|
In geschrifte
Waar we de auteur of een van zijn vele personages in de geschreven media aantreffen, wordt dat geboekstaafd. Onderscheid tussen ‘hoog’ en ‘laag’ in de verschillende genres, tussen fictie en non-fictie en tussen recent en minder recent doet voor ons niet ter zake. Net als in ‘Nuttig & Curieus’ wordt, aldus het redactioneel in Faicts & Dicts 29 (in de leeszaal) , vrolijk ‘overgeschreven en gekopieerd, geplunderd en gedepouilleerd, afgeschreven en overgepend, aangehaald en opgesomd, kortom plagiaat gepleegd met bronvermelding, alles ter meerdere eer en glorie van Rabelais en zijn fatum in Nederland, het leven en de literatuur’. NB In nr. 16 van ‘In geschrifte’ is Faicts & Dicts zelf het onderwerp! Inhoudsopgave Buste Balzac [20]
Voor Faicts & Dicts 15 (in de leeszaal) schreef Piet Offermans ‘“Oarig”. Een Nederlandse vertaling van Balzacs Contes drolatiques’. Aan de verzameling letterkundige parafernalia hier ten huize konden we de beeltenis van de Franse (veel)schrijver toevoegen: Peter IJsenbrant fabriceerde eigenhandig deze fraaie buste van Balzac (foto: de trotse eigenaresse van dit exemplaar). [19] Once — it was many years ago. ‘Our little ones have sundry ills Dear, honest, patient little wife! I wrote the title out for her Those volumes stood upon the shelf Soon from her delusive dream But that was many years ago, And still at night, when all the rest So my dear, knowing little wife Eugene Field, in: idem, A Gentle Obsession (2007); net als nummer 18 gevonden door Ed Schilders. [omhoog] [18] ‘I should trust Dr. O'Rell's judgment in this matter, even if I did not know from experience that it was true. For Dr. O'Rell is the most famous authority we have in bibliomania and kindred maladies. It is he (I make the information known at the risk of offending the ethics of the profession) — it is he who discovered the bacillus librorum, and, what is still more important and still more to his glory, it is he who invented that subtle lymph which is now everywhere employed by the profession as a I once got this learned scientist to inject a milligram of the lymph into the femoral artery of Miss Susan's cat. Within an hour the precocious beast surreptitiously entered my library for the first time in her life, and ate the covers of my pet edition Eugene Field, in: idem, The Love Affairs of a Bibliomaniac (ca. 1910); gevonden door Ed Schilders. [17] ‘Een ontwikkeld mens leest Rabelais; tegen die stelling valt weinig in te brengen, zou je zeggen. Maar in Amerika ligt dat anders. Als een erudiet man “het beste dat in de wereld is gezegd en gedacht [dient] te kennen”,[1] dan mag de Franse zestiende eeuw toch zeker niet ontbreken. En in die periode heeft geen ander de reputatie van deze grote verteller en humanist kunnen evenaren en behouden. Maar wie hem hier te lande leest en er plezier aan beleeft, moet zich al gauw een beetje verontschuldigen, want de filisters zijn onder ons en de huichelarij viert hoogtij. De vals-aardige toon van Sterne spreekt de massa meer aan dan het franke geluid van Rabelais. Bijgevolg wordt een van de grote mannen van Frankrijk — ja zelfs een van zijn geestelijke pijlers, die men dient te kennen om zich een afgerond beeld te kunnen vormen van de Franse volksaard — naar verhouding verwaarloosd. En Rabelais behoort niet enkel toe aan Frankrijk; hij behoort aan de wereld. Toch geldt hij in de Verenigde Staten in het algemeen als een