François Rabelais

Rondom Montaigne


Behalve Rabelais reken ik Montaigne tot mijn vrienden. Op deze website over Rabelais is dus een bescheiden pagina vrijgemaakt voor boeken- en overig nieuws die ándere grote zestiende-eeuwer betreffende, als onderdeel van de lezende kip.
[terug naar de lezende kip, naar entree of naar de sitemap]
 

montaigne detebe klassiker essais 1996

Dit fraaie portret (anoniem, 17de eeuw) siert een Duitse vertaling van de Essais: Essais [Versuche] nebst des Verfassers Leben nach der Ausgabe von Pierre Coste ins Deutsch übersetzt von Johan Daniel Tietz [1753-1754]. Winfried Stephan ed. (3 dln., Diogenes Verlag, Zürich 1996)

Inhoudsopgave

Montaigne Online
Montaigne Actueel
De toren van Montaigne
Piet Offermans, ‘Tour à la Tour’
Ed Schilders, ‘Hoofd
 

Montaigne online

Introductie Vanzelfsprekend is er online ook over Montaigne heel veel te vinden. Om de weg niet meteen al kwijt te raken: een uitstekende introductie tot zijn leven en werk biedt de Stanford Encyclopedia of Philosophy. Een goede algemene site is die van de Société Internationale des Amis de Montaigne.

Essais De ‘Texte des Essais d'après l'Exemplaire de Bordeaux (édition Villey-Saulnier)’ en de ‘Texte des Essais d'après l'édition posthume de 1595 publiée par Marie de Gournay’ zijn te vinden op de website van de Universiteit van Chicago. Deze rijke site biedt eveneens een fraaie reeks portretten van Montaigne. De eerste vier jaargangen (1989-1992) van de Montaigne Studies zijn er als pdf gratis te downloaden. Philippe Desan leidt het redactieteam; tot de leden ervan behoort ook Paul J. Smith, lid van ‘Fay ce que vouldras’ (zie fcqv), en met A.E. Enenkel verantwoordelijk voor de bundel Montaigne in the Low Countries.
♦ Heel handig is de hertaling in modern Frans die Guy Jacquesson alias ‘de Pernon’ maakte; zie Pernon.

Vertalingen Florio en Charles Cotton vertaalden de Essais, respectievelijk in 1603 en 1685. Hun vertalingen, zoveel mag duidelijk zijn, nodigen uit tot kijken en vergelijken; inmiddels is er ook een doorzoekbare Florio

Van Pinxteren Een interview met Hans van Pinxteren, onvolprezen vertaler van de Essais in het Nederlands, is te lezen op klassieken.nl, en een uitgebreid artikel / interview door Klaas van der Hoek staat in het Nieuw Letterkundig Magazijn (2001).

Visite Chateau Montaigne biedt een driedimensionale visite van de fameuze ‘Tour’ waar hij zijn Essais schreef. De beroemde spreuken aan de balken zijn gek genoeg niet in de rondleiding opgenomen, maar zie bijvoorbeeld de sentences, of het overzicht dat de Amis de Montaigne bieden.

Divers Op litterature audio is een aantal essays als mp3 te downloaden.
 

Actueel
 

montaigne theologie naturelle 1581

De Gordon-collectie geeft in facsimile La théologie naturelle de Raymond Sebon, in de vertaling van Montaigne [maart 2010].

♦♦♦

Mededeling van Philippe Desan (zie elders op deze pagina): ‘Le volume XXII (2010) des Montaigne Studies intitulé “Montaigne et le Nouveau Monde” (Montaigne and the New World) est sous presse et sera envoyé durant le mois de février. Le volume XXIII (2010), dirigé par Paul Smith (Université de Leyde), aura pour thème “Translating Montaigne”.’ ♦ Met dat tweede 2010 wordt waarschijnlijk 2011 bedoeld. Zie verder op de site, waar alle nummers ook te bestellen zijn.

♦♦♦

Marc Foglia publiceerde een paar dagen geleden (2 december 2009) een herziene versie van zijn artikel ‘Michel de Montaigne’ in de Stanford Encyclopedia of Philosophy.

