenza in zijn Machiavelli. A Portrait (2015, p. 57). Het gaat om de brief die Machiavelli op 13 december 1513 schreef aan zijn vriend Francesco Vettori, in vele (ook digitale) uitgaven te lezen.

♦♦♦

‘We kletsten als oude tantes, over het vak, weet je wel. De componisten die ertoe deden, de dramaturgen, de solisten, bla, bla. Ook over boeken, de beek waaruit wij dromers drinken. En aangezien ik zo’n ontzettende eikel kan worden wanneer het onderwerp van boeken de tafel raakt, me op de voorgrond wurmend en tonend dat ik op geen pagina of honderdduizend kijk, ben ik daar mijn gebruikelijke, en belachelijke litanie beginnen afsteken over de titels die ik elkeen wil opdringen. Een onnozele apostel van de letteren, op het schaamtelijke af, ik kan het niet helpen.’
■ Dimitri Verhulst, De zomer hou je ook niet tegen (2015), p. 32. [omhoog]

♦♦♦

‘Giampaolo daarentegen, nam zijn encyclopedie mee naar buiten wanneer hij erwten wilde planten. Hij kocht de delen een voor een tegen een aanzienlijke prijs. [...] Hij legde het desbetreffende deel op een droog stukje grond en zorgde ervoor dat hij er niet met vuile handen aankwam. Als ik toevallig in de buurt was, kon ik de bladzijden voor hem omslaan en voorlezen. Wat was de ruimte tussen de zaadjes? Vijf centimeter. Hoe diep moest het putje zijn? Drie centimeter. Voorbereiding van de bodem... Hij was opgegroeid in Venetië als jongste van vijf kinderen en wist niets van de aarde, maar omdat hij een moderne man was, geloofde hij dat alle informatie uit boeken kon komen. We plantten de erwten samen. We deden alles wat er in het boek stond. De meeste planten kwamen niet op.’
■ Tim Parks, Italiaanse buren (1998; 2010), p. 83.

♦♦♦

‘There is nothing more mysterious and wonderful than the way in which some bit of language — a clever quip, a pithy observation, a vivid figure of speech found in a book or heard in a conversation — remains fresh in our memory when so many other things we were at one time interested in are forgotten. These days, I look in disbelief at many of the books on my shelves, from thick novels and memoirs to works of great philosophers, wondering whether it’s really possible that I devoted weeks or even months reading them. I know that I did, but only because opening them, I find passages and phrases I’ve underlined, which upon rereading I recall better than the plots, characters, and ideas I encountered in these books; sometimes it looks to me that what has made the lasting impression on my literary taste buds, to use culinary terms, are crumbs strewn on the table rather than the whole meal.’
■ Charles Simic, ‘What’s left of my books’, nybooks 22 februari 2014 [gelezen 2 maart 2015]

♦♦♦

‘Ida’s beschrijving is een vroeg bewijs van het respect dat De Ridder voor andersdenkenden opbracht. Zelf was hij ongelovig en wars van elk dogma, en de kinderen werden door Fine en hem zonder kerkelijke verplichtingen opgevoed. Maar met deze toekomstige schoonzoon zou een kerkelijk huwelijk onontkoombaar zijn en eendrachtig zette hij zich met Adele aan de bijbelstudie. De Bijbel, die hij op literaire gronden waardeerde, was een van de weinige boeken die hij in huis had, naast Le Petit Larousse, de Van Dale en een beduimelde editie van de werken van Shakespeare. Boekenbezit interesseerde hem niet. Een eenmaal gelezen boek gaf hij weg.’
■ Vic van de Reijt, Elsschot. Leven en werken van Alfons De Ridder (2011), p. 198-199.

♦♦♦

‘[...] Toch was Pol een gevaar voor de gemeente. Niet zozeer om dat slaan op Sideria, want dat was méér voorgekomen, dan wel omdat hij te Groenendal de enige man was die boeken las. Dat boekenlezen was hem bijgebleven van zijn vader, een Hollander, die God noch gebod had gekend. Hij las alles door elkaar: geschiedenis, liefde en doodslag, sterrenkunde, reizen en ontdekkingen, en uit zijn boeken waren hem jaartallen en cijfers bij honderden bijgebleven. Hij twijfelde waarachtig aan het bestaan van God en werd in zijn twijfel gesterkt door zijn zwager, die in de stad woonde.’
■ Willem Elsschot, De verlossing (1921; 1977), p. 189. [omhoog]

♦♦♦

carroll alice ms copyright british library

 

Wat heb je aan een boek als er geen plaatjes en praatjes in staan? Van de British Library:

‘Alice’s Adventures Under Ground’
British Library Add. MS 46700
Copyright © The British Library Board

It was presented to the then British Museum Library in 1948 by a group of Americans,
led by the Librarian of Congress,
in recognition of the part played by Britain in the second world war,
and it has been on display ever since.

 ♦♦♦

‘Jaren later, in juli 1942, beschrijft mijn vader in zijn dagboek het volgende voorval: “Tegen elf uur ’s avonds — ik lag in bed en las Balzac — werd ik door een veiligheidsman uit bed geklopt. Het huis was niet voldoende verduisterd. Ik liet hem de te verwachten bekeuring aan mijn bureau uitschrijven. Hij stond versteld van mijn bibliotheek en praatte eerst honderduit over de vermoedelijke waarde ervan. Toen kwam de vraag of ik alles al gelezen had en hoe je dat allemaal kon onthouden. Nadat ik hem een paar bijzonder mooie boeken had laten zien, bemerkte ik bij hem duidelijk een gevoel van afgunst, respect en onbehagen. De geest begon hem angst in te boezemen. Dat gebeurt altijd wanneer eenvoudige mensen proberen zich boven de materie te verheffen. Daarna komen dan vaak de giftige pijlen.”’

■ Amelie Fried, Schoenenpaleis Pallas. Hoe mijn familie zich tegen de nazi’s verzette (2008). Vertaling Nelleke van Maaren (2009), p. 46.

♦♦♦

agricola 16de eeuw coopmanshûs franeker

‘Bij de lectuur moeten we er ons vooral op toeleggen om datgene wat we lezen zo goed mogelijk te begrijpen. Daarnaast moeten we niet alleen een grondig inzicht krijgen in het onderwerp dat aan de orde is, maar tevens in de kwaliteit, de kenmerken, de structuur en de stijl van de taal der goede auteurs. [...] Toch houdt dit weer niet in dat wij, telkens wanneer we een passage tegenkomen die onduidelijk is of die iets bevat wat we niet kennen, moeten menen direct te moeten stoppen en niet verder te gaan, of dat wij, zoals sommigen doen, het boek neer moeten leggen, de studie afzweren en ons beklagen over ons zwakke verstand. Want om voortgang te boeken is doorzettings-vermogen vereist, geen verontwaardiging. Stuit men dus op iets dat het verstand niet kan doorgronden, dan moet men het overslaan en voor later bewaren, totdat men iemand tegenkomt of een boek in handen krijgt die ons de ogen openen, of totdat verdere lectuur de oplossing brengt. [...] Ik wil niet de indruk wekken hierdoor een lans te breken voor luiheid. Integendeel, het komt me juist voor dat ijver het krachtigst kan worden gestimuleerd door aan te tonen dat het lezen zelf een oplossing biedt voor zijn eigen problemen en dat alle moeilijkheden die met het lezen samenhangen door de lectuur zelf overwonnen kunnen worden.’

■ Rudolf Agricola, Over dialectica en humanisme. Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Marc van der Poel (1991), pp. 140-141. Het portret, eveneens uit deze uitgave, dateert vermoedelijk uit de tweede helft van de zestiende eeuw, en bevindt zich in Museum ’t Coopmanshûs te Franeker. [omhoog]

♦♦♦

‘Nu al hier?’ vroeg de blinde met een lachje dat voor de president was bedoeld, maar hem net miste. ‘Ben je al klaar?’
‘Ja, ik ben klaar. Wat lees je?
‘Virgilius.’
‘Is dat de Prix Goncourt van dit jaar?’
‘Ik lees alleen oude boeken. Elk modern boek is niets dan een allegaartje van data, ideeën, feiten en namen die uit andere boeken zijn gehaald en op een wat andere manier zijn gearrangeerd. Nauwelijks is het gedrukt of het belandt op de planken tot een nieuwe schrijver het eraf haalt om er een idee of een feit of een datum of een naam uit halen die hij dan combineert met andere elementen uit andere boeken om er een nieuw boek van samen te stellen. Je kunt net zo goed een oud boek lezen.’

■ Pitigrilli [pseud. van Dino Segre], Jaloezie (1986; vertaling door Frédérique van der Velde van L’esperimento di Pott, 1930), p. 10.