vulgaire, clowneske figuur. Wie zijn werken bezit, bewaart ze op de hoogste planken of in een stil hoekje — want wat zullen de buren wel niet denken. Dat neemt niet weg dat pantagruelisme is wat wij nodig hebben om nieuw leven te brengen in de dorre weiden van de Amerikaanse universiteiten. Het zal nog lang duren — áls het ooit zover komt — dat Rabelais hier algemeen gelezen wordt, maar er zijn een paar mensen die hem lezen, en voor hen is een groot goed geschied. De nieuwe editie van zijn Gargantua and Pantagruel door dr. Albert Jay Nock en mej. Catherine Rose Wilson is fraai en komt gelegen. Het drukwerk is voortreffelijk (als “offer op het altaar van de muggenzifterij” merk ik in het voorbijgaan op dat ik één fout heb gevonden: Le Motteux, op p. v, regel 1, heeft een a in plaats van een o). De talrijke foto’s van personen, gebouwen en locaties zijn alle belangwekkend, vaak fraai en soms, zoals in het geval van de kaart van het schouwtoneel van de Picrocholijnse Oorlog, zeer verhelderend voor een goed begrip van de tekst. De vertaling is die van Urquhart en Le Motteux, maar gemoderniseerd in spelling, interpunctie en hoofdlettergebruik, zodat de lezer niet door een vreemd paginabeeld wordt afgeleid. Moeilijke woorden worden verklaard, maar niet te vaak; er zijn voetnoten, maar niet te veel. En het mooiste is een inleiding van zo’n 190 pagina’s, waarin wordt meegedeeld wat er bekend is over het leven van Rabelais, en die vol staat met het soort literatuurkritiek dat slechts een pantagruelist kan schrijven. De Engelstalige volkeren zijn sinds lang in het gelukkige bezit van een Rabelais-vertaling die zélf klassiek Engels proza is. Urquharts “tekstgetrouwheid” houdt geen letterlijke weergave in, maar maakt op de Engelse lezer een indruk die overeenkomt met de indruk die het origineel maakt op een Franse lezer. In dat opzicht kan slechts de King James-versie van de Bijbel eraan tippen, en die twee vertalingen zijn in onze taal nog altijd zonder weerga. Het is dan ook zeer terecht dat deze tekst gemakkelijk toegankelijk wordt gemaakt voor de moderne lezer; dat de bezorgers in kwestie voor hun taak berekend zijn is zonneklaar. Je hoeft de inleiding maar lukraak open te slaan en je vindt een passage als deze: “Eens en voor al moet worden vastgesteld dat de voornaamste reden om een klassiek auteur als Rabelais te lezen is dat hij — vooral op momenten van zwakte en verslapping — de geest stut en steunt tegen de spanningen van het leven, hem verheft boven platvloerse ergernissen en verloedering, en hem zuivert van vertwijfeling en cynisme.” Die zin zou iedere promovendus moeten inlijsten en boven zijn bureau hangen, wanneer zijn systeemkaartjes hem weer eens te machtig worden. Of denk aan de weldadige uitwerking die dit op de onderzoeker zou kunnen hebben: “Want in zijn kijk op de waarden van het leven staat Rabelais geheel aan de zijde van de wijzen en de heiligen; slechts in zijn methode gaat hij zijn eigen weg. Hij prijst het humanistische leven niet aan, nee, hij vertoont het, en laat het voor zich spreken. [...] Zijn zedenlessen hebben niets vermanends of prekerigs. [...] ‘De gedaante van deze wereld vergaat,’ zei Goethe, ‘ik zou mij slechts willen bezighouden met de omstandigheden die blijvend zijn.’