François Rabelais

Uit zijn leven en werk


Voor uitzonderlijke en afzonderlijke zaken uit zijn leven en werk is deze pagina over Rabelais bedoeld. Wat hier uiteindelijk te zien en te lezen is, zal de tijd uitwijzen. Opmerkelijke digitale initiatieven zullen zeker gesignaleerd worden, evenals nieuwe publicaties over de schrijver, zijn werk en zijn tijd. De lengte van de bijdragen is wisselend. Op de nieuwe pagina traductions zijn fragmenten uit verschillende vertalingen met elkaar te vergelijken, waarbij, naast de tekst uit de editie-Huchon (1994), Vermeer-Pardoens vertaling als uitgangspunt wordt genomen..
[naar entree of naar de sitemap]
 

Inhoud

[11] Les abstractions drolatiques
[10] Rabelais: radijs of Leidse kaas
[9] W.F. Smith
[8] Wieringa digitaal
[7] Rabelais op de index
[6] Niphleseth
[5] Les songes drolatiques de Pantagruel
[4] Liber amicorum
[3] Forse: corpus Rabelais
[2] ‘Panurg’s Hollands’
[1] Brieven uit Rome

 

[11]
Les abstractions drolatiques

velter
Over de Songes drolatiques hebben we het al gehad (zie [5]). Maar dankzij een tip van Hans van den Bergh kunnen we dit item mooi actualiseren. Vorige maand (oktober 2009) namelijk plaatste Johan Velter op zijn blog een opmerkelijk bericht:

‘In 2009 verscheen bij uitgeverij Sfcdt, gevestigd in Monomotapa,
Les abstractions drolatiques. De 120 tekeningen uit 1565 werden, “pour les amateurs”, naar de 21ste eeuw overgebracht. Dit boek verscheen in een oplage van
126 exemplaren en kost 25 euro.’
 

velter 1velter 2

Geheel in stijl zijn uitgever en plaats van uitgave fictief. Maar de uitgave zelf hoort niet in de wereld van het imaginaire boek thuis, zoals twee van de abstracten aantonen. ■ Wie alle tekeningen wil bekijken moet er snel bij zijn, gezien het beperkte aantal exemplaren waarin de — bibliofiele — editie gedrukt is. Enige uitleg bij dit bijzondere project geeft de kunstenaar / uitgever op zijn blog. [omhoog]
 

[10]
Rabelais: radijs of Leidse kaas

‘Het is met Rabelais als met radijs of Leidse kaas: houdt men er van, dan is het juist om de scherpe smaak die een ander afschrikt. Men is, om het met zijn woorden te zeggen, “pantagruellist”, of men is het niet. Men proeft in de stortvloed van platheden, grappen, toespelingen, parodieën en schaterlachen de sterke gezondheid, of men voelt zich beetgenomen door een taal-fantast en meer niet. Evenals op het klooster van Thélème, een der verrukkelijkste passages uit het boek Gargantua, staat boven heel het werk van Rabelais de spreuk: “Doe wat u aanstaat.” Leef volgens uw natuur, en de natuur leeft in u. Dit is het enige geluk der stervelingen.

Dit sluit echter in — en hier begint, als men zo zeggen mag, Rabelais’ evangelie — dat uw natuur reeds al datgene bevat, wat de moralist met zijn wil en de wijsgeer met zijn bespiegelingen naar zich toe moet trekken. Dat het vlees de steen der wijzen is. Dat reuzen van ingeboren goedgeaardheid, als Gargantua en Pantagruel, zonder schade te lijden aan geest of ziel, de hulpbruggetjes van ethiek en metafysica kunnen veronachtzamen voor de grote polsstok, die de Schepper ons allen heeft meegegeven. De goedgeaardheid is een voorwaarde, maar dan bungelt ook het gehele leven, de avonturen, de mensen, de sprookjes, de vindingen van vernuft en gevoel, als speelgoed aan uw gordel.

Rabelais was een realist. Geen centimeter-realist, als een zeker soort roman-schrijvers, die stapje voor stapje het leven op de voet volgen, maar een zevenmijls-realist, die de werkelijkheid heus niet liefhad of schoon vond en die niet stamelde dat het leven “zwaar maar kostelijk” is. Neen, zijn liefde gold de letteren, met al de hartstocht en onverzadigbaarheid van een humanist. Wat hij voor de werkelijkheid voelde was veeleer een geloof. Hij geloofde vurig in het bestaansrecht van het bestaande, in de geheiligdheid van het gewone. Het leven zelf was een voorbeschikking. Wat leefde was goed, wat goed was leefde. Het kwade was niets dan een onwerkelijke schim, een “Anti-physie”, die reeds voor één druppel bloed bezweek.

Hij leefde in een tijd van stilstand en krachtverzameling. De Paus was besluiteloos, de koning van Frankrijk was besluiteloos, Luther was zijn hoogtepunt voorbij en de Contrareformatie werd aarzelend ingezet. Calvijn publiceerde zijn Institutiones ongeveer in hetzelfde jaar als Rabelais zijn Eerste boek van Pantagruel. Zij waren, met Ignatius, de enige mensen die althans wisten dat zij zelf iets wilden.

Aan de lectuur van Rabelais komt zeer ten goede, wanneer men de vijf boeken niet achtereenvolgens doorleest. Het éne boek Gargantua en de vier boeken Pantagruel zijn vijf afzonderlijke werken, door de schrijver bijna alle met grote tussenruimte en in andere tijdperken van zijn leven geschreven. Men moet beginnen met Pantagruel I, daarna Gargantua (beide boeken zijn naderhand door Rabelais gekuist herdrukt, en hij deed zelfs de onvervaarde uitgever Dolet een proces aan, toen deze een onbesnoeide herdruk bracht) en eerst vervolgens Pantagruel II en III, met privileges van de koning en de kardinaal verschenen, om te eindigen met het veel betwijfelde deel IV van Pantagruel, dat lang na Rabelais' dood het licht zag. Ik meen dat de vertaler verstandig gedaan had, als hij het ‘Levensbericht’ in vijf hoofdstukken had gesneden en telkens zulk een hoofdstuk aan een deel had doen voorafgaan.