♦♦♦

‘In onze tijd [1860] lezen de kinderen meer dan ooit en daardoor is hun verbeeldingskracht zo geprikkeld. Het lezen leidt de kinderen af van het praktische leven, het spiegelt ze bedrieglijke vergezichten voor, zet ze op een verkeerd spoor, en legt de basis voor teleurstellingen, die ze verbitterd tegenover de toekomst zullen doen staan.’

nadar edmond & jules de goncourt, ca. 1852


‘Op zijn woord van eer heeft Claudin me het volgende voor waar verteld. Hij zat eens met Roger de Beauvoir in het Maison d’Or te souperen. Op een gegeven moment wilden ze een paar meisjes hebben, om wat mee te stoeien. Ze belden de loopjongen van het restaurant en stuurden hem naar la Farcy [beroemd maison close] om er een paar te halen. Toen de meisjes niet kwamen, liep Roger naar de trap, keek naar beneden en zag de loopjongen vol aandacht een boek lezen. Hij riep hem en vroeg wat hij las. ‘Ik lees wat ik van de bisschop moet lezen,’ zei de jongen, een onnozele, blonde Duitser.
      ‘Welke bisschop?’ — ‘Wel, de bisschop van Nancy, waar ik vandaan kom. Hij heeft me gezegd: “Jij gaat naar Parijs. Het is daar een plaats van verderf. LeesTertullianus.” En ik lees dus Tertullianus.’
      Hij las Tertullianus op de trap van het Maison d’Or, tussen twee loopjes door naar la Farcy. Nooit zullen we met onze verbeelding ook maar in de buurt komen van de onwaarschijnlijkheden en tegenstellingen die het werkelijke leven ons biedt.’

■ Edmond en Jules de Goncourt, Dagboek. Gekozen, vertaald en bezorgd door Leo van Maris (1985; 2014), resp. p. 80 en p. 97.

♦♦♦

Oxford was a place where the past was young, where Learning lived in beautiful buildings, yet had a fresh country air, and was approached, like philosophy for Montaigne, by ‘routes douces fleurantes’. If I had known the story of the Renaissance scholar who met a boar while walking in the woods and dealt with him by thrusting a book into his open jaws and crying ‘Graecum est!’ I should have thought it typified my feeling for Oxford. The book was a talisman. The confidence it inspired was illimitable — and Oxford […] was the shrine of books.

■ Margaret Mann Phillips, Willingly to school. Memories of York College for Girls 1919-1924 (1989), p. 55.

♦♦♦

‘Hier loop je geen buren tegen het lijf, hè?’ zei Adamsberg terwijl ze alle verlaten vertrekken van het verlaten huis door liepen.
‘Meneer Leclerc had aangegeven dat hij vooral rust wilde. Een man die erg op zichzelf was. Die heb je in zijn beroep.’
‘Wat denkt u? Was hij een soort misantroop?’
‘Of door het leven teleurgesteld,’ gokte de jongeman, ‘iemand die liever ver van de wereld af wil wonen. Mevrouw Coutellier zei dat hij veel boeken had. Dat is daar soms een bewijs van.’

■ Fred Vargas, De terugkeer van Neptunus (2004; 2006), p. 108. [omhoog]

♦♦♦

montaigne copyright apic getty‘[...] voorts, dat zijn bagage bij zijn aankomst in de stad [Rome] door de douane was doorzocht en uitgepluisd tot op de kleinste onderdelen van zijn plunje, terwijl dat soort functionarissen in de andere steden van Italië tevreden was als men ze hun alleen maar aanbood ter inspectie. Dat men bovendien al zijn boeken die men aantrof had meegenomen om ze te onderzoeken; [...] en daarbij golden dermate vreemde regels dat het Getijdenboek van de Heilige Maagd, omdat het uit Parijs kwam, en niet uit Rome, hun verdacht voorkwam, evenals de boeken van een paar Duitse theologen tegen de ketters, omdat zij de dwalingen vermeldden die ze bestreden. Hij prees zich in dit opzicht gelukkig want al was hij helemaal niet gewaarschuwd dat dit hem zou overkomen en had hij door Duitsland gereisd en was hij nieuwsgierig van aard, toch had hij geen enkel verboden boek bij zich.’

■ Michel de Montaigne, Reis naar Italië. Een reis naar Italië via Zwitserland en Duitsland in 1580-1581. Vertaald en ingeleid door Anton Haakman (1993), pp. 138-139.

♦♦♦

‘It would be delicious if you could work up a scandal.’
‘Dinny!’
‘Uncle Lawrence would love it.’
Lady Mont seemed to go into a sort of coma.
‘Where’s Blore?’ she said: ‘I want one of those pancakes after all.’
‘You sent him away.’
‘Oh! yes.’
‘Shall I tread on the gas, Aunt Em?’ said Clare; ‘it’s under my chair.’
‘I had it put there for your Uncle. He’s been readin’ me Gulliver’s Travels, Dinny. The man was coarse, you know.’
‘Not so coarse as Rabelais, or even as Voltaire.’
‘Do you read coarse books?’
‘Oh! well, those are classics.’
‘They say there was a book — Achilles, or something; your Uncle bought it in Paris; and they took it away from him at Dover. Have you read that?’
‘No,’ said Dinny.
‘I have,’ said Clare.
‘From what your Uncle tells me, you oughtn’t to.’
‘Oh! one reads anything now, Auntie, it never makes any difference.’

■ John Galsworthy, Maid in waiting (1931; eerste van de drie postuum verschenen delen van The End of the Chapter), hoofdstuk 31; te downloaden van onder meer archive.org en ebooks.adelaide.
Dit fraaie citaat dank ik aan Ileen Montijn, die er een vraag over stelde in de Navorser.

♦♦♦

dijkgraaf spiegelbeeld 2014 cover
Ik heb het als kind niet gemakkelijk gehad, maar dankzij het lezen ben ik erdoorheen gekomen. Lezen is mijn leven. Je kunt je niet voorstellen hoeveel betekenis dat voor me heeft.
[...]
In psychoanalyse? Nee, daar voel ik niets voor. Als je veel leest of schrijft kun je daarbuiten. Ieder literair werk heeft tenslotte met jezelf te maken. Daarom betekent een boek uit de wereldliteratuur iets voor je, daarom blijf je het je leven lang met je meevoeren en krijg je er nooit genoeg van. Het brengt altijd dat proces van zelfonderzoek op gang en doet je beseffen hoeveel je geleerd hebt, hoe je je ontwikkeld hebt. Een boek dat je twintig jaar geleden las, lees je nu heel anders, je ziet heel andere elementen. Daarom betekent het nu weer iets anders voor je.
[...]
Ongewillige oren lezen niet. Je kunt je blauw schrijven, maar als iemand niet iets in zich heeft waardoor hij het kan oppikken, heeft het geen enkel effect. Je kunt eventueel wel leren om naar een schilderij te kijken, om beeldende kunst te begrijpen. Een gevoel voor esthetiek kun je je eigen maken, een beeld, een gebouw leren appreciëren. Mensen kunnen ook leren naar muziek te luisteren, ook al hebben ze daar nooit enige boodschap aan gehad. Maar bij het geschreven woord komt zoveel meer kijken, dat moet je zelf helemaal meemaken, doorvoelen. Mensen die gespeend zijn van de geringste aanleg voor lezen, zullen dat nooit leren. Echt lezen kun je niet leren. Letters kun je leren, tellen kun je leren. Maar het oppikken van een metafoor niet. En de metamorfose die het lezen in je veroorzaakt ook niet.

■ Uitspraken van Hella Haasse in gesprek met Margot Dijkgraaf (respectievelijk 30 juni 2006, september 2004 en 25 januari 2005), in: Margot Dijkgraaf, Spiegelbeeld en schaduwspel. Het oeuvre van Hella S. Haasse (2014). [Zie ook hieronder.]

♦♦♦

‘[...] I have expended a great deal of labor in being as accurate as my nature and the conditioning circumstances have permitted. I have not spared myself; I see no reason, therefore, why I should spare the reader, for after all there is no law compelling him to read this. There is no royal road to learning; neither a democratic one; merely one long, hard, grinding way for king and commoner alike. But it is for the individual to decide whether he will walk patiently therein.’
■ T.W. Baldwin, William Shakespere’s small Latine and lesse Greeke (2 dln., 1944), I, ‘Preface’,
p. xiii. [omhoog]

♦♦♦

      Of Studies

Studies serve for pastimes, for ornaments, and for abilities.* Their chief use for pastime is in privateness and retiring;* for ornament is in discourse,* and for ability is in judgment. For expert* men can execute,* but learned men are fittest to judge or censure.*
¶ To spend too much time in them is sloth;* to use them too much for ornament is affectation; to make judgment wholly by their rules is the humour* of a scholar.* f They perfect Nature, and are perfected by experience.
¶ Crafty* men contemn* them, simple* men admire* them, wise* men use them. For they teach not their own use;* but that is a wisdom without them, and above them,* won by observation.
¶ Read not to contradict, nor to believe, but to weigh and consider.* f Some books are to be tasted, others to be swallowed, and some few to be chewed and digested. That is, some books are to be read only in parts; others to be read, but cursorily; and some few to be read wholly and with diligence and attention.
¶ Reading maketh a full man, conference* a ready man, and writing an exact man. And therefore if a man write little, he had need have a great memory; if he confer* little, he had need have a present wit;° and if he read little, he had need have much cunning, to seem to know that he doth not.
¶ History makes men wise, poets witty;* the mathematics subtle, natural philosophy deep; moral grave,* logic and rhetoric able to contend.
 