[2] Wel, zo zien wij het allemaal, tenminste af en toe, maar de doorsnee mens wordt niet echt getroffen door zulke verheven woorden, hoe indrukwekkend ook. Zelfs de majestueuze zin die op het graf van een van de Scipionen is uitgehouwen — ‘Qui apicem gessisti, [...] mors perfecit tua ut essent omnia brevia, honos fama virtusque, gloria atque ingenium’[3] — zelfs die is in zijn majesteit diep melancholiek — melancholiek en rustgevend. Rabelais schenkt kracht en licht; hij laat het leven van de humanist een uitbundige vreugde uitstralen, zodat het zich vertoont als iets lieflijks, iets oneindig begeerlijks, waarnaast alle overige verworvenheden vanzelf door de mand vallen als goedkoop, armzalig en triviaal. Je gaat er van harte en blijmoedig een pact mee aan, in het besef dat hierbij vergeleken al wat er verder verloren gaat, niet wordt gemist.” Kan het mooier? Ik betwijfel het.’ Noten van de vertaler: [1] ‘[to] know the best that has been said and thought in the world’. Dit lijkt bedoeld als aanhaling van Matthew Arnolds definitie van criticism: ‘a disinterested endeavor to learn and propagate the best that is known and thought in the world.’ (Een onbaatzuchtig streven om het beste dat men in de wereld weet en denkt, te leren en te verbreiden; Essays in Criticism, First Series, ‘The Function of Criticism at the Present Time’, 1865.) ‘Quei apice [...] gesistei (Jij, die de priestermuts [...] hebt gedragen. ■ De recensie verscheen in Virginia Quarterly Review, 8:1 (jan. 1932) pp. 150-153. [16] ‘Al ruim tien jaar, vanaf juni 1995, verschijnt een aan Rabelais gewijd tijdschrift Faicts & Dicts. Veertig afleveringen zijn de voorbije tijd, “onregelmatig, naar gelang de lust[en] der leden”, gepubliceerd. Van de toezending van het tijdschrift, dat onder redactie van Monique Bullinga, Jaap Engelsman en Ed Schilders stond, kon men zich verzekeren als men over Rabelais schreef. Wie schreef, werd lid van de Rabelais-club “Fay ce que vouldras”. De rol die Rabelais in de Nederlandse literatuur speelde en speelt, werd in die veertig afleveringen nauwgezet gedocumenteerd. Essays van Ed Schilders en Atte Jongstra flankeren er de intelligente analyses van Paul Smith en Dirk Geirnaert. Rabelais-vertaalster Hannie Vermeer-Pardoen beschreef wat het is om het overdonderende geweld van Rabelais te vernederlandsen. André Hanou bracht de receptie van Rabelais in de achttiende eeuw in kaart en Monique Bullinga schreef over de héle Rabelais. De veertigste aflevering van een van de vrolijkste en geleerdste tijdschriften in ons land markeert het einde van het tijdschrift in papieren vorm, het is ook het einde van de exclusiviteit. Enkele rubrieken krijgen vanaf dit jaar een digitale voortzetting op www.rabelais.nl, waar intussen alle nummers van Faicts & Dicts te vinden zijn en nog heel veel meer, zoals — op aanvraag — lemmata van een Rabelais-lexicon “in opbouw”. Wie het beter weet, mag zijn zegje doen.’ ■ Signalement in het nummer van Nieuw Letterkundig Magazijn dat op 22 december 2007 verscheen. De auteur? Peter Altena... [15] ‘On joue beaucoup aux dés chez Rabelais. Gargantua s’y exerce dès l’enfance, Panurge ne saurait vivre sans. Mais à quoi? Au jeu de l’oie? L’épisode de Bridoye y invite mais les historiens sérieux de ce jeu, ceux qui ne le croient ni renouvelé des Grecs, ni égyptien semblent formels. Aucun jeu de l’oie antérieur aux dernières années du seizième siècle n’est conservé. Pourtant, le dominicain italien Barletta (= 1480), dans un sermon pour le quatrième dimanche de l’Avent, parle du jeu de l’oie à cette période de Noël, plus même, il y faut des gros