♦♦♦

sarlat la boétie standbeeld [foto monique bullinga 2009]


sarlat la boétie geboortehuis 1  [foto monique bullinga 2009]

sarlat la boétie geboortehuis [foto monique bullinga 2009]

♦♦♦

‘“Shake-scene or Shakebag or Shakeshaft, it’s all one today,’ said Southampton. “Today is a nameless day. It is so cold and dull it deserves no name.” And he pouted at the dying fire. The dark Italianate man now said:
“Though perhaps it is from Jacques Père, a French name. Perhaps he is of French blood. He has a French look about him.” He looked coldly at WS as though he were a butterfly, something to be described, speculated of, perhaps caught and pinned to paper, but in no wise to be adressed directly.
“Oh, Florio here is mad on French things,” said Southampton, smiling indulgently. “He has done all this man Montaigne into English. Give him a penny and he will dole you out a tasty gobbet of gloomy French wisdom any time. Is that not so? Give us something now and you shall have a penny when my mother deigns to dig in her fisc for my spending-money.”
La vie est une songe,” said Florio promptly. “Nous veillons dormants et veillants dormons.” He looked WS straight in the eyes as he said it, but it was as if the eyes were already dead.
“Well, Jacques Père,” said Essex, “will you translate for us?” His tipsy eyes mocked.
“Oh, my lord, Devereux is an older French name than mine own. And your lordship is, I think, but newly come from France. Your lordship will know all about French penny-worths.” Southampton laughed, a girl’s laugh.
“Life is a dream,” said Florio, without expression. “We wake sleeping and —”
“Aye, aye, we know all that,” said Southampton rudely. “We are tired of Montaigne.”
“As he was of the world. Well, he has left it now.”’

Anthony Burgess, Nothing like the sun. A story of Shakespeare’s love-life (1964; 1996), p. 92.
Het door Florio gegeven citaat komt uit de ‘Apologie de Raimond de Sebonde’ (Les Essais II,xii; p. 633 in de door Balsamo, Magnien en Magnien-Simonin bezorgde editie uit 2007). Het eerste deel ervan, ‘La vie est un songe’, is een bedenksel van Burgess zelf niet vreemd, gezien de context.
John Florio (ca. 1553 - 1625) vertaalde Montaigne’s Essais in het Engels (1603), daartoe aangemoedigd door enkele van zijn mecenassen, onder wie Henry Wriothesley, 3rd earl of Southampton, die als bekend ook een grote rol in het leven van Shakespeare speelde. Nadat enkele generaties Engelse dichters en geleerden via Florio Montaigne hadden leren kennen, raakte hij in de vergetelheid toen in 1685 een nieuwe vertaling verscheen, van Charles Cotton (1630-1687). Diens proza was ‘simple, claire, moins fleurie, et certainement plus exacte que celle de Florio’, aldus P. Desan in de door hem geredigeerde Dictionnaire de Michel de Montaigne (2007). De ‘beauté et l’idiosyncrasie’ van Florio’s vertaling werden echter herontdekt in de twintigste eeuw (J. Phillips, in idem). Op p. 347 van de Florio-vertaling is het bewuste citaat te vinden als: ‘We wake sleeping, and sleepe waking.’
In de door Ben R. Schneider bezorgde en doorzoekbare [!] editie is de laatste e in sleepe verdwenen. Het is gissen naar de zwaarte van de redactionele ingrepen, die jammer genoeg niet worden verantwoord.

♦♦♦

♦ Nieuw: Maria Protopapas-Marneli, Montaigne. La vigueur du discours sur une influence de rhétorique stoïcienne dans les Essai (2009).
♦ In februari 2009 verscheen The Fabulous Imagination. On Montaigne’s Essays, door Lawrence D. Kritzman. Een paar blurbs en summiere informatie over de auteur op de site van Columbia UP, de uitgever.
♦ Het laatste nummer van Montaigne Studies (XXI 1-2 2009) heeft als thema ‘Montaigne et les philosophes’. Zie Montaigne Studies voor de inhoud.

♦♦♦

diski apology1In Apalogy for the Woman Writing (2008) is Marie Le Jars de Gournay (1565-1645), ‘fille d’alliance’ ofwel literair erfgenaam van Montaigne, de hoofdpersoon. De Britse auteur Jenny Diski heeft zich aan een mengeling van feit en fictie gewaagd, en het resultaat mag over het algemeen zeer geslaagd worden genoemd. Diski schrijft in een soepele stijl, soms met ontroerende passages, en het boek is uit voor je er erg in hebt.

Alhoewel het feitelijke beeld dat zij schetst van Marie de Gournay overeenkomt met het weinige dat we van haar weten, komt zij als romanpersonage niet altijd even geloofwaardig over. Voor de feiten, waar die bekend zijn, leunt Diski sterk op Marjorie Henry Ilsley’s A daughter of the Renaissance. Marie le Jars de Gournay. Her life and works (1963). De rest ontspruit uiteraard aan Diski’s verbeelding. En juist daarover ben ik minder te spreken. De schrijfster zelf over de relatie feit/fictie in haar boek:

‘All the interaction between the two [Montaigne en Marie de Gournay] is muddy, and I have taken wat she [Gournay] said and then invented one version out of a large number of possible interactions. On the whole I have kept to historical events and timings. That would be the historical bit. The rest is the novel.’