pourbus le jeune francis bacon 1617


Frans Pourbus le Jeune, Portrait of Francis Bacon, 1617


[Notes] for abilities. To make men able. retiring. Retirement (for individual study). ornament... discourse. Effectiveness in conversation and in society. In classical and Renaissance rhetoric ‘ornament’ could also refer to a soldier’s weapons or kit, that is, to effective communication, not mere display. expert. Experienced (in specific fields). execute. Do, perform. censure. Estimate, evaluate. sloth. Laziness (that is, avoiding one’s duties to society in the vita activa). humour. Character, style. scholar. One living in a university; remote from the active life. Crafty. Cunning. contemn. Despise (presumably as irrelevant to cunning practices). simple. Innocent (but also ‘stupid’). admire. Wonder at. wise. Prudent, judicious. teach not their own use. A course of study can convey the content and methods of a discipline, but not its application. without... above them. External to, and transcending the scope of any discipline. Read... to weigh and consider. Cf. the account of ‘vanities in studies’ in Adv.L. [The Advancement of Learning, 1605] […]. conference. Discoursing. confer. Discourse. present wit. Quick, alert mind. witty. Ingenious, full of ideas. grave. Serious, weighty.

■ Francis Bacon, The Major Works. Edited with an Introducton and Notes by Brian Vickers. Oxford World’s Classics (1996; 2008), p. 81 en p. 547.

♦♦♦

‘He came down from the class to find another visitor waiting in the office, one Gamey Robles, a local carpenter and paperhanger. He was also, by no qualification Matthew could discover, a member of the school board. Gamey slouched in a chair and didn’t bother to stand up.
      “How’re y’, Prof. I was just passin’ this way and thought I’d come in for a minute. Thought we could have a little talk if you’re not busy.”
      “We’re always busy around here,” Matthew said with a prim smile.
      “Wanted to talk to you some more about that Latin teacher.”
      “Oh yes.” Matthew’s brows went up ever so slightly. Gamey had harped on that subject since last spring, when Matthew fought for a Latin course in the curriculum and insisted they hire another teacher. (“Prof and his new teacher, sayin’ sweet things to each other in a forn tongue!” Vulgar comments of that sort.) “Well, I think that had best be discussed at a meeting —”
      “You’re not actually rank for keepin’ Latin in the crickulum, are you, Prof?” said Gamey. “I understand there ain’t but half a dozen kids takin’it.”
      “There are twelve,” said Matthew.
      “Half a dozen — a dozen — what's the difference, out of seventy kids? It costs us a lot of money for a teacher, just for that handful.”
      “She also teaches English,” said Matthew.
      “Yeah, but somebody else could do that. Wouldn’t we be better off with a real keen basketball coach next year?”
      “It seems to me that the study of the classics is of far greater value than —”
      “Hell, Prof — pardon my English — we need something that’ll raise our standing in the county!”
      “For a school our size, we stand first in the county scholastically.”
      “Well, I don’t understand all that scholastic stuff. But I know we sure don’t have no standing in basketball.”’

■ Jetta Carleton, The moonflower vine (1962; 2009), pp. 112-113.

♦♦♦

‘After supper the men went back to the porch. Ed smoked and they talked. She could hear them as she and Callie washed dishes.
      “I don’t suppose we can study our Shakespeare tonight, with him here,” she said.
      “I suppose not,” said Callie.
      “Makes me mad, too. Dad enjoys it so much.”
      “Yes, Papa was always wanting to read.”
      “I thought we could read a lot this summer. But it seems like we’re having the worst time getting at it. Something always gets in the way.”
      “Does seem like it,” said Callie.
      “One play a week doesn’t seem like too much to get read.”
      “They’re pretty long. Especially when we have to stop and talk about them.”
      “Well, you’ve got to discuss,” said Leonie. “You can’t just read Shakespeare.”
      “No, I guess not.”’

■ Jetta Carleton, The moonflower vine (1962; 2009), p. 241. [omhoog]

♦♦♦

‘Zijn vertrouwen in de macht van kennis zonder meer lijkt uiterst naïef. Hoe weldadig hij ook de geest boven de letter heeft hooggehouden, is en blijft hij een boekeworm, die van verstandelijke scholing het wereldheil en met name de wereldvrede durft verwachten.’
■ Geard Brom over Erasmus, in De Gids 100 (1936) 3, p. 46 [bron: dbnl].

♦♦♦

‘In dezen tijd, waarin wij dagelijks met onhandelbare couranten en maandelijks met een stroom van tijdschriften uit allerlei oorden der wereld worden overladen, is het een genot, wanneer ons weer eens een boek in handen komt in den echten zin des woords, een boek, dat de vrucht van degelijke studie en ernstig nadenken is.’
■ J.H. Maronier, ‘Eenige bladzijden uit de geschiedenis van den zedelijken toestand der vrouw’, in: Vaderlandsche Letteroefeningen, jaargang 1870, p. 1 [bron: dbnl].

♦♦♦

‘Die avond zaten de twee kinderen in geruite kamerjassen op de zwartleren canapé in de huiskamer. Toen Margaret en Bosmans binnenkwamen zaten ze te lezen, allebei ijverig over hun boek gebogen. Ze gingen staan om Bosmans netjes een hand te geven en leken zijn aanwezigheid helemaal niet vreemd te vinden.
      De jongen las in een wiskundeboek. Tot Bosmans’ verbazing maakte hij aantekeningen in de marge. Het meisje was verdiept in een boek met het gele omslag van de Classiques Garnier-reeks: Pascals Les Pensées. Bosmans had hun gevraagd hoe oud ze waren. Elf en twaalf jaar. Hij had hen geprezen om hun jeugdige toewijding. Maar voor dat soort complimenten schenen ze ongevoelig te zijn, alsof het vanzelf sprak. De jongen had zijn schouders opgehaald terwijl hij zich weer over zijn boek boog, en het meisje had bedeesd naar Bosmans geglimlacht.’
■ Patrick Modiano, De horizon (2011; vert. Maarten Elzinga), pp. 61-62.

♦♦♦

‘Zij zocht geen excuus meer: zij hield van een man, en dat wilde zeggen dat haar ziel verloren was. Zij beminde. En haar nacht was zoo schoon dat zij die geheel en al doorleefde, dat zij er met verrukking elke donkere minuut van dronk, en eerst insliep tegen de morgen.
      Het was voor haar het begin der onvergetelijke nachten. Daar zij haar oogen volstrekt niet kon sluiten wilde zij alle nachten doorbrengen met te lezen, en met juist die profane boeken te lezen die zij tot dusver versmaad had. Zij las achtereen Kleinheden van vader Luis Coloma, Maria van Jorge Isaacs, en een paar van de argentijnsche romans van Carlos Maria Ocantos. Maar zij was te zeer afgeleid om aan een van die schrijvers een voortdurende aandacht te wijden. Haar lectuur was een worsteling met de bladzijden: ieder oogenblik legde zij haar vouwbeen op de plek van het boek waar zij gekomen was en, terwijl zij het op de snee bekeek, vergeleek zij de dikte gevormd door de bladzijden die zij al gelezen had met die van de bladzijden die zij nog lezen moest. Soms toch vergat zij zich voldoende om de volledige beteekenis te vatten van de zinnen. Dan interesseerde zij zich voor de personages. Romans waren iets nieuws voor haar, zij zag niet, achter de verhalen, de literaire kunstgrepen, het reeds bekende, de oude hulpmiddelen die telkens weer dienen en die ons tenslotte afkeerig maken van de onvoltooid verleden tijd en van alle romans ter wereld.’
■ Valery Larbaud, Fermina Marquez (1911), in de vertaling van E. du Perron (1935), opnieuw uitgegeven in 1978, pp. 200-201. [omhoog]

♦♦♦

‘What are years? Fictions. Ink-stains on a calendar. There are moments, of late, when yesterday feels a life ago, and tomorrow an unborn century, so unreachable it seems. And had he lived beyond his youth, the years would have contracted, because a married couple become the same age, grow to resemble one another over time, like bookends, their recollections in greyed bindings between them and neither bothering to read what once divided them.’
■ Joseph O’Connor, Ghost Light (2011), p. 2.

♦♦♦

‘De buitenwereld begrijpt weinig van de chemie tussen de twee [Jan Schram en Aysel Erdubak]. Schram is vermogend geworden als projectontwikkelaar van agrarische grond in de buurt. Hij woont tot op late leeftijd bij zijn moeder, leeft sober, zonder relatie, zonder kinderen. Hij leest boeken.’
■ Jeroen Wester, ‘Handjeklap in het Slotervaartziekenhuis’, NRC Handelsblad, 3 juli 2013.