et des petits dés afi n de remédier aux imperfections de la vue dues à la sénescence. Ce texte est, on le sait, paraphrasé par Rabelais: “Sed dicunt quidam. Si vult venire in domum meam in istis festis, paravi plura. Si voluerit ludere at triomphos (tarot) sunt in domo, ad thesseras habeo plura tabulatia, ad aucam habeo taxillos grossos et minutos. Grossos ut si forte male videret, qui a deus senuit”. Le texte est édité à Brescia en 1497-1498, à Lyon dès 1502, 1507, 1524… Cette petite pierre à la surface de la mare tranquille des lectures de Rabelais irradie des cercles concentriques d’autant plus hypothétiques qu’ils s’éloignent du centre. Mais les Silènes alcibiadiques masqués d’oisons bridés et de canes bâtées invitent à… ■ Samenvatting van de lezing die Claude Gaignebet hield voor het in juli 2006 gehouden congres ‘Hasard et Providence, XIVe – XVIIe siècles’ (zie verder montaigne). Opnieuw komt de bijzondere vorm van rechtspraak in een item op deze pagina aan de orde; zie ook [9] en [12]. [omhoog] [14] ‘Ze loeren voortdurend op hun kans: de cellulairen en de hoofdcipiers, de wellustelingen en asceten, de kinderverkrachters, lijkenschenders, lustmoordenaars, de masturbanten en exhibitionisten, de gefrustreerde vagebonden en geboren slaven, de argelozen en achterdochtigen, de hovaardigen en nederigen, de opstandigen en onderdanigen, de levenslustigen en levensmoeden, de overgevoeligen en en de cynici, de dipsomanen en de geheelonthouders, de arroganten en beschetenen, de sadisten en masochisten, de stoutmoedigen en bloothartigen, de zwendelaars en kwakzalvers en ruitentikkers en kuitenprikkers, de gepatenteerde leugenaars en waarheidsapostelen, de gelovigen en agnostici, de op een cent doodvallende Harpagonnen en de geldstukslaanders, de waaghalzen en de labbekakken, de hedonisten en sybarieten en de martelaren die zich pas gelukkig voelen als ze diep ongelukkig zijn, de overspeligen en de kuise Jozeffen, de kuddedieren en de kluizenaars, de dierenvrienden en de mensenbeulen, de ambtenaren en avonturiers, de hoerenlopers en de middernachtzendelingen, de materialisten en idealisten, de terneergeslagenen en opgetogenen, de misogynen en satirs, de ongeduldigen en jobsgeduldigen, de oranjeklanten en revolutionairen, de matriciden en Oedipussen, de kannibalen en de door hen opgegeten wordende vegetarische missionarissen, de zelfingenomenen en de zelfverguizers, de schroomvalligen en de zelfverguizers, de schroomvalligen en de brutale beulen, de esthetici en introspectieven, de exuberanten en introverten, de gatlikkers en reetkruipers, de a-, bi-, homo- en heteroseksuelen en de hermafrodieten, elkaar het licht in de ogen niet gunnend dat ze zelf geen van allen hebben in hun donkere cellen. [13] ‘Den eersten almanak, die in druk verscheen, moeten we zoeken te Weenen. Het was in het jaar 1460 of daaromtrent. Hij was gemaakt “pro pluribus annis”, voor onderscheidene jaren. George van Peurbach of Purbach was de vervaardiger. Daarna, in 1474, kwam Regiomontanus met een almanak voor den dag, die in het Duitsch en in het Latijn werd uitgegeven. In 1491 verscheen er weer een bij den beroemden boekdrukker Engel te Weenen en in 1493 zien we ze in Frankrijk. Eenmaal daar aangeland neemt de almanak al spoedig een guitig tintje aan, dat vooral uitkomt in een van de vele almanakken, die door den snaakschen pastoor van Meudon, Rabelais, gepubliceerd werden. Deze Rabelais was, zoals