De verhouding tussen de twee, feit en fictie, is een wat stroeve. Het lijkt alsof de romanschrijfster Diski steeds in conflict kwam met de onderzoekster. Zij schetst een beeld van Marie de Gournay dat voor het grootste deel verzonnen is, zeker, maar dat onwaarachtig overkomt. Diski’s Marie is een hysterica pur sang, heerszuchtig en onsympathiek daarbij. Montaigne haast zich (in dit boek) dan ook om Marie’s ‘infantile ravings and overwrought behaviour’ te vergeten. Ergens anders wordt zij ‘an hysterical and downright dangerous admirer’ genoemd. En natuurlijk grijpt Diski gretig het incident met de haarspeld aan, prachtig materiaal immers voor een romanschrijver. Omdat het een goed voorbeeld is van wat mij een beetje tegenstond in Diski’s beeld van Marie laten we eerst Montaigne (Essais I.xl) aan het woord, en dan volgt het citaat uit Diski (pp. 89-90):

‘[...] j'avois veu peu auparavant une fille en Picardie, pour tesmoigner l'ardeur de ses promesses, et aussi sa constance, se donner du poinçon, qu'elle portoit en son poil, quatre ou cinq bons coups dans le bras, qui luy faisoient craquetter la peau, et la saignoient bien en bon escient.’

‘Look,’ she cried, and reaching behind her head, pulled out the long silver pin that kept the braid of hair rolled against the nape of her neck. ‘I’ll prove it to you. I’ll prove my seriousness, and my constancy. I’ll prove my love and admiration for you and your work.’
As she spoke, she stabbed at the inside of her forearm repeatedly with the pointed end of the hairpin, until, to Montaigne’s horror, rivulets of blood flowed freely down to her wrist and dripped to the floor from the tips of her fingers. ‘I devote my intellect to you...’ she cried, now in trance of classical drama. ‘I dedicate my blood and my life to you. I am your lifelong disciple. Where you go, I will follow...’ the drama taking a biblical turn. ‘Teach me, make me your pupil, your disciple...’

Geen wonder dat Montaigne ‘terrified’ was! Door de manier echter waarop Diski deze steeds genoemde anekdote verwoordt, en door de hysterische scènes waar we al eerder getuige van zijn geweest, gaat de lezer een een steeds grotere hekel krijgen aan deze literaire peetdochter van Montaigne. Het wordt er verderop in het boek niet beter op: eigenlijk is Marie een raar, onaangepast mens, suggereert de auteur. Maar zo ontneemt zij de lezer de mogelijkheid zich te vereenzelvigen met de heldin van het verhaal, en is dat niet de diepste bedoeling van elke roman?

De beschrijving van de liefde die haar dienstmaagd Jamyn voor Marie voelt en van hun volstrekt ongeloofwaardige seksuele relatie (Marie doet alsof ze slaapt, Jamyn hutseklutst wat aan) had een goede redacteur eruit moeten gooien. Vind ik. Die héle dienstmaagd trouwens, ze maakt het boek alleen maar onevenwichtiger.

Er wordt veel aandacht besteed aan de benarde financiële omstandigheden waarin Marie zich staande moet houden als alleenstaande intellectuele vrouw, een status die in die tijd en nog lang daarna ongehoord was. Maar haar inspanningen om Montaigne’s werk voor de vergetelheid te behoeden komen er wat bekaaid van af. Jammer, en tegelijkertijd begrijpelijk. Jammer, omdat hiermee ‘spelenderwijs’ een stukje intellectuele en boekgeschiedenis gegeven had kunnen worden; begrijpelijk, omdat het één nu eenmaal meer drama oplevert dan het ander. Bovendien: voor een appreciatie van Marie de Gournay als editor zijn er andere podia — enkele door Diski zelf genoemd.

Kortom: zeker lezen, deze door de schrijfster zelf met enige aarzeling ‘historical novel’ genoemd, maar geloof gewoon niet dat Marie de Gournay in het echt zo’n hysterica was. Waarom wel?

♦♦♦

‘Les editions des Essais de Montaigne ne manquent pas. Mais qu'elles soient “savantes” ou qu'elles se prétendent “grand public”, elles n’offrent pourtant que le texte original, plus ou moins “toiletté”, et force est de constater que les Essais, tant commentés, sont pourtant rarement lus.... C’est que la langue dans laquelle ils ont été écrits est maintenant si éloignée de la nôtre qu'elle ne peut plus vraiment être comprise que par les spécialistes.’

Om hier iets aan te doen hertaalde Guy de Pernon Montaigne in modern Frans, gaf de Essais (ed. 1595) niet alleen uit in een papieren editie (3 dln., € 18,- per deel), maar stelde ze ook digitaal beschikbaar, op hyperlivres. Boek I, II en III zijn als pdf te downloaden; I en II zijn ook online te lezen (III komt): wie het wat lastige gebruikersinterface voor lief neemt kan het oorspronkelijke met het modern Frans vergelijken. Bovendien is de uitgave geannoteerd, en met verschillende kleuren worden Montaignes latere toevoegingen weergegeven.