♦♦♦

‘Als me weer eens gevraagd wordt naar de omvang van mijn boekenbezit is mijn antwoord dus “geen idee”. Grote kamers en een kelder vol. Drie-, vier-, tienduizend? Ik weet het echt niet en ik vind het ook niet interessant. En heb je dat nu ook allemaal gelezen, luidt dan de volgende vraag. Nee, maar ik weet wel wat er in staat.
      Ik ervaar de bibliotheek bepaald niet als een last, maar als een genoegen. Het geheim is het evenwicht. Enerzijds niet te groot, anderzijds moet je er een beetje in kunnen verdwalen. Dingen moeten naar elkaar verwijzen en je moet er een ontdekking in kunnen doen.
      Ik kan er ’s ochtends met een kop koffie heel tevreden langslopen en dan denken, ja, dat ga ik ook nog eens lezen en: wat leuk dat ik dat ook heb.’
■ Emile Brugman aan het woord in de rubriek ‘Boeken.’, de Volkskrant, 29 juni 2013.

♦♦♦

‘De schrijfster herinnert er de mannelijke, zelfgenoegzame lezer die ik ben wél aan dat boeken lezen voor vrouwen altijd een stukje subversief is. Lezeressen plegen meestal geen zelfmoord zoals Madame Bovary wanneer ze te veel opgaan in boeken. Wat er wel vaak gebeurt, is dat de traditionele rollenpatronen door dat lezen doorbroken worden. Vrouwen worden meestal gezien als praatgraag, warm en sociaal-voelend. Vrouwen die serieus lezen zijn een groot deel van de tijd onproductieve, asociale kluizenaars. Dat wringt.’
■ Achille van den Branden, in zijn uitvoerige bespreking van Maureen Corrigan, Leave me alone, I’m reading. Finding and losing myself in books (2005). [omhoog]

♦♦♦

copyright onbekend fore-edge shakespeare's falstaff
      ‘Take a closer look,’ he said. ‘See if you can figure out why this book is special.’
      We turned the book over to look at it from every angle. We opened the book and leafed through it. ‘Is it the illustrations?’ we asked. There were a number of color plates and fold-out maps, although nothing that seemed unique.
      ‘Not in there,’ said Kevin.
      We closed the book and looked on the outside but there were no other illustrations to be seen.
      Kevin took back the book. ‘Watch,’ he said, then opened the front cover and held the pages at an angle so that just the end of each page was visible, like a deck of cards fanned out on a table top.
      A painting appeared, ships in a harbor with hills in the background. The colors were rich and the detail fabulous.
      ‘This is called fore-edge painting,’ said Kevin. ‘It was originally done in Italy in the fifteenth and sixteenth centuries but was most popular in England in the eighteenth and nineteenth centuries.’
      ‘How do they do it?’
      ‘The artist has a press that holds the pages in the correct position while he paints. He has to work relatively quickly so that the pages don't stay in that position too long and become damaged. When the paint is dry, the book is closed and the edges are gilded in the normal way.’ Then he let the pages fall back to their natural position and the painting disappeared.
‘If they are not aware of it, a person can own a book with a fore-edge painting for years and never know that they own something special.’ He fanned the pages again and the painting reappeared.

■ Uit Lawrence en Nancy Goldstone, Used and rare. Travels in the book world (1997), p. 128.

 

fore-edge painting detail copyright onbekend1

 

Fore-edge paintings — hierboven twee voorbeelden — zijn een fascinerend onderdeel van de boekgeschiedenis. Uitgaven voorzien van zo’n al dan niet verborgen schildering zijn onbetaalbaar, zodat men zich zal moeten behelpen met afbeeldingen en filmpjes op internet. (Op foredgefrost zijn onder meer een paar ‘gentleman’s’ fore-edges te bewonderen).
In twee Nederlandse bibliotheken aanwezig is de monografie erover: Carl J. Webers A thousand and one fore-edge paintings. With notes on the artists, bookbinders, publishers and other men and women connected with the history of a curious art (1949).
Gratis te downloaden is Bound to please, een schitterende catalogus uitgegeven ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in de Sheridan Libraries van de Johns Hopkins University (2009), met enkele fraaie voorbeelden van fore-edge paintings.

♦♦♦

 Op 24 december 2012 stuitte ik in de NRC op een wat vreemde leesgewoonte:

vraagteken1

Ik kende deze gewoonte, maar van wie? Jaap Engelsman beantwoordde de vraag met: ‘Bolkestein. Alleen niet uit de trein.’ De Olivier B. Bommel van de politiek, met permissie, was echter niet de enige die zich zo snel als hij las ontdeed van de bladzijden. Opnieuw dus de vraag: waar of over wie had ik dat ooit gelezen? Toen deed zich een geval van serendipiteit voor en vond ik in Andrew Lang’s The library het antwoord:

The sale of the library of a late learned prelate who had Boileau's hatred of a dull book was a scene to be avoided by his literary friends. The Bishop always gave the works which were offered to him a fair chance. He read till he could read no longer, cutting the pages as he went, and thus his progress could be traced like that of a backwoodsman who ‘blazes’ his way through a primeval forest. The paper-knife generally ceased to do duty before the thirtieth page.

■ Andrew Lang, ‘Apology for the book hunter’, in idem, The library (1881). Er zijn ongetwijfeld meer lezers over wie dit al dan niet apocriefe verhaal de ronde doet.

————————————

Aanvulling En inderdaad, onlangs (mei 2013) las ik, in Richard Katzev, In the country of books. Commonplace books and other readings (2009), p. 134:

The other day I asked my wife, a voracious reader, if she had thought much about the place of bookmarks in her reading life. She replied quite simply that she never uses a bookmark, with the clear implication that my question was pretty stupid. I thought that odd at the time, until I realized she usually reads a book from start to finish, so obviously she would have no need for anything as mundane as a bookmark. Neither did my aunt, who, I recalled the other day, used to tear each page out of a book once she had finished reading it. What a booklover she was! Of course, I only saw her do that when she was reading cheap paperback novels. Since I never saw her reading anything else, I doubt if she ever had need for anything as humdrum as a bookmark.

————————————

Nog een aanvulling, mei 2015. In een brief aan zijn zoon van 11 december 1747 schreef Philip Dormer Stanhope, Fourth Earl of Chesterfield (1694-1773):

I knew a gentleman, who was so good a manager of his time, that he would not even lose that small portion of it, which the calls of nature obliged him to pass in the necessary-house [*]; but gradually went through all the Latin poets, in those moments. He bought, for example, a common edition of Horace, of which he tore off gradually a couple of pages, carried them with him to that necessary place, read them first, and then sent them down as a sacrifice to Cloacina: this was so much time fairly gained; and I recommend you to follow his example.

[*] De onbekende lezer tekent hierbij aan: ‘euphemism’.
      De correspondentie is te downloaden van archive.org. Lees ook het vrolijk makende artikel  — waaraan ik deze verwijzing te danken heb — dat Roy Porter aan de gevaren van het lezen wijdde: ‘Reading is bad for your health’, History Today maart 1998.

————————————

En nog een aanvulling, juni 2015, uit: Jussi Adler-Olsen, De fazantenmoordenaars (2010; vertaald uit het Deens door Kor de Vries), p. 74:

      ‘Florin zat rustig in zijn boek te lezen. Zijn benen op een voetenbankje, de open haard aan, een whiskyglas op de marmeren tafel. Allemaal bijzonder harmonieus, als je niet lette op de enorme hoeveelheid boekbladzijden die over de wollen vloerbedekking verspreid lagen.
      Carl schraapte een paar keer zijn keel, maar de oude financier hield zijn blik strak op de bladzijde gericht en wendde zijn blik pas tot hen toen hij klaar was met de pagina, die eruit scheurde en hem bij de andere op de grond gooide.
      “Dan weet je tenminste hoe ver je bent gekomen,” zei hij. “Wat verschaft mij de eer?”’

------------------------------------

En de allerlaatste aavulling (tenzij ik nog een fraai geval tegenkom), januari 2016, uit: George Brandes, On reading. An Essay (1906), pp. 7-8:

I had accepted invitations several times to the home of a well-to-do family enjoying a good position abroad, — a household which took a certain standing in the artistic life of a capital city, — when it struck me one day that I had never seen any book-case or book-shelves in the house. In reply to my query, I was told that they had no book-case, nor any books, except the two or three that lay on the sitting-room table. ‘But you read, or have read a good deal?’ I asked. ‘Oh, yes,’ was the answer; ‘we travel a good deal, as you know, and in the course of the year we buy a great many books; but we always leave them behind in the net,’ — meaning the nets of the railway carriages. And, by way of explanation: ‘You see, one never reads a book more than once.’

Ook hier is weer een trein in het spel. Niet vreemd, lijkt me, want áls je al een boek na lezing weggooit of achterlaat is het wel op reis.

————————————

verwey 'uit!!'