Belangrijker echter is, dat de vertaling van Sandfort zo goed is als zulks maar wezen kan. Rabelais verliest reeds als men hem in modern Frans leest, en dit heeft Balzac begrepen, toen hij voor zijn Contes drolatiques zijn taal archaïseerde tot die van de zestiende eeuw. Maar wat er in het Nederlands van Rabelais bewaard kan blijven, is hier met grote woordenrijkdom en dikwijls met veel durf bereikt. De uitgever heeft er door de toevoeging der prenten van Doré en Robida een prachtig boek van gemaakt, het is fraai gebonden en de band is fraai bestempeld, en, als gij eens op een winteravond niet naar de film gaat, maar dit boek bij de kachel op uw knieën neemt en een der delen leest, hebt ge een goede ruil gedaan.’

Martinus Nijhoff, Kritisch en verhalend proza (Verzameld werk II). Gerrit Borgers en Gerrit Kamphuis ed. (Amsterdam 1982), pp. 697-699; oorspronkelijk verschenen in De Gids I 1932; overgenomen van de dbnl. [omhoog]

[9]

smith w f ac 1953

In de Alumni Cantabrigienses (part II, vol. 5, p. 574, Cambridge 1953; met dank aan Steven Wood, Haworth, Yorkshire).

Merkwaardig genoeg wordt zijn magnum opus niet vermeld: The five books and the minor writings / together with / letters & documents illustrating / his life / A new translation with notes / by / W.F. Smith / Fellow of St John’s College Cambridge / Member of the Rabelais Club / Published for subscribers only, 2 Vols (Alexander P. Watt, Londen 1893). ■ J.M. Cohen, die zich ruim een halve eeuw later aan een vertaling waagde (1955), besluit zijn ‘Translator’s introduction’ met de woorden:

‘Smith’s version of 1893 is a painfully exact exercise in the Victorian Tudor style, valuable, however, for its exellent battery of notes. Thinking it his duty to reproduce his master’s sentence forms exactly, this great Cambridg Rabelaisian often matched obscurity with obscurity. [...] Smith’s Rabelais deserves to stand on the shelf beside H.E. Watt’s Don Quixote as a monument of excellent scholarship devoted to a fault theory of translation.’

Lazare Sainéan liet zich in 1930 (L’Influence et la réputation de Rabelais. Interprètes, lecteurs et imitateurs, un rabelaisien (Marnix de Sainte-Aldegonde) een stuk lovender over Smith uit, maar verwijst eveneens vooral naar diens notenapparaat:

‘Elle [la traduction] est pourvue de notes précieuses [...] L’auteur a tiré profit d’Urquhart, mais il a fait de l’oeuvre de Rabelais elle-même une étude approfondie qui donne à sa version et à son commentaire une valeur à part.’

Een fragment uit de verschillende vertalingen is te vinden op traductions: bepaal zelf waar uw voorkeur naar uitgaat — voor zover mogelijk op basis van zo’n kort stukje tekst. Ik heb mijn keuze al gemaakt... [omhoog]

[8]

alle de geestige werken 1682 titelpagina

De complete Wieringa-vertaling (images) digitaal: dat is te danken aan Paul Dijstelberge en zijn Ursicula. Heel mooi dat deze voor rabelaisianen en lexicologen zo belangrijke tekst in het openbare domein is gekomen.
[omhoog]

[7]

rabelesius

Rabelais op de lijst van verboden boeken, in de Index Librorum prohibitorum, 1564. De uitgave is in te zien en te downloaden (image) van de Bayerische Staatsbibliothek. [omhoog]
 

[6]
Niphleseth
by Steven Wood — with thanks to Tamar Yellin for her invaluable help
 

briefve declaration uit huchon ed. 1994There are 'facts' which get copied uncritically from book to book without ever being checked for accuracy. One such 'fact' that has had a very long career concerns Niphleseth, the name of the Queen of the Andouilles in Rabelais' Fourth Book Chapter 42. This states that niphleseth is a Hebrew word for the penis. This explanation first appears in the ‘Briefve Declaration’ in some copies of the first edition of the Fourth Book (Paris, Michel Fezandat, 1552; Plan 78, NRB 45*):

‘Niphleseth. Membre viril. Hebr.’

It is repeated in the anonymous ‘Alphabet de l'Auteur François’:

‘Niphleset. C'est un mot Hebreu, qui signifie le membre viril. l. 4, ch. 42.

The ‘Alphabet’ was first published in the Elzevier edition of the Oeuvres in 1663 and seems to have last been published in the Variorum edition in 1823.

It continues to appear over the centuries down to modern editions and books about Rabelais. I did try to find the word niphleseth in a Hebrew-English dictionary but with no success. This I attributed to my complete ignorance of the Hebrew language. Recently I referred the matter to the Jewish writer and teacher Tamar Yellin. She told me that any such word would have to be from the root p-l-s meaning to weigh or make level, which is not relevant. ■ There the matter rested until I acquired copies of the Revue des Etudes Rabelaisiennes from the Internet Archive. In 1908 Lazare Sainéan published an article on Rabelais's vocabulary in that journal (‘Le Vocabulaire de Rabelais’, RER Vol. 6). In his treatment of Hebrew words he quotes the ‘Briefve Declaration’ and adds (p. 300 n. 5):

‘C'est miphleseth qu'il faut lire, et la Septante traduit le mot par ειδολον, monstre.’

Oddly this information is not repeated in his La Langue de Rabelais of 1922-1923 where he reverts to the ‘Briefve Declaration’ interpretation without further explanation. ■ When I asked Tamar Yellin about miphleseth as a Hebrew word she was able to supply the following information:

‘The transliteration should be “miphletzet” from the root p-l-tz, meaning “to shudder,” the same root that appears in Job 9 v.6, “[the earth's] pillars shudder” and in Isaiah 21 v.4 “a shuddering” and elsewhere. My biblical dictionary (Hebrew and English Lexicon of the Old Testament, Oxford 1977) translates miphletzet as a “horrid thing” (a “thing to shudder at”) and the word is found in I Kings 15 v.13 and its parallel passage at II Chronicles 15 v.16, referring to “some abominable object of idolatry, not precisely known.” But since it is related to the Asherah, which was a fertility tree-goddess, I leave the rest to your imagination."