Pierre Assouline besprak de hertaling op zijn literaire blog (21 oktober 2008).

♦♦♦

pernon montaigne & chat [foto h. zerdoun]

 ‘Avec ma traduction, même un chat peut lire Montaigne!’

♦♦♦

‘Philippe Desan, professor or Romance languages and literatures at the University of Chicago, is leading an effort to save one of the great manuscripts of Western literature: A 1588 copy of Michel de Montaigne's Essais that contains extensive notes and corrections in the handwriting of the author. Under the auspices of the Montaigne Project, Desan has overseen the creation of a DVD version of the book that will allow students and researchers to study each page in a level of detail never before possible. In an interview with Fathom, Desan discusses the new avenues of research made possible by digital technology and the roles that luck and French politics have played in the preservation of the manuscript.’

Het interview met Desan dat op deze opening volgt is te lezen op ‘fathom, the source for online learning’.

♦♦♦

Bij Droz in Genève verscheen, onder redactie van Philippe Desan, ‘Dieu à nostre commerce et societé’: Montaigne et la théologie (2008). In deze uitgave zijn de bijdragen gebundeld aan een symposium in maart 2007 aan dit onderwerp gewijd. Het boek telt 312 bladzijden en kost € 65,27. Uit de fondscatalogus:

‘Religion occupies an important place in the Renaissance and it would have been impossible for Montaigne not to comment on the theological and dogmatic quarrels of his time. Montaigne situates religious practices in the context of the religious wars and finds that, too often, we “bring God’s name into our affairs or our society” (I,56). He ponders on the theological foundations of all religious forms and is concerned that our soul is not exempt of revenge or resentment. This collection of articles addresses the various aspects of theology and religious practices in Montaigne’s works, investigating the complex problem of what has been called “Montaigne’s religion”.’

♦♦♦

Onlangs verschenen: Philippe Desan, Montaigne. Les formes du monde et de l'esprit (Presses universitaires de Paris-Sorbonne, coll. ‘En toutes lettres’, Parijs 2008).

♦♦♦

dictionnaire montaigne 2007

In 2004 verscheen onder redactie van — alweer — Philippe Desan een Dictionnaire de Michel de Montaigne, waarvan in september 2007 een herziene en uitgebreide herdruk uitkwam. Deze was vrijwel onmiddellijk uitverkocht, maar is inmiddels (januari 2008) weer beschikbaar. Het gaat om een schitterend, indrukwekkend boek, zowel wat inhoud als wat omvang betreft. In meer dan 1200 pagina’s hebben 120 Montaigne-deskundigen uit 14 landen hun bijdragen geleverd. De 749 (!) lemma’s brengen de lezer op de hoogte van de laatste stand van zaken in het Montaigne-onderzoek; kruisverwijzingen en korte bibliografieën completeren het geheel, en verschillende indexen vergroten het leesgemak.

Uiteindelijk, zo besluit Desan zijn pragmatische inleiding, moet de Dictionnaire weer naar de Essais zelf leiden, eventueel indachtig de wijze waarop Montaigne zelf omgaat met zijn boeken:

‘Ik scharrel uit boeken de gezegdes bijeen die me aanstaan, niet om ze op te slaan, want opslagruimte heb ik niet, maar om ze over te hevelen naar mijn boek; en hier zijn ze, eerlijk gezegd, al evenmin van mij als op hun vindplaats. Wij kunnen, naar mijn mening, alleen maar wijs zijn in de kennis van het heden, niet in die van het verleden, en ook niet in die van de toekomst.’
I.25, ‘Over schoolfrikken’, in de vertaling van Hans van Pinxteren (2000).

♦♦♦

Voor ‘Fay ce que vouldras’-lid Paul J. Smith was 2007 wat de twee zestiende-eeuwers betreft een vruchtbaar jaar. In de Dictionnaire zijn drie bijdragen van zijn hand opgenomen: hij bespreekt de familie Le Paulmier, de receptie van Montaigne in ons land, en Pieter van Veen. Over de laatste gaat zijn artikel ‘“Son dire au faict de la langue francoise est admirable”: Pieter van Veen, lecteur de Montaigne’, in:
F. Giacone ed., La Langue de Rabelais et de Montaigne (2007). De bundel Montaigne and the Low Countries verscheen eveneens in dit jaar.
Nogmaals Montaigne in ‘Troostbrieven bij Plutarchus, Montaigne en Céline’, in Hermeneus 80 (2008), pp. 101-105.