Deze prentbriefkaart van Stefan Verwey werd me toegestuurd in september 2015.
Met dit plaatje eindigt deze kleine bloemlezing. [omhoog]

♦♦♦

hieronymus aleander 1536

 

 


 

‘Daarna stortte ik me op wat mijn belangrijkste bijdrage aan de roem van de pauselijke bibliotheek zou worden: de nauwgezette, systematische inventarisering van de Griekse manuscripten die zij bevatte. Ik beken dat ik aan dit werk meer tijd besteedde dan nodig was. Maar wie zou er niet verrukt raken bij het doorbladeren van deze schatten? Wie zou er niet alle notie van tijd kwijtraken bij het pagina na pagina indrinken van deze nectar van de geest?’
■ Aan het woord is Girolamo Aleandro (1480-1542), in Yvon Toussaints historische roman over deze grote vriend, later bittere vijand van Erasmus, Het manuscript van Giudecca (2005, p. 105; oorspr. Le manuscrit de la Giudecca, 2002).

♦♦♦

‘Because I was responsible for the upkeep of his father’s small library, and possessed a decent knowledge of Greek, Cicero asked if he might borrow me, as one might remove a book on loan, and take me with him to the East. My job would be to supervise arrangements, hire transport, pay teachers and so forth, and after a year go back to my old master. In the end, like many a useful volume, I was never returned.’
■ Aan het woord is Tiro, slaaf en secretaris van Cicero, in Robert Harris’ Imperium (2007), p. 6.

♦♦♦

[De abt en de geletterde vrouw]

Antronius Wat voor meubilair zie ik hier?
Magdalia Mooi, vind je niet?
Antronius Bijzonder, maar toch niet bijster geschikt voor een jong meisje of een gehuwde dame.
Magdalia Hoezo?
Antronius Alles staat vol boeken.
Magdalia Heb jij, een abt en een man van het hof, op jouw leeftijd nog nooit boeken gezien in het huis van een adellijke dame?
Antronius Natuurlijk wel, maar in het Frans. Hier zie ik Griekse en Latijnse titels.
Magdalia Brengen dan alleen Franse werken wijsheid bij?
Antronius Dames van stand horen toch aangenaam bezig te zijn in hun vrije tijd?

■ Uit: Erasmus, ‘De abt en de geletterde vrouw’, Gesprekken / Colloquia. Vertaald en toegelicht door Jeanine De Landtsheer (2001), p. 227. Zie aldaar voor een toelichting en meer fraaie citaten. Met Magdalia doelde Erasmus waarschijnlijk op Margaret Roper, de geleerde dochter van Thomas More; Antronius staat voor de spreekwoordelijke sufklaas. (Zie ook adagium II,v,68 Astronius asinus; hiervoor verwijs ik naar de pagina in wording adagia.) [omhoog]

♦♦♦

[onbekend] théodore de bèze 1519-1605

A ma bibliothèque
par Théodore de Bèze

Portez-vous bien, mes livres, mes chers livres,
Mes délices, mon salut.
Bonjour mon Cicéron, mon Catulle, bonjour.
Bonjour, mon Virgile, mes deux Plines;
Bonjour aussi, mon Plaute, et toi Térence;
Et vous, bonjour, Ovide, Fabius, Properce.
Bonjour, ô Grecs plus éloquents
Encore, que je devrais placer
Au premier rang, Sophocle, Isocrate.
Et toi qui dus ton nom à la faveur Populaire;
Et toi grand Homère, salut!
Salut Aristote, Platon, Timée.
Et vous autres, dont je n’ai pu enfermer
Les noms dans la mesure des vers phaléciens.
Vous tous enfin, mes chers petits livres,
Je vous salue, et vous salue, et vous salue encore.
Écoutez ma prière: Je vous en supplie, ô mes chers petits livres;
Que cette longue absence… de six jours
Où je suis resté loin de vous,
Ne vous empêche pas de me conserver
A l’avenir ces dispositions favorables,
Où vous étiez jusqu’à mon départ,
De facile et sincère sympathie.
Si vous exaucez ma prière,
Mes livres, mes chers petits livres,
— C’est moi qui vous le promets
— Il ne m’arrivera plus de passer loin de vous
Une semaine : que dis-je ? Un seul jour. Un jour?
Pas même une petite heure; pas même
Un instant, si court qu’on l’imagine.

■ Cadeautje van de bibliomane (juni 2011); zie aldaar voor bibliografische gegevens.

♦♦♦

‘[I saw] a small white silver-shining Worm or Moth, which I found much conversant among books and papers, and is supposed to be that which corrodes and eats holes through the leaves and covers. lts head appears big and blunt, and its body tapers from it towards the tail, smaller and smaller, being shaped almost like a carrot. [...] It has two long horns before, which are straight, and tapering towards the top, curiously ringed or knobbed. [...] The hinder part is terminated with three tails, in every particular resembling the two longer horns that grow out of the head. The legs are scaled and haired. This animal probably feeds upon the paper and covers of books, and perforates in them several small round holes.’
Robert Hooke, Micrographia (1655), geciteerd in Stephen Greenblatt, The Swerve. How the world became modern (2011), p. 83; beschreven wordt de boekworm. [omhoog]

♦♦♦

[Satan]

‘J’ai crié: meure l’imprimerie! quand elle était à toi; je crie: vive l’imprimerie! parce qu’elle est à moi. Mon bon, je suis fou de ton art. Je vais lancer des hérésies dans les églises, des contes amoureux dans les couvents, des sonnets libertins dans les ménages, des pamphlets incendiaires dans la cour des rois, des hymnes de révolte dans le forum des peuples... Je vais calomnier le soleil, glorifier les ténèbres, et dire ce que je pense de la vertu! — Merci, Coster; tu avais inventé une arme pour tuer Satan, Satan la saisit pour se défendre […]’
■ Gérard de Nerval, L’Imagier de Harlem ou la Découverte de l’imprimerie (1852; ca. 1962), p. 183; de autograaf komt uit dezelfde editie. Zie ook recensies nr. 26.
 

nerval autograaf

♦♦♦

‘Ze zei tegen hem: “Wat een waanzin van mij om voor je te zwichten. Maar ik heb er geen spijt van. Het is zo fijn om te beminnen.”
      Dat alles leek Georges irritant uit die mond. Ze mompelde: “Het is zo fijn te beminnen”, zoals een onschuldig jong meisje dat in het theater zou zeggen.
      Verder ergerde hij zich mateloos aan haar onhandige techniek. Door het vrijen met die mooie jongen die haar bloed zozeer aan de kook had gebracht plotseling zinnelijk geworden, legde ze een ongebruikelijk vuur in haar omhelzing, een bloedserieuze inspanning die Du Roy aan het lachen bracht en die hem deed denken aan ouden van dagen die nog probeerden te leren lezen.’
■ Guy de Maupassant, Bel Ami. Vertaald door Hans van Cuijlenborg (2004; 2012), p. 304.

♦♦♦

‘Sinds die ochtend is het leven voor mij een en al verrukking. Ik zou voorgoed bij dit fijne Helleense volk willen blijven, te midden van deze eilanden met hun klankrijke namen, waar een geur hangt als van een tuin der Griekse stammen. Ach, wat ben ik mijn goede leraren die ik zo vaak heb verwenst, dankbaar dat ze me in staat hebben gesteld in Syra het uithangbord van een kapper, een schoenmaker of een kleermaker te ontcijferen. Kijk nu toch! Dat zijn dezelfde ronde letters, dezelfde hoofdletters... die ik althans goed kon lezen, en die ik op straat voor mijn plezier hardop spel:
      Kαλιμέρα (Goedemorgen), zegt een vriendelijk uitziende koopman tegen mij, en hij is zo goed te doen alsof hij niet ziet dat ik uit Parijs kom.
      Πόσα (Hoeveel)? vraag ik en ik zoek een kleinigheid uit.
      Δέκα δραχμαί (Tien drachmen), antwoordt hij op klassieke toon...
Toch maar een gelukkig man, dat hij het Grieks bij zijn geboorte heeft meegekregen en niet vermoedt dat hij op het ogenblik spreekt als een personage van Lucianus.
      Ondertussen loopt de veerman mij nog op de kade achterna en schreeuwt tegen mij zoals Charon tegen Menippus:
      Ἀπὁδος, ὦ κατάρατε, τὰ πορθμεῖα (Betaal je overtocht, schurk)!
      Hij is niet tevreden met de halve franc die ik hem heb gegeven; hij wil een drachme (negentig centimes): hij krijgt nog geen obool! Ik antwoordt hem onbevreesd met een paar zinnen uit Gesprekken onder doden. Hij trekt zich terug onder het mompelen van een paar vloeken van Aristophanes.’

■ Gérard de Nerval, Reis naar de Oriënt. Vertaald uit het Frans en ingeleid door Hannie Vermeer-Pardoen (2011), p. 88.