men weet, een zeer geleerd man, een schrijver van talent, doctor in de geneeskunde, hoogleeraar in de astronomie enz. enz. enz., maar boven alles een snaak. En wanneer hij nu een zeer ernstigen, zeer geleerden almanak heeft geschreven, moet hij zich eens verzetten en schrijft hij onmiddellijk zijn: Pantagrueline prognostication, waarin we b.v. bij het derde hoofdstuk kunnen lezen: “‘Over de ziekten van dit jaar’. In dit jaar zullen de blinden weer weinig zien, de dooven vrij slecht hooren, de stommen ter nauwernood spreken, de rijken zich een weinig beter bevinden dan de armen en de gezonden beter dan de zieken”, enz. enz. enz. ’t Was alsof de vroolijke Rabelais een loopje nam met den geleerden Rabelais en zich eens lustig maakte met de voorspellers der toekomst.’ [12] — 1 — In het jaar 1550 leefden er in Frankrijk drie mannen die tot op de dag van vandaag beroemd zijn gebleven. Rabelais had toen nog maar drie jaar te leven, Montaigne was vijftien en Ronsard zesentwintig jaar. Montaigne stierf in 1592, Ronsard in 1585. Een zo illuster gezelschap was zelfs in Frankrijk uniek. Als een kostbaar kleinood koester ik de liefdesverzen van Ronsard opgedragen aan Cassandra, niet de legendarische dochter van Priamus, koning van Troje, en zienares van onheil, maar een jonge vrouw van vlees en bloed, getrouwd met een ander maar dat deed er toen niet veel toe. Juist in 1550 wijdde hij vele gedichten aan haar in de bundel die hem beroemd maakte: Odes. Tandis que vivons ores, Liefde kent geen wetten (en wetten kennen geen liefde). De goddelijkheid van liefde past eeuwigheid. Zoals toen en nu gebruikelijk versmaadde Cassandra haar hartstochtelijke, dove minnaar; ze hield alleen van zijn gedichten. Van Duinkerken heeft in 1935 (hij was toen tweeëndertig) een opstel aan Ronsard gewijd in De mensen hebben hun gebreken. Daarin vertelt hij zijn lezers ook dat Ronsard en Rabelais elkaar kenden en dat Ronsard Pantagruel bewonderde. Waarschijnlijk woonde hij de begrafenis van Rabelais in 1553 bij. In elk geval vervaardigde hij zijn grafschrift, waarin hij, weinig delicaat, vooral aandacht vroeg voor zijn ontembare dranklust: ‘Le gallant bouvoit nuit et jour’. — 2 — Bemiddeling, bij ons gemakshalve aangeduid als médiation, is nu aan de orde van de dag. Zij verdient volgens velen de voorkeur boven de zwart-witbeslissing van de rechter. Wie een klein beetje meer gelijk heeft dan zijn tegenstander krijgt in die rechtspraak voor honderd procent gelijk. Dat wil zeggen in de meeste gevallen. Want in het verkeersrecht is het al doodgewoon dat bij een ongeval ieders schuld wordt vastgesteld ter afdoening van de schade. Vergeten wordt bij die lofprijzing van de bemiddeling dat er heel wat zaken zijn waarbij bemiddeling niet te pas komt omdat de zwart-witbeslissing de enige is die deugt. Het zal vooral bij dispuut over de hoogte van een schadevergoeding en over de bestanddelen van de schade zijn, dat bemiddeling de beste uitkomst biedt. — 3 — Alle gekheid op een stokje (zou mijn moeder zeggen), maar één ding is in elk geval niet gek: dat een zaak waarin beide partijen enig gelijk en enig ongelijk hebben (wat een niet zelden voorkomend geval is) alleen maar beider tevredenheid kan opwekken als het niet is een zwart-witoordeel maar een met gemengde kleuren. Anders gezegd: médiation moet waar het past ook rechters-recht worden. ■ Voorpublicatie uit: J.C.M. Leijten, De Glorie van het Recht, dat in februari 