♦♦♦

montaigne studies xx

Nummer XX (2008) van Montaigne Studies is uit; bestellen kan hier. Uit de inhoud:

— Philippe Desan, ‘Les protobiographies de Montaigne aux XVIIe et XVIIIe siècles: Scévole de Sainte-Marthe, Bouhier, Dom Devienne, Talbert, La Dixmerie, Lamontagne, Bourdic-Viot’
— Cathleen M. Bauschatz, ‘Grace Norton and Pierre Villey: Transatlantic Partners in Montaigne Studies’
— Dórothea Heitsch, ‘Wilhelm Weigand’s Montaigne’
— David Lewis Schaeffer, ‘Arthur Armaingaud: Montaigne as Liberal Rationalist’
— Jean Balsamo, ‘Montaigne avant Montaigne ou les scénarios de Roger Trinquet’
— Marc Schachter, ‘Presentation of a Newly Discovered Manuscript of La Boétie’s Discours de la servitude volontaire and Hypotheses on the Datation of the BnF Manuscripts’.

Het tijdschrift is — gedeeltelijk — aanwezig in de UB van de UVA en in Leiden; de laatste leent het ook uit.

♦♦♦

Voor de ‘Cinquantenaire de la fondation du Centre d’Études Supérieures de la Renaissance (1956-2006)’ is juli 2006 een congres gehouden met de zeer ruim te interpreteren titel ‘Hasard et Providence, XIVe – XVIIe siècles’. Waar gaat het over? Organisator Marie-Luce Demonet:

‘A un grand colloque, il fallait une grande question: celle des fins dernières, du hasard et de la nécessité nous a paru en adéquation avec un moment de réflexion sur nos activités passées et sur ce que l’avenir pourra réserver aux lettres, aux artes et à la réflexion historique en général. Nous essayons de ne pas figer les frontières habituelles entre les disciplines et de conserver au mot “Renaissance” son acception large et fédératrice, sans oublier son contenu potentiellement problématique.’

Of zij daar, met de talloze sprekers, in geslaagd is kunt u zelf beoordelen. Want niet alleen het programma en de samenvattingen zijn zó oproepbaar, het hele congres-programma is op video te zien. Zonder meer fantastisch, én fascinerend om lieden te horen spreken en te zien die je tot dan alleen op papier, als Renaissance-, Rabelais- en/of Montaigne-deskundige kende.
Montaigne is het onderwerp van vier bijdragen, waaronder een van de op deze pagina vaker voorkomende Philippe Desan: ‘“Le hazard sur le papier” ou la forme de l’essai chez Montaigne’.
Rabelais ontbreekt evenmin. Glaude Gaignebet spreekt over ‘Bridoye et le jeu de l’oie’, en de schattige rechter komt ook voor in Stéphan Geongets ‘Elections “à troys beaulx dez” dans le droit de la Renaissance’ (zie ook in geschrifte nr. 15). In ‘Les monstres et la question des causes’ van een andere bekende uit de Rabelais-vorsing, Michel Jeanneret, speelt Rabelais eveneens een rol; zie de bovengenoemde samenvattingen voor meer.

♦♦♦

In een interview met Montaigne-kenner Philippe Desan, verbonden aan de universiteit van Chicago, vertelt deze onder meer over de politieke en technische moeilijkheden die hij tegenkwam bij zijn project een reproductie in kleur van het ‘exemplaar van Bordeaux’ te realiseren. Zowel in boekvorm als op dvd is dit unieke werk, half boek, half manuscript, inmiddels beschikbaar voor iedereen die zich de aankoopprijs kan permitteren. [Help! Sponsors gezocht!]

♦♦♦


En toen lag daar opeens de door Paul J. Smith en Karl A.E. Enenkel samengestelde bundel Montaigne and the Low Countries (1580-1700) (2007) in de bus. Een schitterend boek, waarin voor het eerst ruim aandacht wordt geschonken aan het fortuin van Montaigne in onze contreien. Letterkundigen en (kunst-)historici bespreken onder andere de relatie tussen Montaigne en Erasmus; lezers van de Essais als Baudius, Coornhert en Hooft passeren de revue, evenals Maria Heyns die in 1647 een ‘bloemvertaling’ maakte; Cats komt langs en zelfs afbeeldingen krijgen een ruime plaats toebedeeld. Kortom, voor liefhebbers van Montaigne een must.