♦♦♦

‘Het is bij wet vastgesteld dat niemand ooit een schoen mag naaien of een kastje timmeren tenzij hij door het gilde van zijn vak is aanvaard. Die grote auteurs echter, aan wier werken we de godsdienst zelf te danken hebben, worden in omloop gebracht door kerels die zo weinig benul hebben van literatuur dat ze niet eens kunnen lezen, die zo lui zijn dat ze hun zetsels niet willen nakijken en zo slordig dat ze een goed boek liever laten krioelen van de fouten dan voor enkele goudstukjes een proeflezer te huren die kan toezien op verbeteringen.’
■ Desiderius Erasmus, Spreekwoorden. Adagia. Vertaald door Jeanine de Landtsheer [selectie] (2011), II,1,1 Haast je langzaam, p. 202. [omhoog]

♦♦♦

onbekend william hazlitt [1778-1830]
‘The description of persons who have the fewest ideas of all others are mere authors and readers. It is better to be able neither to read nor write than to be able to do nothing else. A lounger who is ordinarily seen with a book in his hand is (we may be almost sure) equally without the power or inclination to attend either to what passes around him or in his own mind. Such a one may be said to carry his understanding about with him in his pocket, or to leave it at home on his library shelves. He is afraid of venturing on any train of reasoning, or of striking out any observation that is not mechanically suggested to him by parsing his eyes over certain legible characters; shrinks from the fatigue of thought, which, for want of practice, becomes insupportable to him; and sits down contented with an endless, wearisome succession of words and half-formed images, which fill the void of the mind, and continually efface one another. Learning is, in too many cases, but a foil to common sense; a substitute for true knowledge. Books are less often made use of as “spectacles” to look at nature with, than as blinds to keep out its strong light and shifting scenery from weak eyes and indolent dispositions.

[...]

A mere scholar, who knows nothing but books, must be ignorant even of them. “Books do not teach the use of books.” How should he know anything of a work who knows nothing of the subject of it? The learned pedant is conversant with books only as they are made of other books, and those again of others, without end. He parrots those who have parroted others. He can translate the same word into ten different languages, but he knows nothing of the thing which it means in any one of them. He stuffs his head with authorities built on authorities, with quotations quoted from quotations, while he locks up his senses, his understanding, and his heart. He is unacquainted with the maxims and manners of the world; he is to seek in the characters of individuals. He sees no beauty in the face of nature or of art. To him “the mighty world of eye and ear” is hid; and “knowledge”, except at one entrance, “quite shut out”. His pride takes part with his ignorance; and his self-importance rises with the number of things of which he does not know the value, and which he therefore despises as unworthy of his notice.’

■ Uit: William Hazlitt, ‘On the ignorance of the learned’, Table-Talk; or, Original essays (1921)

♦♦♦

‘Robert Burton’s ingenious treatise [Anatomy of Melancholy, 1621] is a curiously wrought-out design. There are idle students and cavillers, who have advertised Burton as the creator of a peculiar anthologic maze, an amusing literary chaos, a farrago of quotations, a mere olla podrida of quaintness, a pot pourri of pleasant delit, a florilegium of elegant abstracts, a tangled fardel of old-world flowers of thought, a faggot of odd fancies, quips, facetiae, lossely tied, the creator, in short, of a book for a rainy day and a cosy corner.’
■ Holbrook Jackson, The Anatomy of Bibliomania (1950; 1981), p. 19.

♦♦♦

Vermoord bij een gocheltruc, hebt u die gelezen? Enig gewoon! het meisje van de boekhandel heeft hem expres voor mij achtergehouden. Je denkt eerst dat je de zaak door hebt — maar nee hoor, niets daarvan, dan draaien ze de hele zaak ondersteboven en volgt er een stelletje moorden van heb ik jou daar, een stuk of vijf. Prachtig gewoon. Nu, ik had het boek per ongeluk op zijn studeerkamer laten liggen toen Julian aan zijn preek zou beginnen. Hij nam het boek even in handen, begon te lezen en kon er gewoon niet meer afblijven! En daardoor moest hij zijn preek in een reuzehaast afmaken, weet u, en wat hij te zeggen had zo eenvoudig mogelijk op schrift brengen — zonder die geleerde opmerkingen en aanhalingen — en wilt u wel geloven dat alles daardoor veel begrijpelijker is geworden? O jee, ik praat weer veel te veel. Maar vertel eens even, hoe laat begint de moord?’
■ Agatha Christie, Wie adverteert een moord! (1950; vert. 1981, 2009), p. 231.

♦♦♦

anoniem cover nauwelaerts  rodolphus agricola 1963‘Bij het lezen is de allereerste taak: wat we lezen zoveel mogelijk te begrijpen en een nauwkeurig inzicht te hebben van de zaak die wordt uitgedrukt, maar ook van de kracht, de eigenschap, de structuur en de versiering van de woorden bij de goede auteurs: welke schoonheid, welk evenwicht van zinnen, welke kracht om te verklaren en om verborgen zaken door woorden uit te drukken en als het ware in het licht en de openbaarheid te brengen.
     Dat betekent evenwel niet, dat wij bij het stuiten op een duistere of ons onbekende plaats direct weerstand moeten bieden en moeten menen niet verder te mogen gaan of, zoals sommigen doen, onmiddellijk het boek weggooien, de studie verwensen en gaan jammeren over ons klein verstand. Om voortgang te maken is geen verontwaardiging nodig, maar ijver.
     Je moet er maar over heen stappen, als er iets is dat je niet kunt begrijpen, en het tot een latere tijd uitstellen, tot je eindelijk een mens of een boek ontmoet die het duidelijk maakt of tot je het bij gelegenheid van een andere lectuur begrijpt, zoals het dikwijls voorkomt. Ik heb de gewoonte te zeggen: de ene dag leert de andere.’

■ Uit de brief van 26 mei 1484 van Rudolf Agricola aan Jacobus Barbirianus, oftewel ‘De formando studio’, geciteerd in: M.A. Nauwelaerts, Rodolphus Agricola (1963), pp. 123-124.

♦♦♦

‘De fictie van echtheid, terwijl men tegelijkertijd wéét dat het niet waar is, ligt aan alle literatuur ten grondslag. Wij lezen een boek alleen maar uit, omdat wij, op het moment van lezen, in het geschrevene geloven. Zonder die illusie zouden we geen bladzijde ten einde krijgen. En terwijl we dit geloven, weten we tegelijkertijd dat het een fictie is. Een mens is een vreemd wezen.’
■ Godfried Bomans, ‘Enige richtlijnen voor bisschopsfeesten’, Elseviers Weekblad 18 december 1948; opgenomen in de bundel Genieten in een gekkenhuis, Gerry van der List ed. (2011), p. 109.

♦♦♦

hella haasse en monique den haag 1979

Op 29 september 2011 overleed Hella Haasse, 93 jaar oud.
Het kiekje hierboven is in 1979 genomen in haar Haagse flat. We bezochten de schrijfster, in verband met de avond die we voor het Literair Café Nijmegen organiseerden, voor een interview.
De pretentieloze, maar tegelijk gepassioneerde wijze waarop zij over haar werk sprak, en de vriendelijkheid waarmee zij ons tegemoet trad, zijn een blijvende, dierbare herinnering.

♦♦♦

‘Wat voer je tegenwoordig uit, George?’ vroeg meneer Cattanzara. ‘Ik zie je vaak ’s avonds rondlopen.’
George voelde zich in verlegenheid gebracht. ‘Ik ga graag een eindje om.’
‘En wat doe je overdag?’
‘Niet veel, op het ogenblik. Ik wacht op een baan.’ Uit schaamte om zijn bekentenis dat hij niet werkte, zei George: ‘Ik ben overdag thuis — maar ik lees heel veel, want dat is goed voor m’n ontwikkeling.’
Meneer Cattanzara leek geïnteresseerd. Hij bette met een rode zakdoek zijn gezicht.
‘Wat lees je zoal?’
George weifelde; toen zei hij: ‘Ik heb een keer in de bibliotheek een lijst met boeken gekregen, en die ga ik deze zomer lezen.’ Hij voelde zich vreemd en een beetje ongemakkelijk terwijl hij het zei, maar hij wilde dat meneer Cattanzara hem zou respecteren.
‘Hoeveel boeken staan er op die lijst?’
‘Ik heb ze niet geteld. Een stuk of honderd, denk ik.’
Meneer Cattanzara floot door zijn tanden.
‘Ik denk,’ vervolgde George ernstig, ‘dat het heel goed voor mijn ontwikkeling zal wezen. [...]’
 

malamud photograph david lees & corbis

 

■ Uit het verhaal ‘De boekenlijst’ (1956) van Bernard Malamud, in Alle verhalen (1998; 2008).

♦♦♦

‘Ik lees echt ontzettend veel. Mijn bibliothecaresse kwam met de mededeling dat ik 900 boeken nog niet had gelezen, dat is op een verzameling van oud en nieuw rond de 35.000 boeken toch niet slecht.’
■ Gelezen in: Edwin Bloemsaat e.a. ed., Uit de schaduw. Twintig jaar genootschap van bibliofielen (2011). ♦ Of Montaigne een secretaresse had weet ik niet, wel dat hij gewoon, bijvoorbeeld, in een door hem gelezen boek schreef: perlegi.

montaigne lucretius perlegi copyright  la fondation études montaigne

[Copyright afbeelding La Fondation Études Montaigne. Over Montaigne en Lucretius binnenkort meer op montaigne; zie over Lucretius recensies, nummer 19.] [omhoog]

♦♦♦

Boekenvrienden verschillen onderling nog wel eens over de vraag of je — je eigen! — boeken mag voorzien van strepen en krabbels, ‘handjes’ en uitroeptekens, vraagtekens en verwijzingen. Voor mij is dat geen vraag, zónder bestaat een boek niet als gelezen.