So the mystery of the nonexistent Hebrew word niphleseth seems to have been cleared up at last.

* Pierre-Paul Plan, Les éditions de Rabelais de 1532 à 1711. Catalogue raisonné descriptif et figuré, illustré de cent soixante-six facsimilés (1905); Stephen Rawles en M.A. Screech, A new Rabelais bibliography. Editions of Rabelais before 1626 (1987). [omhoog]
 

[5]
Songes

In 1565, twaalf jaar na de dood van Rabelais, verscheen Les songes drola- / tiques de Pantagruel, / ou sont contenues plusieurs figures / de l’invention de maistre Fran- / çois Rabelais: & dernie- / re oeuvre d’iceluy, / pour la recreation / des bons / esprits. A Paris, / Par Richard Breton, Rue S. Iaques, / à l’Escruisse d’argent. / M. D. LXV, zoals de oorspronkelijke titel luidt. Deze uitgave bestaat uit een serie van 120 groteske afbeeldingen, die — behalve aan Rabelais zelf — onder meer aan Jacques Callot zijn toegeschreven.

Het is echter een stuk waarschijnlijker dat de onbekende maker zich heeft laten ‘inspireren’ door De zeven doodzonden van Pieter Bruegel de Oude, gegraveerd door Jérôme Cock (1558). Een aantal van de daar aangetroffen figuren treffen we hier, ondersteboven, ook aan. Ook zijn gelijksoortige figuurtjes te vinden in de Devises héroïques van Claude Paradin (1557) en in de Métamorphoses van Ovidius (1559), aldus de tekst bij cat.nr 579 van de tentoonstellingscatalogus Rabelais. Exposition organisée à l’occasion du quatrième centenaire de la publication de Pantagruel (1933).

De uitstekende introductie die hierna volgt schreef Jaap Engelsman oorspronkelijk voor Faicts & Dicts 6. Puzzelen en ‘zoek de verschillen’ kan met behulp van de site van Chris den Engelsman en de fraaie diavertoning van de Songes die door Robin Raybould op het web is gezet. Hieronder twee gedrochtjes uit Bosch’ Het Laatste Oordeel; te koop in ’s-Hertogenbosch, waar nog tot 31 december 2009 De Wereld van Bosch is te bewonderen in het Noordbrabants Museum.

bosch 1 [foto monique bullinga 2008]

bosch 4 [foto monique bullinga 2008]

Actueel Vlak nadat ik Songes op deze pagina had geplaatst, besteedde de NRC
(10 juli 2008) aandacht aan de jonge kunstenaar Leonid Babiichouk (27). Hij studeerde aan de Maastrichtse kunstacademie af ‘met een een dertienluik van drie meter hoog en meer dan zestien meter lang. Panelen vol nachtmerrieachtige taferelen en uitgevoerd in een trefzekere tekenstijl met houtskool en Siberisch krijt’. ■ Op de foto die het artikel vergezelde was iets van dit immense kunstwerk te zien, en wat ik zag was een afschaduwing van Bruegel, Bosch, de onbekende maker van de Songes. Nog iemand die zich hoor hen had laten inspireren dus, en een link naar de Songes-tekeningen die ons onderwerp zijn. Maar nee, Babiichouk zegt nergens, ook niet op zijn site, dat hij aan deze kunstenaars schatplichtig is. Wat we lezen is dit:

‘“Niets van deze tekeningen was gepland. Mensen denken dat het in mijn hoofd zat, maar ik ben verbaasd door wat ik op papier zie. Elke beslissing is genomen op vormgevoel.” [...] Babiichouk zegt dat hij voor hij acht maanden geleden aan zijn veelluik begon nooit op deze schaal heeft gewerkt. Eigenlijk maakte hij video’s en zat hij op A4-tjes “autistisch” uiterst nauwkeurig lijnen te tekenen en uit te gummen tot het volgens hem perfect was. “Vendetta is begonnen met de tekening van de man met de dikke buik. Het is één groot werk geworden. Ik kan er mee leven dat niet alles perfect is getekend.”’

Heeft Babiichouk geen inspiratie gevonden bij de oude meesters, en is de gelijkenis die ik zie gewoon toeval? Het zou mooi zijn als een kenner zijn werk eens nader beschouwde. Hij kan vast beginnen met leonid, Babiichoucks site. [omhoog]
 

Les Songes Drolatiques de Pantagruel
door Jaap Engelsman

Les orteilz avoit comme une espinette orguanisée [...] Les aisselles, comme un eschiquier [...] Le nez, comme un brodequin anté en escusson.
Quart Livre XXXI

In een moderne uitgave van Johann Fischarts Geschichtklitterung (1963) vielen mij de absurdistische houtsneden op waarmee de tekst was verlucht. Over deze platen werd slechts meegedeeld dat ze waren ontleend aan de Songes drolatiques de Pantagruel uit 1565. Dit behoort natuurlijk tot het ABC der Rabelais-kunde, maar wist ik veel. Na overleg met De Tiengeboden werd besloten aan de Songes een inleidend artikeltje te wijden in Faicts & Dicts. De gegevens hiertoe zijn in hoofdzaak ontleend aan de inleidingen door Paul Lacroix en Michel Jeanneret bij herdrukken uit respectievelijk 1868 en 1989. (Zie de literatuuropgave; bij het korte stuk van Lacroix leken paginaverwijzingen mij niet nodig.)