♦♦♦

Meer groot Montaigne-nieuws. In mei 2007 verscheen in de Pléiade-reeks van Gallimard een nieuwe editie van de Essais, onder redactie van Jean Balsamo, Catherine Magnien-Simonin en Michel Magnien. (De laatste schreef een boeiend essay over ‘Montaigne et Erasme: Bilan et perspectives’, opgenomen in boven-genoemde bundel.) Voor goede, inhoudelijke informatie over deze uitgave is er de aankondiging op fabula essais. Tegelijkertijd werd het Album Montaigne uitgebracht; zie fabula album. Alhoewel normaal niet te koop — je krijgt de zeer geliefde albums cadeau bij aanschaf van drie delen in de Pléiade-reeks — is het bij Athenaeum Boekhandel in Amsterdam voor een schijntje verkrijgbaar.

♦♦♦

In een interview met Gaston Gallimard (Le Figaro Litteraire) mooi nieuws over de onlangs opnieuw in de ‘Pléiade’ uitgebrachte Montaigne (zie ook hierboven):

De quoi êtes-vous le plus fier, lorsque vous vous retournez sur ces années passées à la tête de l'entreprise familiale?
‘D'avoir préservé la “Pléiade”. J'étais inquiet pour cette collection. Et aujourd'hui je suis heureux d'avoir pu tenir un certain niveau d'excellence, par exemple en publiant une édition de référence de Montaigne qui s'est très bien vendue. Je suis toujours épaté lorsque je vends un livre de qualité : je me dis que c'est un miracle. Le métier d'éditeur est fait de petits miracles.’

♦♦♦♦♦♦
 

De toren van Montaigne

In 2007 stonden we voor een gesloten deur, maar zes jaar eerder, in 2001, konden we exclusief genieten van de bibliotheek in de toren waar Montaigne zijn Essais schreef. Hieronder de impressie van Piet Offermans, geschreven voor Faicts & Dicts 24 / augustus 2001, en de column van Ed Schilders voor de Volkskrant.

toren montaigne [foto monique bullinga 2001]

spreuken toren montaigne [foto monique bullinga 2001]


‘Tour à la Tour’
door Piet Offermans

Saint-Michel-Montaigne. Dat lijkt in twee opzichten te veel eer. De bewieroking van de‘grootste Franse humanistische filosoof’ laat weliswaar een geur van heiligheid na, maar een officiële canonisering in de plaatsnaam? En ook klinkt ‘montagne’ wat fors voor het molshoopje waarop het kasteel ligt dat overgrootvader Eyquem in het bezit van de familie bracht. Daarom gauw deze misverstanden uit de weg geruimd. Het kasteel van de Eyquems behoorde tot de parochie Saint-Michel; na de Franse Revolutie heette de gemeente Saint-Michel et Bonnefare, en pas aan het eind van de negentiende eeuw hebben ze de heilige Michael en de grote schrijver aan elkaar geplakt. En wat ‘montagne’ betreft: ’t is maar van welke kant je het bekijkt. Hier grenzen de departementen Dordogne en Gironde aan elkaar. De gorges van de Dordogne gaan over in de platte pannekoek van de Gironde en voor een Girondijn is iets dus al gauw een berg.

Wij kwamen uit het oosten, uit de Dordogne. Dat is uit toeristiek oogpunt een verschrikkelijk oord want ook buiten het seizoen sterft het er van de overjarige kanovaarders en kijkmensen. Op weg naar Saint-Michel-Montaigne moesten we natuurlijk Sarlat aandoen; daar staat het zestiende-eeuwse huis in renaissancestijl van de dichter Etienne de la Boétie, de ‘dierbaarste, schranderste, beminnelijkste en volmaaktste’ vriend van Michel de Montaigne, en op een parkeerterrein bevindt zich diens standbeeld, tenminste, dat staat in de gids, want tussen al dat blik bleef het beeld voor ons onvindbaar.

Ten zuidwesten van Sarlat is de gorge van de Dordogne op zijn pittoreskst, dus moet je je daar tussen namaakgrotwoningen en stalletjes van kunstnijverheidstypes door wurmen en trachten te voorkomen dat je de behaarde spillebenen van meergenoemde kanovaarders op het droge aanrijdt. Waar de Vézère uitmondt in de Dordogne bereikt de hekel aan het genus mens een piek. Want hier staat het zich werkelijk massaal te vergapen aan zijn oorsprong (Les Eyzies, Lascaux), terwijl het echte spektakel al 40 jaar geleden hermetisch is afgedicht voor het publiek. Een verademing is dan het redelijk platte land ten westen van Bergerac met een sliert kleine industrieën langs de grote weg en wijnvelden daarachter. Maar de drommen toeristen achter onze rug hadden ons kopschuw gemaakt en we bezwoeren elkaar: niet in de rij gaan staan, zelfs niet voor Montaigne; meteen wegwezen.