‘Een boek zonder sporen van gebruik is als een koffietafelboek. Mooi om naar te kijken, maar zonder ziel.’ [9 maart 2010]

Aldus Pam van Holthe op haar blog Traces of use, waarop zij regelmatig verslag doet van haar onderzoek naar de herkomst van en ‘sporen van gebruik’ in een uitgelezen corpus boeken. Interessant voor liefhebbers van marginalia in de brede betekenis van het woord. Aantrekkelijk is ook haar Abc of traces of use, dat een klein maar rijk geïllustreerd woordenboek is (hieronder een voorbeeld eruit).

.
traces of use manicule


♦♦♦

‘Er zijn mensen die elk boek kopen waarover ze een goede recensie hebben gelezen — en ze vinden dat bewuste boek dan steevast fantastisch. Of ‘confronterend’. Ik wantrouw dit soort mensen. Ik geloof heus wel dat ze die boeken lezen, maar niet dat ze ze ook echt zo briljant vinden. Dat zeggen ze maar, omdat ze bang zijn dat ze anders als boekenbarbaar worden weggezet.’
■ Paulien Cornelisse, ‘Wat ik lees’, in: Hollands Diep maart/april 2011.

♦♦♦

Voor welk boek wilt u graag tijd maken?
Eerlijk gezegd lees ik heel erg vluchtig en snel. Ik lees bijna alleen maar non-fictie en als ik op eenderde ben heb ik meestal wel door wat de boodschap is en leg ik het boek opzij.Vaak klopt dat ook wel, want heel veel non-fictieboeken hebben een bepaalde omvang omdat dat een bepaalde opbrengst oplevert, terwijl het verhaal in de helft al klaar kan zijn.’
■ Aan het woord: schrijver/filosoof Bas Haring, in: Vrij Nederland 15 januari 2011.

♦♦♦

‘Plotseling staat hij [Rory Stewart] op en troont de verslaggever mee naar zijn werkkamer. Langs de muren staan eikenhouten boekenkasten. Op de grond ligt een chaotische stapel boeken, met bovenop de verzamelde essays van George Orwell. “Dit is wat er gebeurt wanneer ik donderdagavond thuiskom. Dan ga ik m’n boeken herschikken. Een van de belangrijkste problemen die je hebt als politicus,” zegt hij terwijl hij weer rechtsomkeert maakt, “is dat je geen tijd hebt om te lezen en na te denken. Je wordt dommer. De politiek is dodelijk voor geest en karakter.”’
■ Thijs Niemantsverdriet, interview met Rory Stewart, in: Vrij Nederland, 18 december 2010.

♦♦♦

stendhal rouge et noir 1831 uit marsan ed. 1923‘Toen hij bij zijn werkplaats kwam, riep vader Sorel met een stentorstem om Julien; geen antwoord.. Hij zag alleen zijn oudste zoons, kerels als reuzen, die met hun zware bijlen de stammen van de sparren vierkant hakten en ze daarna naar de zaag droegen. In hun werk opgaand, volgden zij precies het op het hout aangebrachte zwarte merk en hieuwen er met iedere bijlslag enorme spaanders af. Zij hoorden de stem van hun vader niet. Nu liep hij naar de loods, ging naar binnen, maar zag Julien niet op zijn plaats naast de zaag staan. Hij ontdekte hem vijf of zes voet hoger, waar hij, in plaats van nauwlettend toe te zien op de beweging van de machinerie, schrijlings op een van de hanebalken zat te lezen. Erger kon niet voor de oude Sorel. Hij zou Julien misschien hebben vergeven dat hij, in tegenstelling tot zijn oudere broers, te tenger was voor dit zware werk; maar die leesmanie van hem vond hij vreselijk; hijzelf kon niet lezen.
      Tevergeefs riep hij een paar keer naar Julien. De jongeman was zo verdiept in zijn boek dat veeleer hierdoor dan door het geraas van de zaag, het woedende geroep niet tot hem doordrong. Ten slotte sprong de vader ondanks zijn leeftijd behendig op de boom die juist door de zaag werd bewerkt, en vandaar op de dwarsbalk die het dak ondersteunde. Een harde klap, en het boek vloog uit Juliens handen de beek in; bij een tweede al net zo harde klap, een draai om zijn oren, verloor hij zijn evenwicht; hij dreigde twaalf tot tien voet te vallen, en zou zijn verpletterd tussen de hefbomen van de draaiende machine, als zijn vader hem niet met zijn linkerhand had tegengehouden:
      “Luilak! Lees je dan nog steeds die vervloekte boeken van je, terwijl je op de zaag moet letten? Doet dat voor mijn part ’s avonds maar, als je bij de pastoor je tijd verbeuzelt!”
      Hoewel het hem duizelde en de harde slag zich striemend rood op zijn gezicht aftekende, keerde Julien naar de hem toegewezen plaats naast de zaag terug. Hij had tranen in zijn ogen, niet zozeer vanwege de fysieke pijn alswel om het verlies van zijn lievelingsboek. [...] Intussen keek hij treurig naar de beek waarin zijn boek was verdwenen. Het was precies het werk dat hij boven alle andere stelde, het Memoriaal van Sint-Helena.’

■ Stendhal, Het rood en het zwart. Kroniek van 1830 (Le rouge et le noir, 1830; Ned. vert. zesde dr. 2007), pp. 22-23. Het genoemde lievelingsboek ‘verscheen in 1823 in Parijs, samengesteld door Las Cases, [en] werd in de tijd van Stendhal ten onrechte toegeschreven aan Napoleon’, aldus de noot van de vertaler, Hans van Pinxteren.
De illustratie is overgenomen uit de editie-Marsan, 1923. [omhoog]

In hetzelfde boek [met een knipoog naar Laura] (p. 267; curs. van mij, MB):

‘[...] Even later zat Julien in zijn eentje in een prachtige bibliotheek; dat was een heerlijke ervaring. Om in zijn ontroering door niemand te worden verrast, kroop hij weg in een donker hoekje. Van daaruit keek hij opgetogen naar de glanzende ruggen van de boeken. Dit zal ik allemaal kunnen lezen, dacht hij. Hoe zou ik me hier dan kunnen vervelen?

♦♦♦

tissot portrait en pied de mll. l.l. 1864
‘Zonder kwade bedoeling, uitsluitend gedreven door zijn lompe natuur, maakte de heer Boissaux in de loop van de avond een paar toespelingen op het luide gelach waarmee het beeld van Diderot en d’Holbach als lotgenoten van Cartouche en Mandrin was ontvangen. Boissaux vond de vergissing des te verschrikkelijker omdat hij voortdurend bang was er net zo een te maken. Het was in feite nog geen twee jaar geleden dat hij deze wonderlijke namen, Diderot en d’Holbach, voor het eerst had gehoord; en wat hem nog banger maakte was dat hij, toen zijn vrouw tijdens het diner met haar historische kennis zo rampzalig de mist was ingegaan, meende dat het Essai sur les moeurs van Rollin was. Is het nog nodig om te zeggen dat hij de dag na het diner naar Parijs toog om zeshonderd banden, goud op snee, te bestellen en absoluut een pracht-exemplaar van Voltaire in zijn rijtuig mee terug naar Viroflay wilde nemen? Het inbinden van elk boekdeel kostte twintig franc. Meteen gaf hij het eerste deel van het Essai sur les moeurs, opengeslagen op pagina 150, een vaste plaats tussen de handelsbrieven op zijn bureau.’
■ Stendhal, Liefdesverhalen (2009), p. 193-194.

♦♦♦

‘Solomon Schechter stierf in 1915 na een lezing over joodse filantropie. (Nadat hij in elkaar gezakt was, vond hij het goed te blijven liggen  tot er een dokter kwam, maar wilde wel dat Mathilde hem een boek gaf,  zodat hij iets te lezen had. “Ik kan hier niet liggen niksen!” zei hij.  Hij verliet het leven al lezend in een van zijn geliefde boeken, sir  Walter Scotts The Antiquary (De antiquair).’
■ Janet  Soskice, De tweeling van de Sinaï (2010), p. 335.

♦♦♦

Wit in a constable. A comedy written 1639.
 Actus primus, Scena prima.
Enter Holdfast, Tristram.

Hold. Did you ere we departed from the Colledge
Orelooke my library?
Trist. Yes sir, I spent two dayes in sorting Poets from Historians,
As many nights in placing the divines
On their owne chayres, I meane their shelves
[...]
Hold. I hope my bookes are all in health.
Trict. [sic] In the same case the Mothes have left them, who have eaten more
Authenticke learning then would richly furnish
A hundred country pedants; yet the wormes
Are not one letter wiser.