In 1565, twaalf jaar na de dood van Rabelais, verscheen bij Richard Breton, in de rue Saint-Jacques te Parijs, waar de zilveren rivierkreeft uithing, een boekje in octavo getiteld Les songes drolatiques de Pantagruel, ou sont contenues plusieurs figures de l’invention de maistre François Rabelais: & derniere oeuvre d’iceluy, pour la recreation des bons esprits. Na een woord vooraf van amper drie bladzijden bevat het 120 genummerde houtsneden zonder bijschriften.songes jeanneret ed 1989 nr 44 Deze ongekleurde prentjes, waarvan enkele verkleind bij dit artikel zijn afgebeeld, vertonen in een eenvoudige, maar heldere stijl een zo te zien onsamenhangend assortiment rare snoeshanen. Elk plaatje wordt door één figuur gedomineerd; vrijwel allemaal staan ze, zonder nadere indicatie van achtergrond of omgeving, op een stukje grond met grassprieten. De mensachtige, dierlijke en hybride schepsels hanteren allerlei gebruiksvoorwerpen of zijn er zelfs mee vergroeid. Misvormingen, malle tronies en wapentuig zijn legio. Hoewel het volume van de gestalten met een eenvoudige maar effectieve arcering is aangegeven, maken de plaatjes toch een lineaire en vlakke indruk.

In de titel heeft de kunstenaar of de uitgever zich met het woord songe — voorloper van rêve — een alibi geschapen om de verbeelding de vrije hand te kunnen laten (Jeanneret, pp. vi-viii). Deze titel is bovendien de oudste plaats waar het woord drolatique, dat verwant is met het verouderde Nederlandse drol ‘snaak, zot’, in geschrifte voorkomt (Jeanneret, pp. v-vi). Daarna duikt het pas weer op in Balzacs bewust archaïserende Cent Contes drôlatiques (1832-1837).

Voordat ik inga op het auteurschap en de functie van het boekje, eerst een kwestie die de gedachten der lezers ongetwijfeld al een regel of wat beheerst: is er een kans dat ik bij de antiquaar op de hoek een origineel exemplaar tegenkom? En zo ja, wat gaat me dat kosten? Hoe het hiermee tegenwoordig gesteld is weet ik niet, maar Lacroix schreef in 1868 — merkbaar bleek om de neus — dat het laatst geveilde exemplaar van dit gezochte werkje 1500 francs had opgebracht. Bij eerdere gelegenheden was er 150 tot 775 francs voor betaald. Naar schatting van Lacroix circuleerden er, buiten enkele stuks in bibliotheken, slechts vijf à zes op de markt. Aan gissingen omtrent de oorspronkelijke oplage waagde hij zich niet.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat het boek herhaaldelijk is herdrukt. Jeanneret (noot 3) noemt behalve zijn eigen herdruk (2000 ex.) en die van Lacroix (300 ex.) nog moderne herdrukken uit 1823, 1869 (herdrukt in 1959), 1870 (waarnaar de platen van Jeanneret zijn gereproduceerd) en nogmaals 1959. Een zeer bijzondere uitgave wordt gememoreerd door Lacroix: in 1797 beweerde de boekhandelaar Salior de originele, deels ingekleurde, pentekeningen van Rabelais in zijn bezit te hebben. Zijn uitgave van deze schat bleef bij nummer 60 steken. De tekeningen werden in 1807 voor slechts 130 francs geveild. Dat materiaal — voor wie ernaar uit wil kijken — was in folioformaat.

Omtrent de functie of bedoeling van de Songes drolatiques de Pantagruel biedt het anonieme voorwoord uit 1565 weinig houvast. De schrijver pocht op zijn ‘grande familiarité’ met wijlen Rabelais, waardoor hij zich verplicht zag diens ‘laatste werk’, deze ‘dromen van Pantagruel’, uit te geven, Over die hersenspinsels wil hij slechts kwijt dat je zulke rare figuren verder nergens ter wereld vindt, en dat zelfs Panurge op zijn laatste reizen niets wonderlijkers kan hebben gezien. Een eventuele allegorische of mystieke uitleg van de figuren, of het bedenken van passende titels, laat de voorwoordenaar graag over aan wie van zulke zaken verstand heeft. Omzichtig stelt hij dat het niet de opzet is geweest mensen van welke ‘estat ou condition’ ook voor schut te zetten. Pas tegen het slot komen een paar opmerkingen die hout snijden: het boekje is bedoeld ‘seulement pour servir de passe temps à la jeunesse, joint aussi que plusieurs bons esprits y pourront tirer des inventions tant pour faire crotestes [grotesken, JE], que pour establir mascarades’. Een soort modelboek dus voor kunstenaars en ambachtslieden, zoals die al sedert de middeleeuwen in omloop waren.

songes jeanneret ed 1989 nr 10Dat het heus om het ‘laatste werk’ van Rabelais zou gaan, gelooft geen hond, al noemt Lacroix ene Charles Lenormand, die meende dat Rabelais veel verstand moest hebben gehad van bouwkunst en derhalve wel een vaardig tekenaar kon zijn geweest. Aannemelijker is de veronderstelling dat uitgever Breton slechts van Rabelais’ naamsbekendheid heeft willen profiteren. Een jaar tevoren was immers het Vijfde Boek verschenen.

Volgens Jeanneret (p. ii) heeft Jean Porcher in 1959 als meer aannemelijke maker van de Songes een zekere François Desprez voorgesteld. Diens naam staat onder het voorwoord van een kledingplatenboek dat in 1562 bij Richard Breton, drie jaar later uitgever van de Songes, was verschenen: Recueil de la diversité des habits. Bovendien meent Porcher voldoende overeenkomsten in stijl en figuren tussen de Receuil en de Songes te kunnen aanwijzen om Desprez als maker van de laatste te kunnen identificeren. Deze François Desprez, over wie weinig bekend is, maakte beurzen en kledingstukken — zaken die dikwijls met borduurwerk werden versierd. Hij moet zich dus beroepshalve hebben beziggehouden met het ontwerpen of althans kopiëren van ornamenten, en kan zeer wel uit zijn dagelijkse stof dit modelboek hebben samengesteld (Jeanneret, p. iii). (Gemakshalve noem ik hierna de maker van de Songes Desprez.)