Saint-Michel-Montaigne ligt maar een paar kilometer van de weg Bergerac-Bordeaux, maar ’t kost tijd om er te komen. Kronkel, kronkel, en liever geen tegenliggers. Het dorpje zelf: een kerk (vijftiende eeuw), een paar woonhuizen, een paar boerderijen, en een kroeg, tevens Syndicat d’Initiative. ’s Middags 1 uur: uitgestorven. Oprijlaan naar het (onzichtbare) kasteel, hek dicht. 2 uur: openingstijd middagbezoek (visite guidée): geen beweging. 2.05u: er stopt een auto bij het hek, een heer stapt uit, ziet twee wachtende mensen bij het hek, vermoedt visiteurs en benadert ons. Wat blijkt? We hebben de eer met M. le Vice-Président van de Societé van plaatselijke Montaignevrienden. En eh, u komt van... Helemaal uit Holland? Na 20 minuten hadden we menig adres (waaronder op internet, jawel), een persoonlijke uitnodiging voor een Montaignefestival in 2002 en we moesten vooral eens langskomen. Maar het hek was nog steeds dicht. Of we misschien...? Mais oui, oh pardon.

De heer rijdt weg, ergens naartoe. Na 10 minuten scheurt een besteleend over de oprijlaan op ons af, een mediterrane slungel opent het hek, wijst woordenloos in de enig mogelijke richting en ronkt verder. Nou ja, de auto op de parkeerplaats voor bezoekers gezet (3 plaatsen), naar het chateau gelopen en aan de voet van de beroemde Tour postgevat. Daar verschijnt opeens uit het niets genoemde slungel en wij bemerken overduidelijk dat ze in Frankrijk ook ’s middags graag knoflook bij de warme maaltijd gebruiken en daarbij de wijn niet schuwen. In een langzame, gedisciplineerde maat, zoveel mogelijk het beheer houdend over het eigen verhaal, vertelt de gids/kasteelbeheerder iets vaags over een plantenperk in de vorm van Montaignes wapen (om te laten zien dat we het begrijpen schieten we er een foto van) en stuurt hij ons dan op een wandelingetje rond het kasteel: dat is de buitenvisite. Een mooi panorama en een vriendelijke ezel zijn het resultaat.

tour montaigne 2001 [foto monique bullinga 2001]

Terug bij de toren zien we waar de gids uit voortkomt. Hij duikt, schijnbaar zonder aanleiding, uit een kasteelpoort op. En nu drukt hij ons plechtig, met welgekozen woorden, de grote sleutel van de Tour in de handen. Een blijde ervaring: een zonovergoten binnenplein van het kasteel van Montaigne, in de schaduw van een grote plataan, de totale stilte alleen doorbroken door zachte woorden die in het gelid trachten te blijven, en verder geen mens, geen hond om ons heen. Rijen bezoekers gevreesd, onder wie digitaal tot de tanden gewapende Japanners. Niemand! Een visite guidée is libre service geworden.

Als we de sleutel in de torendeur steken heeft het kasteel de gids alweer opgeslokt. De woontoren van Montaigne is werkelijk de pelgrimage waard. Zo authentiek als de pest, op enkele details na (zie verder). Op 28 februari 1571 heeft Montaigne op de muur van zijn bibliotheek deze inscriptie laten aanbrengen:

“Achtendertig jaar oud, op de vooravond van de eerste dag van maart, verjaardag van zijn geboorte, komt Michel de Montaigne die allang geen plezier meer beleeft aan de dienstbaarheid aan het Hof van het Parlement en aan zijn overheidstaken, hier in vrede en veiligheid rust zoeken aan de boezem der maagdelijke geleerdheid; hier zal hij de levensdagen doorbrengen die hem nog resten. En met de hoop dat het lot hem zal toestaan dit verblijf te perfectioneren, wijdt hij deze heerlijke patriarchale retraite aan zijn vrijheid, zijn rust en zijn genoegen.”
(Vertaling Pierre H. Dubois, in: idem, Schrijvers in hun landschap, 1983)

Die sfeer van genoeglijke rust en vrijheid van de gepensioneerde die alle tijd heeft en neemt voor zijn wetenschappelijke hobby (met excuses) hangt nog steeds in de drie verdiepingen van de woontoren. In de kapel op de begane grond, met zijn sobere huisaltaar en een gerestaureerde muurschildering. In het woonappartement op de eerste verdieping waar Montaigne ook sliep, met een prachtige, zeer smalle, in de muur uitgehakte nis met zicht op de kapel, waarin hij kon gaan zitten om de mis te volgen als hij geen zin had om gezien te worden. Maar het gaat natuurlijk om de bovenste etage, die Montaigne de derde noemt omdat hij de kapel op de begane grond als de eerste telt. In deze bibliotheek/werkkamer zijn de Essais ontstaan, bewerkt en aangevuld. In deze ronde torenkamer bevinden zich ook de meest onvergankelijke en tastbare sporen van zijn aanwezigheid in de vorm van de Griekse en Latijnse citaten die hij op de eiken zolderbalken heeft laten aanbrengen (zie foto).