■ Uit: Henry Glapthorne, Wit in a constable. A comedy written 1639. The author Henry Glapthorne. And now printed as it was lately acted at the Cock-pit in Drury lane, by their Majesties servants, with good allowance.  London, Printed by Io. Okes, for F.C. and are to be sold at his shops in Kings-street at the signe of the Goat, and in Westminster-Hall, 1640. Lees verder op beinecke early modern.

♦♦♦

My Books

They dwell in the odour of camphor,
They stand in a Sheraton shrine,
They are ‘warranted early editions’,
These worshipful tomes of mine; —

In their creamiest ‘Oxford vellum’,
In their redolent ‘crushed Levant’,
With their delicate watered linings,
They are jewels of prize, I grant; —

Blind-tooled and morocco-jointed,
They have Bedford’s daintiest dress,
They are graceful, attenuate, polished,
But they gather the dust, no less; —

For the row that I prize is yonder,
Away on the unglazed shelves,
The bulged and the bruised octavos,
The dear and the dumpy twelves, —

Montaigne with his sheep-skin blistered,
And Howell the worse for wear,
And the worm-drilled Jesuits’ Horace,
And the little old cropped Molière, —

And the Burton I bought for a florin,
And the Rabelais foxed and flea’d, —
For the others I have never opened,
But those are the books I read.
 

henry austin dobson

 

 

Martin Hulsenboom vond dit gedicht van Austin Dobson (1840-1921; hiernaast) in: Gleeson White ed., Book-Song. An anthology of poems of books and bookmen from modern authors (1893). Ook opgenomen in Dobsons Collected Poems, vol. II (1895), te vinden op gutenberg.
 

♦♦♦

‘Ik wou maar één ding zeggen.Vijf jaar lang heb ik me gedragen als een onbevlekte maagd. Ik las zelfs geen romans meer. Alles wat met de liefde te maken had, stond me tegen en joeg me angst aan. Als ik naar de schouwburg wilde, koos ik een stuk dat niet over liefde ging. In die tijd speelden ze De wolven van Romain Rolland en dat was geknipt voor me. Jij zult erom lachen, maar ik zat woordenboeken en encyclopedieën te lezen. Ik worstelde me door deel twee van de Faust. Ik las zelfs het werk van Clausewitz over militaire strategie, hoewel God weet dat ik altijd een afschuw heb gehad van oorlog.’
■ Isaac Bashevis Singer, Schimmen aan de Hudson (2003; oorspronkelijk als feuilleton verschenen in het Jiddisch in Forwerts, tussen januari 1957 en januari 1958), p. 128.

♦♦♦

‘As a rule, I read [...] poetry in bed; philosophy and serious essays sitting down at my desk; newspapers and magazines while I eat breakfast or lunch, and novels while lying on the couch. It’s toughest to find a good place to read history, since what one is reading usually is a story of injustices and atrocities and wherever one does that, be it in the garden on a fine summer day or riding a bus in a city, one feels embarrassed to be so lucky. Perhaps the waiting room in a city morgue is the only suitable place to read about Stalin and Pol Pot?’
■ Charles Simic, ‘On the Couch with Philip Roth, at the Morgue with Pol Pot’, New York Review of Books Blog 14 december 2009. [omhoog]

♦♦♦

‘Ik ken heel wat volwassenen die met wallen onder de ogen gaan werken en dan tegen collega’s zeggen dat ze tot diep in de nacht in de kroeg hebben gehangen. In werkelijkheid hebben ze in bed liggen lezen.’
Ed Schilders, ‘Gevaar’, de Volkskrant 7 september 1990

♦♦♦

‘Lezen is een asociale bezigheid. Het wordt aardig wanneer je er met anderen over praat.’
■ Barry Wiebenga (destijds directeur van de Stichting Lezen in Amsterdam), in een interview door Wouter de Haan, in: AD Magazine 2/2000. Hij vindt dan ook dat een huisbibliotheek in de woonkamer thuishoort.

♦♦♦

‘Scene-of-crime continued. Fingerprint details. The marked passage in the volume of Shakespeare, a 6B pencil which had not been found. The afternoon wore on. The postman was called, as was Miss Lucy Bellringer. She assured the court that on the morning of her friend’s death the larder window was undamaged and the hemlock not in the house. And that, as regards the 6B pencil, Miss Simpson would never have defaced her beloved Shakespeare. “She never put a mark in any of her books. They were far to precious to her.”’
■ Caroline Graham, The Killings at Badger’s Drift (1987; 2007), pp. 164-165.

♦♦♦

Haar enthousiasme werkt aanstekelijk. Ze wekt bovendien de indruk dat ze 24 uur per dag aan het werk is. Klopt dat?
Als ik ’s avonds thuiskom, geef ik eerst mijn dochtertje te eten en doe haar in bad. Daarna ga ik nog even lekker werken. Maar dat voelt niet als werken, hoor. Ik lees met veel plezier een wetenschappelijk artikel. Als iemand een boek gaat lezen voor zijn lol, zeg je ook niet: Doe dat nou niet.
■ Uit een interview met Eveline Crone, in: Elsevier Thema Studeren, oktober 2009.

♦♦♦

gloeilamp... leeslamp...

De gloeilampen in mijn huis fluisteren me toe: als jij nu blijft afzien van, bijvoorbeeld, een afwasmachine, of een droogtrommel — energieslurpers —, mogen wij dan voor goed leeslicht blijven zorgen? Nee dus: Europa heeft het licht gezien, en daarmee het licht in mijn huis uitgedaan...

♦♦♦

Gelezen, als handtekening in een e-mailbericht: ‘Le Livre charme dans la prospérité;
Le Livre console dans l'infortune.’ Ik verdenk de schrijver ervan deze charmante spreuk zelf bedacht te hebben.

♦♦♦

love my bookshop [foto monique bullinga]Een van mijn favoriete boekhandels is, sinds zijn ontstaan ongeveer 15 jaar geleden, De Boekenmarkt in Den Haag. Vijf vrouwen runnen de zaak, en zij bieden uitgeversrestanten aan tegen aantrekkelijke prijzen. Boeken kunnen uiteraard online besteld worden, maar een extra service is dat zij elke maand een greep uit het aanbod per post versturen. Onlangs werd in deze catalogus bij wijze van experiment een Forum geopend, waar voor lezers interessante zaken gesignaleerd worden. In de tweede aflevering is ‘De lezende kip’ vermeld. Yes, I love My Bookshop... [Zie ook boekplaatjes: 1994 was een goed jaar voor de boekhandel.]

♦♦♦

‘Ik voelde me al een stuk beter. Boekwinkels hebben op mij het effect van tranquillizers en antidepressiva. De meisjes waren vertrokken zonder dat ik het had gemerkt. Nu waren we alleen, Ottavio en ik. Ik liep naar hem toe.
“Hallo, Guido. Hoe gaat het met je?”
“Met mij gaat het prima. Wat heeft die politieagent gekocht?”
“Dat geloof je niet.”
“Zeg het maar.”
Ononderbroken poëzie.”
“Van Eluard?” vroeg ik stomverbaasd.
“Ja. Jij bent waarschijnlijk een van de drie advocaten in de wereld die dat boek kennen. En hij de enige politieagent.”
“Die zal het niet ver schoppen.”’

‘“Er zijn mensen die zich nergens voor schamen,” zei ik.
“Je hebt geen idee hoeveel. Ik kan echter niet kwaad worden op mensen die proberen boeken te stelen. Ik heb er zelf ook zoveel gestolen. En jij?”
Ik zei dat ik nooit een boek had gestolen. Niet echt gestolen. Maar ik had er wel veel gelezen in de boekwinkel, zonder ze te kopen. Niet in zijn winkel, voegde ik er snel aan toe.’
■ Gianrico Carofiglio, Gerede twijfel (2009), respectievelijk p. 117 en p. 120. [omhoog]

♦♦♦

‘In 1959 I married Jo Ballard Scott, of Florence, South Carolina. Jo spent our marriage reading Proust and Gibbon. Proust she read in French, in the Pléiade edition.
That was fine with me. I was happy to have a wife who read Proust and Gibbon, rather than, say, Ladie’s Home Journal.
Jo came to the end of those great works about the time we came to the end of our marriage [...].’
■ Larry McMurtry, Books: A Memoir (2008), p. 49.

♦♦♦

‘Her boss, she said, had heard that I had a really good library.
I acknowledged that I did indeed have a good library.
What her boss would like, she said, was for us to sell him three copies of every book in my library.
Whoa!
“Why three?” I asked.
“One for him and one for each of his daughters,” she replied.
His two daughters were, at the time, both under six.
I mentioned that it had taken me forty years to assemble my library; and, I added, burdening young children with thousands of books was the surest way to make them hate reading, in my opinion.’
■ Larry McMurtry, Books: A Memoir (2008), p. 253. De vader om wie het gaat kocht een paar jaar geleden, in 2002, een witte truffel voor 35.000 dollar. Of de aankoop van de boeken is doorgegaan blijft onbekend.


[omhoog, naar de sitemap of naar entree]

Nota Bene ‘De lezende kip’, een moderne, in 1992 gemaakte gevelsteen in Amsterdam, is overgenomen van dutchhistory/amsterdam.