Zijn deze plaatjes nu allemaal door Desprez zelf bedacht? Hierop gaat Jeanneret kort in (pp. iv-v). Monsterlijke figuren werden al in de Middeleeuwen uitgebeeld, bijvoorbeeld op kapitelen en in de marges en initialen van verluchte handschriften. Verscheidene onderzoekers hebben gewezen op de met de Songes verwante hybride figuren [zie boven, MB] in de schilderijen van Jeroen Bosch (ca. 1450-1516), die — zoals het werk van alle grote schilders uit die tijd — via prenten algemene bekendheid hadden gekregen. Bovendien bevatten de Songes exacte ontleningen aan prenten naar Pieter Bruegel de Oude (ca. 1525-1569). Daarnaast behoren bepaalde ornamenten en vogeltjes in de Songes tot de traditie der grotesken, die al omstreeks 1500 was opgekomen. Al met al lijkt de iconografische oorspronkelijkheid van de Songes-figuren niet bijster groot, wat overigens in de kunst van die tijd eerder regel dan uitzondering is.

Jsonges jeanneret ed 1989 nr 42eanneret trekt heel wat meer ruimte uit voor een erudiet, zij het nogal speculatief betoog over mogelijke betekenissen of bedoelingen van de Songes-prenten. Hieruit doe ik slechts een zeer kleine greep. Een allegorische of karikaturale strekking kan Jeanneret in de Songes niet ontdekken (pp. xix-xxii), wat gezien het ontbreken van bijschriften niet zo vreemd is. Aardig is wel dat in enkele oude Duitse herdrukken de platen onbekommerd van verklaringen zijn voorzien; zo werd nr. 42 — de hiernaast afgebeelde figuur met de wijnvat-romp — uitgelegd als ‘De zelfmoord van Lucretius’ (Jeanneret, noot 41).

In een beschouwing over de diverse soorten mengwezens die in de Songes figureren trekt Jeanneret (pp. xi-xii) een parallel met de hoofdstukken 29-31 van het Quart Livre, waar een enigszins verwant creatuur wordt beschreven: Quaresmeprenant, ‘confalonnier des Ichthyophages, dictateur de Moustardois’ enz., enz. (zie ook het motto hierboven).

Wangedrochten en monsters — in de zin van spelingen der natuur — werden in die tijd als angstwekkend en letterlijk onheilspellend ervaren (Jeanneret, pp. xxii-xxxii). Dit leidt naar een interpretatie van de Songes als een poging om het monsterlijke onschadelijk te maken door er de draak mee te steken: ‘la carnavalisation de l’horreur’ (Jeanneret, pp. xxxii-xxxvi). Bladeren in de Songes, lezen in le Quart Livre, dat is ‘côtoyer voluptueusement l’horreur’ (Jeanneret, pp. xxxvi-xxxvii). Uiteindelijk komt Jeanneret tot de conclusie (p. xl): ‘Si les Songes doivent quelque chose à Rabelais, s’ils obéissent à un programme, c’est peut-être cela: danser sur la crête de l’abîme, rire à la face du monstre.’ Kortom: het een heeft geen flikker met het ander te maken.

Wat de kunstzinnige kwaliteit — gevaarlijk anachronistisch begrip! — van de prenten betreft, sluit ik me aan bij Van Bastelaer. Deze kenschetste de Songes-prenten in 1907 als ‘un amalgame plus ou moins habile d’emprunts fait à Bruegel, aux Allemands et aux Italiens, et complétés de dessins assez pauvres d’invention et de forme’ (p. 122). Ouderwets mogen de Songes-prenten zeker heten, daar ze immers niets wezenlijks toevoegen aan wat Bosch een halve eeuw eerder al had laten zien. De vergelijking met Bosch, Bruegel en later verwant werk van Arent van Bolten (ca. 1573-voor 1633) — op wiens werk Paul Smith mij attent maakte — en Jacques Callot (1592/93-1635) maakt Desprez’ artistieke beperkingen pijnlijk duidelijk. Toch bieden de houterige houtsneden van de Songes drolatiques de Pantagruel een amusante momentopname uit de lange westerse traditie van grillige artistieke ‘inventies’.

Literatuuropgave

Paul Lacroix ed., Les Songes drolatiques de Pantagruel (J. Gay et Fils, Genève 1868)
R. van Bastelaer, Peter Bruegel l’ancien (1907) dl. 1, pp. 122-123
Michel Jeanneret (ed.), Les Songes drolatiques de Pantagruel (Editions [vwa], La Chaux-de-Fonds 1989).
Dawn of the Golden Age, cat. tent. Rijksmuseum Amsterdam (1993) pp. 301-302, 408-412 (Arent van Bolten). [omhoog]
 

[4]
Liber amicorum

Twee seiziémistes die — uiteraard — ook over Rabelais hebben gepubliceerd worden dit jaar (2008) vereerd met een liber amicorum. Jean Céard, die onder veel meer samen met Gérard Defaux en Michel Simonin een editie bezorgde van Les cinq livres (1994), krijgt een forse bundel aangeboden: Esculape et Dionysos. Mélanges en honneur de Jean Céard. Jean Dupèbe e.a. ed., xxvi-1180 pp. (Droz, Genève). Alleen weggelegd voor bibliotheken en vergelijkbare instellingen, want het gaat voor € 179,88 over de toonbank...

Esprit généreux, esprit pantagruélicque. Essays by His Students in Honor of François Rigolot. Reinier Leushuis en Zahi Zalloua ed., zal 312 pp. tellen en € 34,16 kosten. Rigolot schreef onder meer Les langages de Rabelais (1996). [omhoog]
 

[3]
‘Forse’: Corpus Rabelais

Belangrijk nieuws (1/2008) betreffende de Rabelais-kunde is te lezen op de site van Les Bibliothèques Virtuelles Humanistes. Een groep wetenschappers onder leiding van Marie-Luce Demonet stelt zich ten doel een enorm corpus van primaire en secundaire bronnen betreffende Rabelais te digitaliseren. Forse, ofwel ‘FOnds Rabelais et ses Sources En ligne. Oeuvres et images, éditions majeures et manuscrits’, zal uit zo’n 200 teksten bestaan, onderverdeeld in:

‘1) Plus de 30 éditions des œuvres de Rabelais, publiées entre 1532 et 1564, dont les principales seront en mode texte, accompagnées des manuscrits autographes ou présumés tels et d'une iconographie inédite;
2) Une centaine d’ouvrages constituant les sources d’inspiration de Rabelais, soit très connues comme les Adages d’Erasme, soit moins connues comme la compilation des Lectiones antiquae de Caelius Rhodiginus, auxquelles s'adjoignent des manuscrits inédits relevant de cerles érudits, certains méritant d’être intégralement transcrits;
3) Une cinquantaine d’ouvrages trahissant une influence manifeste de Rabelais (traductions et adaptations) d’une part, ou mentionnant Rabelais pour le critiquer ou le louer d’autre part. La mise à disposition de ces documents vise à fournir des sources de première main, tant pour l’interprétation de l’œuvre que pour le rassemblement des documents biographiques. Pour éviter l’écueil d’une édition encyclopédique gigantesque, le terminus ad quem est marqué par les dates du Moyen de Parvenir (1610-1616) texte de l’un des imitateurs les plus originaux de Rabelais, François Béroalde de Verville, ce qui coïncide avec la fin de l’époque Henri IV. Les traductions les plus anciennes seront aussi mises en ligne (en allemand, néerlandais, anglais).’