Boeken waren voor Montaigne van levensbelang. Hij heeft zich in zijn librairie naar eigen zeggen omgeven met duizend boekdelen die in kasten tegen de ronde studeerkamerwand om hem heen lagen. Daar is er geen een meer van aanwezig: weggeschonken door zijn dochter. Het enige wat rest is een paar haken waarmee de kasten aan de wand vastzaten. Zo is er meer wat helaas verdwenen of aan het verdwijnen is. Geschilderde spreuken, wandschilderingen, fresco’s. Uiteraard meubels en gebruiksvoorwerpen. Maar de bloemlezing uit de bijbel en de klassieke literatuur, de spreuken op de balken zijn gebleven!

Veel erger is, ik kan het niet laten, wat er later is bijgekomen. Als eerder al gemeld heeft dat het geboortehuis van Montaignes oudere eeuwgenoot Rabelais, La Devinière bij Chinon, tot een historische aanfluiting gemaakt. En ook in de Tour van Montaigne hebben ze het niet helemaal kunnen laten. Wat Fransen met bedden hebben weet ik niet. Dat van Montaigne is verdwenen, maar er staat weer zo’n geval pontificaal te pronk. Alles uit de kast gehaald om een vergelijkbaar exemplaar op de kop te tikken, vermeldt een begeleidende tekst trots. Waarom dan de boekenkasten niet nagemaakt, of de pispot? Maar echt grof is de meneer die op de zetel achter een schrijftafeltje in de bibliotheek zit en naar de lege wand tegenover hem staart. Hij moet de grote filosoof Michel de Montaigne voorstellen, heeft achteloos een hoed op het achterhoofd geschoven gekregen en in zijn hand een schrijfstift die naar boven wijst. Deze meneer is van piepschuim.

In Montaignes tijd al voltooiden veel- en minderbelovende zonen van welgestelde ouders met humanistische aspiraties hun theoretische opleiding vaak met een soort veldstage. Die Grand Tour leidde in elk geval naar Italië. Vader Pierre Eyquem had geld genoeg maar Michel prefereerde na zijn rechtenstudie toch een juristenbaan bij het gerechtshof van Bordeaux. Pas veel later, na de eerste publicatie van zijn Essais, toen hij naar eigen zeggen gepensioneerd was, is hij aan zíjn tour begonnen, door Duitsland, Zwitserland en Italië, om de zinnen te verzetten en ook een beetje voor zijn gezondheid. Ik schaam me om het te bekennen, maar ik voelde een lichte verwantschap. Gepensioneerd, en in het kielzog van mijn reisgenote onderweg om mijn culturele ontwikkeling wat up te graden. Mijn tour naar de Tour van Montaigne.
 

gravure uit de 19de eeuw [met dank aan ed schilders]

 

Hoofd
door Ed Schilders

‘Hij die de natuur overtrof in alles wat hij schreef.’ Dat is het vierde en laatste vers van een bijschrift bij een portret van Michel de Montaigne. In het Frans is het laatste woord ‘escrit’, en dat rijmt op het eerder gebruikte ‘esprit’, wat zeer toepasselijk is bij een portret dat voornamelijk dat merkwaardige hoofd laat zien, een hoofd dat veel gedacht heeft, dat bijna kaal is, want waar verstand zit kan niets groeien.

‘De gids was al flink boven zijn theewater’, zo lees ik in een e-mail van Monique Bullinga, uitgeefster van een tijdschriftje over Rabelais, maar ook goed bevriend met Montaigne. Ze heeft diens kasteel bezocht in Saint-Michel-de Montaigne. Of liever: de toren waarin Montaigne zijn Essais schreef. Als bijlagen bij de e-mail vond ik Bullinga’s foto’s van dat bezoek, voornamelijk van de balken in het plafond van de toren, een enorm houten boek, zevenenvijftig houten pagina’s, elke pagina met een Griekse of Latijnse spreuk. Balk 2: ‘God heeft de mens zijn neiging tot kennis gegeven om zichzelf te kwellen.’

Alsof de aanwezigheid van zoveel op hout geschreven wijsheid niet genoeg is voor het moderne toerisme, hebben de curatoren van het museum een schrijftafeltje opgesteld met daaraan gezeten een pop in zestiende-eeuwse kledij. Zou hij die hoed inderdaad binnenshuis gedragen hebben? Terwijl hij naar de balken keek? Het hoofd dat zoveel nadacht, is geheel van wit materiaal. Hier wordt de natuur geenszins overtroffen. Onder die hoed woekert piepschuim.

■ ‘Hoofd’, column van Ed Schilders in de Volkskrant, 22 juni 2001
 

[omhoog, terug naar de lezende kip of naar entree]