Neem de link op in uw favorieten, en houd ook déze pagina in de gaten: we zullen nader berichten over dit grootse project. [omhoog]
 

[2]
‘Panurg’s Hollands’

leeskaart bibliotheek rotterdam 1948

In een van de Rabelais-uitgaven uit mijn verzameling — uit 1874, bezorgd door A.L. Sardou; nr. 248 van de 500 genummerde exemplaren — zat een leeskaart uit de bibliotheek van Rotterdam, geldig voor het jaar 1948. Zo’n relict uit het verleden is op zich aardig genoeg, maar zijn plaats hier dankt het aan twee woorden op de achterkant van de kaart: ‘Panurg’s Hollands’.

panurge's hollands 1948

Als Pantagruel en Panurge elkaar voor het eerst ontmoeten (in Pantagruel IX), spreekt de laatste in vreemde tongen. In het beroemde vraaggesprek antwoordt Panurge steeds in een andere taal; behalve in een paar fantasietalen eerst in het Duits, vervolgens in het Italiaans, Engels, Baskisch, Spaans, Deens, Hebreeuws, Grieks en Latijn. En in het Nederlands. Op de vraag ‘Spreek je een christentaal of bak je er maar wat van? Het lijkt wel Lanternijns’, antwoordt Panurge:

‘Herre ie en spreke anders gheen taele dan kersten taele: my dunct nochtans, al en seg ie v niet een word, myuen noot v claert ghenonch wat ie beglere, gheest my unyt bermherticheyt yet waer un ie ghevoet magh zunch.’ (Huchon ed. p. 248)

Hannie Vermeer-Pardoen vertaalt:

‘Heer, ik spreek geen andere taal dan de taal der christenen. Ik meen echter dat, ook al spreek ik geen woord, mijn nood u duidelijk toont wat ik vraag: geef mij uit barmhartigheid iets waarmee ik me mag voeden.’

Paul Smith schrijft in zijn artikel over de Elzevier-uitgaven van Rabelais (in Smith ed. 1977; zie verkorte lijst), onder verwijzing naar P.G. Bietenholz ed., Contemporaries of Erasmus [...] (1985):

‘On suppose que que ce néerlandais a été écrit par l’ancien secrétaire d’Erasme, le flamand Hilaire Bertholphe, que Rabelais semble avoir bien connu.’

Zo dacht Rabelais er zelf blijkbaar ook over. In zijn brief aan Erasmus, geschreven in Lyon en gedateerd 30 november 1532, schrijft hij op goede voet te staan met de filoloog:

‘Je viens d’apprendre de la bouche d’Hilaire Bertolphe, avec lequel j’en use ici très familièrement [...]’ (vertaling uit het Latijn in Huchon ed., p. 999; curs. van mij, MB).

Over Bertolph of Bertoul heb ik weinig tot niets kunnen vinden. Maar dat komt misschien nog wel. [omhoog]
 

[1]
Brieven uit Rome

Superlatieven schieten soms tekort als je de mogelijkheden van het internet wilt beschrijven. Zómaar een brief van Rabelais op het scherm hebben: ik vind het nog steeds een klein wonder. Hierbij dus: het eerste en het laatste vel van een brief die Rabelais in 1536 schreef (zie hierna), gedigitaliseerd door de bibliothèque nationale française en aldaar te vinden.

lettre de rabelais 1536 [1] copyright bnf


lettre de rabelais 1536 [5] copyright bnf

Dat het gaat om een van de drie brieven die Rabelais vanuit Rome schreef aan zijn beschermheer Geoffroy d’Estissac, abt van het benedictijner klooster in Maillezais (zie chronologie), lijkt duidelijk. Meer is op grond van de afbeelding niet te achterhalen, want bij vergroting komt een ernstig tekort aan pixels boven water. Een gemiste kans, want wat heb je aan een facsimile waarvan de tekst niet te lezen is? De BNF geeft ook overigens geen informatie over de brief — maar de editie-Huchon biedt uitkomst; François Moreau vat het onderzoek samen.

De drie brieven uit Rome (die Hannie Vermeer-Pardoen vertaalde voor Faicts & Dicts, zie ook hierna) zijn uit twee bronnen bekend. De eerste, in manuscript, bevindt zich in de collectie-Dupuy (Bibliothèque nationale), ‘ff’os 63-80, Trois lettres de M. François Rabelais transcriptes sur les originaux. Escrites de Rome, 1536’. Het gaat hier om een afschrift uit de eerste helft van de 17de eeuw. ■ De tweede bron is de — niet erg betrouwbare — uitgave die de gebroeders Sainte-Marthe in 1651 bezorgden: ‘Les / Epistres / de maistre / Francois Rabelais / docteur en medecine, / escrites pendant / son voyage d’Italie, / Nouvellement mis en lumiere. / Avec des Observations Historiques. / Et l’Abregé de l’Autheur. / A Paris, / chez Charles de Cercy, au Palais, / en la Gallerie Dauphine, à la / Bonne Foy Couronnee. / M.DC.LI. / Avec Privilege du Roy.’ Niet erg betrouwbaar dus, maar met een mooi frontispice:

rabelais epitres 1651 maker onbekend

De brief waar het hier om gaat, de tweede, gedateerd 28 januari 1536, maakt in manuscript deel uit van de collectie-Rothschild, eveneens bewaard in de Bibliothèque nationale (A XVI 162). Later is er aan toegevoegd: ‘L[ettre] de Rabelais. Original à l’Evesque de Maillezais à Rome. Elle est imprimée.’ Het handschrift dateert uit de zestiende eeuw, en is volgens Abel Lefranc (1863-1952) niet van Rabelais zelf maar van een tijdgenoot van de meester. ■ Richard Cooper stelt in zijn Rabelais et l’Italie (1991) dat het wel degelijk gaat om een brief en niet om een afschrift: ‘Il s’agit d’une missive qui a été envoyée et reçue et non d’une copie faite par l’expéditeur ou le destinataire: le papier a été plié en six, transpercé et puis scellé avec un cachet; au dos on trouve toujours l’adresse du destinataire et l’accusé de réception, “Rabelays, à (ou de) Romme, xxviii janvier 1536”.’ En bovendien is Rabelais de schrijver: ‘[...] étant donné que l’écriture semble identique à la lettre de Rabelais à Jean Du Bellay du 6 février 1547, universellement reconnue comme autographe [...].’

Hieronder de brief in de vertaling die Hannie Vermeer-Pardoen maakte voor Faicts & Dicts 31 / december 2003. Voor de tekst mét annotatie en illustraties zie dit nummer van Faicts & Dicts (in de leeszaal).
 

AAN MONSEIGNEUR DE MAILLEZAIS
II

Monseigneur,

Ik heb de brief van de tweede december ontvangen die u zo vriendelijk bent geweest mij te schrijven en waaruit ik heb vernomen dat u mijn twee pakjes had ontvangen, het ene van de XVIIIe en het andere van de XXIIe oktober, met de vier handtekeningen die ik u deed toekomen. Sindsdien heb ik u heel uitvoerig geschreven op XXIX november en op XXX december. Ik denk wel dat u die zendingen nu hebt ontvangen, want de heer Michel Parmentier, boekverkoper wonende in de Ecu de Bâle, heeft mij op de Ve van deze maand geschreven dat hij ze had ontvangen en doorgestuurd naar Poitiers. U kunt er zeker van zijn dat er van hier naar Lyon zorgvuldigzal worden omgesprongen met de pakjes die ik u zal zenden, want ik stop ze inhet grote verzegelde pakket met spullen voor de koning, en als de bode in Lyonaankomt wordt het uitgepakt door de gouverneur. Daarna neemt zijn secretaris, een goede vriend van mij, het pakje waarop ik aan de buitenkant het adres van genoemde Michel Parmentier zet eruit. Daarom kunnen er alleen moeilijkheden optreden tussen Lyon en Poitiers. Om die reden heb ik besloten het van een taxatie te voorzien, zodat er tot Poitiers door de boden beter op wordt gepast, omdat ze hopen er nog een centje aan te verdienen. Van mijn kant houd ik genoemde Parmentier steeds te vriend door middel van kleine geschenken die ik hem doe toekomen, nieuwigheidjes van hier of een aardigheidje voor zijn vrouw, zodat hij nog meer zijn best zal doen om kooplui of boden uit Poitiers op te zoeken om u die zendingen te overhandigen. En ik ben het helemaal eens met wat u schrijft, namelijk dat we ze niet aan bankiers moeten toevertrouwen, want dan konden ze wel eens worden beschadigd en opengemaakt. Ik stel voor om de eerste keer dat u mij weer schrijft, en vooral als het om een belangrijke zaak gaat, ook een woordje aan genoemde Parmentier te schrijven en in uw brief een daalder te stoppen bij wijze van erkentelijkheid voor de moeite die hij doet om mij uw pakjes toe te sturen, en u de mijne te zenden. Er is soms maar weinig voor nodig om fatsoenlijke mensen aan zich te verplichten en te maken dat zij, mocht er haast bij zijn, nog meer hun best gaan doen.

Monseigneur,

Ik heb uw brief nog niet aan de bisschop van Saintes gegeven, want hij is nog niet terug van Napels, waar hij naar toe was gegaan met de kardinalen Salviati en Ridolfi. Binnen twee dagen zal hij hier aankomen: ik zal hem uw brief geven en om antwoord vragen, waarna ik u dat antwoord met de eerste renbode zal doen toekomen. Ik begrijp dat hun zaken bij de keizer niet zo zijn afgehandeld als zij hadden gehoopt, en dat de keizer hun uitdrukkelijk heeft gezegd dat hij op hun verzoek en aandringen alsmede op dat van hun medestander en nauwe bloedverwant, wijlen paus Clemens, Alexander de’ Medici had aangesteld als hertog van Florence en Pisa, wat hij zelf nooit van plan was geweest en ook nooit zou hebben gedaan. Hem nu afzetten zou hem tot een soort goochelaar maken die mensen laat verschijnen en weer verdwijnen. Daarom moesten zij maar besluiten om hem te erkennen als hun hertog en heer en hem te gehoorzamen als vazallen en onderdanen, en niet in gebreke te blijven. Wat betreft de klachten die zij inbrachten tegen genoemde hertog, hij zou daar ter plekke een onderzoek naar instellen, want hij overweegt om, na enige tijd in Rome te hebben doorgebracht, naar Siena te reizen en van daar naar Florence, Bologna, Milaan en Genua. Zo keren genoemde kardinalen huiswaarts, samen met de bisschop van Saintes, Strozzi en enige anderen, re infecta. De XIIe van deze maand kwamen de kardinaal van Siena en kardinaal Cesarini hier terug. Zij waren namelijk door de paus en door het hele college als ambassadeurs afgevaardigd naar de keizer. Ze hebben het voor elkaar gekregen dat de keizer zijn komst heeft uitgesteld tot eind februari. Als ik zoveel daalders had als de paus proprio motu, de plenitudine potestatis, en nog wat van die gunstige omstandigheden, aan aflaten zou willen geven aan degene die zijn komst nog een jaar of vijf zes zou kunnen doen uitstellen, zou ik rijker zijn dan Jacques Coeur ooit is geweest.

Men bereidt zich in deze stad voor op een luisterrijke ontvangst. En op bevel van de paus wordt er een nieuwe weg aangelegd waarlangs hij de stad binnen zal komen, te weten vanaf de Sint-Sebastiaanpoort via het Capitool, de Tempel van de Vrede en het Colosseum, en dan laat men hem onder de antieke triomfbogen van Constantinus, Vespasianus en Titus, van Septimius Severus en anderen doorgaan, vervolgens langs het Paleis van Venetië en vandaar over het Campo di Fiori en voor het Farnese-paleis langs waar de paus placht te wonen, dan langs de banken onderaan de
S.- Angeloburcht. Om die weg aan te leggen en te egaliseren, heeft men meer dan tweehonderd huizen gesloopt en neergehaald, en drie of vier kerken met de grond gelijkgemaakt, wat door verscheidene mensen als een slecht voorteken wordt gezien. Op de dag van de Bekering van Sint Paulus heeft de Heilige Vader in de Sint- Pauluskerk de mis bijgewoond en heeft hij een feestmaal aangericht voor alle kardinalen. Na het diner is hij langs bovengenoemde weg teruggegaan en hij heeft in het Sint-Jorispaleis overnacht. Maar het puin van al die gesloopte huizen is een akelig gezicht en de eigenaars ervan hebben geen enkele betaling of schadevergoeding ontvangen.

Vandaag zijn hier de ambassadeurs van Venetië aangekomen, vier brave oude mannen, allemaal met grijze haren, die de keizer in Napels tegemoet zullen gaan. De paus heeft al zijn mensen gestuurd om hen te verwelkomen, kamerheren, kameraars, beambten van de kanselarij, landsknechten enzovoorts, en de kardinalen hebben hun muildieren gestuurd, opgetuigd voor groot ceremonieel. Op de zevende dag van deze maand werden ook de ambassadeurs van Siena geheel volgens de regels ontvangen, en nadat zij in een openbare kardinaalsvergadering hun toespraak hadden gehouden en de paus hun in fraai Latijn in het kort had geantwoord, zijn ze naar Napels vertrokken. Ik geloof wel dat er uit alle delen van Italië ambassadeurs naar de keizer zullen gaan; en hij weet wel hoe hij het aan moet leggen om hun de centen uit de zak te kloppen, zoals we hier tien dagen geleden al hebben ontdekt, maar ik heb nog niet precies gehoord wat voor trucjes hij in Napels heeft toegepast. Daar zal ik u later over schrijven.

De vorst van Piemonte, oudste zoon van de hertog van Savoye, is twee weken geleden in Napels overleden; de keizer heeft hem een heel eervolle begrafenis laten geven en die persoonlijk bijgewoond. De koning van Portugal heeft zes dagen geleden zijn ambassadeur te Rome opdracht gegeven om dadelijk na ontvangst van zijn brief bij hem in Portugal terug te komen, wat de ambassadeur meteen heeft gedaan, en gelaarsd en gespoord is hij de zeer eerwaarde kardinaal Du Bellay vaarwel komen zeggen. Twee dagen later is er midden op de dag bij de S.-Angelobrug een Portugese edelman vermoord, die hier in de stad was om ondersteuning te komen vragen voor de joden die onder koning Emmanuel waren gedoopt en die daarna onder de huidige koning van Portugal onder druk waren gezet om hem bij hun dood hun bezittingen na te laten, en die ook nog op andere manieren door hem waren afgeperst, in strijd met het edict en de verordening van koning Emmanuel. Ik vermoed dat er in Portugal oproer is.

Monseigneur,

In de laatste zending die ik u heb doen toekomen, heb ik u ervan op de hoogte gesteld hoe een deel van het Turkse leger door de Sofi bij Bitlis was verslagen. De Turk heeft niet lang op revanche laten wachten, want twee maanden later is hij met een geweld zo woest als men nog nooit eerder heeft meegemaakt op de Sofi afgestormd, en nadat hij een groot gebied in Mesopotamië te vuur en te zwaard had verwoest heeft hij de Sofi weer teruggejaagd over het Taurusgebergte. Nu laat hij een
groot aantal galeien maken op de rivier de Tanaïs, waarover ze naar Constantinopel kunnen varen. Barbarossa is nog niet vertrokken uit Constantinopel om de streek te
beschermen; en hij heeft een aantal garnizoenen achtergelaten in Bona en Algiers, voor het geval de keizer hem zou willen aanvallen. Ik stuur u zijn portret naar het leven gemaakt, en ook een kaart van Tunis en de zeehavens uit de omgeving. De landsknechten die de keizer had opgeroepen in het hertogdom Milaan om de versterkte steden te verdedigen, zijn allemaal verdronken en op zee omgekomen, ten getale van 1200, en een van de mooiste en grootste schepen van Genua is vergaan. En dat is gebeurd bij een haven van Lucca, Lerici geheten. De oorzaak was dat zij genoeg hadden van de zee en aan land wilden, maar dat niet konden vanwege de storm en het zware weer. Ze dachten dat de kapitein van het schip hen aan het lijntje wilde houden en niet wilde afmeren. Daarom vermoordden ze hem, samen met nog een paar officieren van het schip. Toen die dood waren bleef het schip zonder stuurman achter, en in plaats van de zeilen te strijken gingen de landsknechten, die de zeemanskunst niet verstonden, de zeilen hijsen, en in die algehele verwarring zijn ze vergaan op een steenworp afstand van genoemde haven.

Monseigneur,

Ik heb gehoord dat de bisschop van Lavaur, die ambassadeur des konings in Venetië is, ontslag heeft gekregen en naar Frankrijk terugkeert. Zijn plaats wordt ingenomen door de bisschop van Rodez. Hij heeft in Lyon zijn hele hebben en houden al klaarstaan om te vertrekken zodra de koning zijn bevelen zal hebben gegeven.

Monseigneur,

Ik beveel mij allernederigst aan in uw welwillendheid en ik bid onze Heer dat Hij u gezondheid mag schenken en een goed en lang leven.

Rome, op de XXVIIIe dag van januari 1536


Uw zeer nederige dienaar
François Rabelais

[omhoog, naar entree of naar de sitemap]