2008 zal verschijnen bij Uitgeverij Balans. J. Leijten (zie ook fcqv) is in oktober 2007 lid geworden van de Rabelais-club ‘Fay ce que vouldras’, en heeft met de publicatie van bovenstaand artikel op rabelais.nl meteen aan de enige aan het lidmaatschap gestelde voorwaarde voldaan. ■ Lees ook hieronder rechtspraak enz. [omhoog] [11] ‘Oeuvres de Rabelais. Texte par Louis Moland. Illustrations de Gustave Doré. Paris, 1873. Niemand kan over Rabelais spreken, of hij behoort van te voren aan te kondigen dat hij weinig of niet citeren zal. De reden waaróm is, met verwijzing naar eene anekdote uit het leven van Sterne, door Sainte-Beuve genoemd: “Wanneer men, zelfs in tegenwoordigheid van heeren, want in die van dames is het volstrekt ondoenlijk, overluid een hoofdstuk uit Rabelais zal voorlezen, dan gevoelt men zich steeds te moede als iemand die op een regenachtigen dag een marktplein moet oversteken, waar des morgens verkooping van schapen en runderen gehouden is. Telkens eene schrede regts of eene schrede links, ten einde dit of dat gedenkteeken eener andere dan menschelijke tegenwoordigheid te ontwijken, en niet al te bemodderd den overkant te bereiken. Eene dame verweet eens aan Sterne, dat in zijn Tristram Shandy zoo vele onvoegzame tooneelen voorkwamen. ‘Mevrouw,’ antwoordde hij zonder dralen, wijzend naar een driejarig knaapje dat in paradijskostuum over het tapijt rolde, ‘ziedaar mijn boek: even naakt, maar ook even onschuldig.’” Bij Rabelais komt men er zoo gemakkelijk niet af. Het knaapje is bij hem een volwassen man geworden, en niet alleen een man, maar een monnik of een reus. Het heet Gargantua, het heet Pantagruel, het heet Panurge, en gaat voort, niets te verbergen. Van een tot de dames gerigt: “Ziedaar, mevrouw!” kan geen spraak zijn; zelfs onder mannen moet, als men zekere grenzen niet overschrijden wil, gekozen worden.’ ■ De nieuwere kritiek is van meening dat sommige anekdoten uit Rabelais' leven, welke overigens in zich zelf geen aanstoot geven kunnen, louter fabelen zijn en uit eene ernstige biografie voortaan behooren geweerd te blijven. ■ C. Busken Huet, ‘Rabelais’ [1872], in zijn Litterarische fantasien en kritieken (26 delen, 1868-1885). Lees verder in de dbnl, alwaar ook verscheidene portretten van de veelschrijver te zien zijn. [omhoog] [10] Op 21 maart 1912 werd in de rubriek ‘Kunst’ van de Leeuwarder Courant in een paar regels aandacht besteed aan een op stapel staande Rabelais-uitgave: ‘Binnenkort zal een volledige, definitieve uitgave van de werken van Rabelais verschijnen. Een markiezin heeft 50,000 frcs. gegeven voor allerhande onderzoekingen, die bij deze uitgaaf noodig geweest zijn.’ Die anonieme adellijke dame uit het bericht betrof de Marquise Arconati Visconti née Marie-Louise-Jeanne Peyrat (1840-1923), en zij gaf met haar schenking de aanzet tot de befaamde editie bezorgd door Abel Lefranc e.a. Deze ‘édition critique’ zou helaas nooit voltooid worden; tussen 1913 en 1931 verschenen de eerste vijf rijk geannoteerde delen; in 1955, drie jaar na de dood van Lefranc, kwam nog een zesde deel uit: Quart Livre I-XVII. Dat de markiezin de Franse letteren en met name Rabelais een warm hart toedroeg blijkt ook uit het feit dat zij eerder al een Rabelais-uitgave mogelijk maakte. V.-L. Bourrilly’s editie van de Lettres écrites d’Italie par François Rabelais (Décembre 1535-Février 1536) (1910) meldt:‘Cette édition a été publiée / aux frais de la donation Peyrat / faite au Collège de France / par Madame la Marquise Arconati Visconti.’ ■ Lefranc betreurt in het voorwoord van deel V (1931) haar verscheiden en steekt nog eens de loftrompet over haar (pp. vii-viii): ‘Si l’édition critique a pu être commencée en 1907, ce fut grâce à l’initiative toute spontanée de la marquise Arconati Visconti, fille d’Alphonse Peyrat. Cette femme généreuse et éclairée, à l’intelligence fine et cultivée, dont le nom restera attaché à tant d’oeuvres utiles et à toute une série de fondations scientifiques et d’enrichissements de nos musées, s’est éteinte, à Paris, en mars 1923. Passionnée de l’étude du seizième siècle, et specialement curieuse de l’histoire de la Renaissance française, elle avait voué aux ouvrages de Rabelais un véritable culte, qu’elle se plaisait à affirmer en toute circonstance. Ce sentiment s’était manifesté dès ses années de jeunesse, comme le prouvent les lettres que lui écrivait Léon Gambetta en 1877 et dont nous avons publié le texte dans la R.E.R. [Revue des Etudes Rabelaisiennes] de 1904. A partir de cette même année, elle suivit assidûment les cours que le signataire de ces pages professait au Collège de France sur la vie et les oeuvres du Chinonais. Ce fut même à l’issue de l’une de ces leçons, consacrée à Pantagruel, qu’elle lui proposa, avec cette conviction enthousiaste et communicative qui rendait son amitié si précieuse, d’organiser le travail. Dat laatste, we zagen het al, is er niet van gekomen. Maar de mooie, oprecht gemeende woorden van deze grote Rabelais-kenner komen de culturele weldoenster zeker toe. Op de website van het kasteel van gaasbeek is een foto van haar te zien. [omhoog] [9] ‘In Pantagruel [X-XIII] van Rabelais hebben de heren Baisecul (“kontlikker”) en Humevesne (“scheetruiker”) een hoog oplopend geschil dat het begrip van het gerechtshof ver te boven gaat. Een gezelschap van hooggeleerden bijt zich stuk op de zaak zonder tot een uitspraak te komen. Ten einde raad roept men de reus Pantagruel te hulp, die zich faam heeft verworven met briljante weerleggingen van wetenschappelijke uitspraken. Eerst laat hij Baisecul zijn eis formuleren, die bestaat uit een adembenemende woordenbrij waar geen touw aan vast te knopen is. Dan verdedigt Humevesne zich al even welbespraakt met hoorndolle wartaal. [8] Wie schreef Spionnen rond het Vaticaan, Broeder Panurge — contraspionage? Want dat beduimelde pocketje had ik in een antiquariaat opgedoken, en de vraag luidde: was ik een schat op het spoor gekomen? Ja en nee. Jacques-Henri Juillet (1919-1986) tekende, zo bleek later, zelfs voor een rééks met ‘Broeder Panurge’ in de hoofdrol. In de Volkskrant van 11 april 2003 schreef Annemarie Oster erover. Zij had de vertaling van La nuit des loups gemaakt, in 1966 bij Uitgeverij Born uitgekomen: ‘Spionnen rond het Vaticaan heette die – katholiekerige – detective. Hoofdpersonage was een potige kerel in monnikspij: Frère Panurge. Kruiste onrecht zijn pad, dan sloeg hij eerst een kruis en er daarna op los.’ Dat doet eerder aan Broeder Tuck (die van Robin Hood) denken dan aan een kruising van Broeder Jan en Panurge, maar toch lijkt Juillet zijn Rabelais wel gelezen te hebben: ‘Broeder Panurge maakte een protesterend gebaar: Met de nadruk op lijkt en op zou. En nog een keer: ‘Panurge, die maar al te goed wist, dat je met een lege maag tot niets in staat bent en die goed op de hoogte was van de eetlust van zijn vrienden, had een buffet, Gargantua waardig, laten aanrukken, waar hammen, worsten en koude kippen hoog opgetast stonden en dit alles besproeid met ferme flessen van de beste Lacrima Cristi en een weelde aan Chianti en Frascati. Genoeg om een heel klooster een maand lang in leven te houden!’ Jammer genoeg rechtvaardigt zelfs de connectie met Rabelais een plaats van deze pocket op de plank curieus niet: het is nauwelijks te verteren kost, met een onwaarschijnlijk plot en even ongeloofwaardige hoofdpersonen, en taal en stijl zijn die van een ondeugende puber uit de jaren ’50 van de vorige eeuw. Op het omslag wordt een samenvatting gegeven die daarom na lezing van het boek nogal overtrokken blijkt: ‘Wie is Broeder Panurge? Wie verbergt zich achter de zwierige monnikspij? Een Don Camillo der spionage, op goede voet met Sint Antonius en niet in staat een mens te doden zonder hem eerst de absolutie te geven? ... Het adembenemend, duivels plan van een duistere groep neo-nazisten kan alleen door drastisch optreden gekeerd worden. Broeder Panurge deinst er niet voor terug...’ Er zijn in elk geval vier deeltjes in de reeks verschenen en in het Nederlands vertaald: 1: Frère Panurge fait de l’espionnage, 1962; (Spion te middernacht, 1962); 2: La nuit des loups (Spionnen rond het Vaticaan, 1966); 3: La mort au crépuscule (Spionage in de schemering); 4: Corrida pour une inconnue (Spionage voor een mooie onbekende).■ Aangetroffen in de Franse digitale boekhandel (9/2007) verder nog Poker du diable (Les missions du Père Panurge), 1970); Les missions de Frère Panurge - L’homme De Gibraltar (Continental Pocket, z.pl. 1970); Frere Panurge fait de l’espionnage (Atlantic et Grand Damier, Livre ancien z.pl. z.j. [1962]); L’Etrange mission de Frère Panurge (z.pl. 1962). De achterplattekst van Spionnen rond het Vaticaan (1966), hier in zijn geheel overgenomen, roept enkele vragen op: ‘De Franse schrijver Jacques-Henri Juillet woont in Bordighera, Italië. In 1940 werd hij — als cavalerie-officier gelegerd in de Maginot-linie — door de Duitsers gevangen genomen. In 1943 vluchtte hij — na vijf mislukte pogingen — uit het kamp Colditz bij Weimar, waar ook de Franse generaal Giraud gevangen zat, naar Frankrijk waar hij deelnam aan het verzet. Zijn eerste boek, “Les nuits perdues” (oplage 100 000 exemplaren) werd, na in het Engels te zijn verschenen, in Frankrijk verboden. Tot nu toe heeft Juillet 200 boeken geschreven waaronder historische romans, studiën, enz. In de afgelopen jaren heeft hij zich gespecialiseerd in de spionage en haar bestrijding. In de daaruit voortvloeiende romans keren steeds dezelfde figuren terug, zoals Broeder Panurge, Jeff Dermont, Jacques Werner, Sturm en anderen. Dit roept als gezegd een aantal vragen op, van biblio- en biografische aard. Wanneer verscheen de oorspronkelijke, Franse (?) uitgave van Spionnen rond het Vaticaan? Waarom was Juillets eerste boek in Frankrijk verboden? Waarom kwam het oorspronkelijk in Engeland uit? Of was het eerst in Frankrijk verschenen en werd het na de vertaling — meteen in het Engels geschreven? — pas verboden? Geldt dat oplagecijfer de Engelse of de Franse titel? Is een oplage van 100.000 exemplaren wel geloofwaardig voor een boek dat in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw verscheen? En die 200 boeken ‘tot nu toe’, dus tot 1966: waar zijn die gebleven? De WorldCat (9/2007) geeft drie titels buiten de bovengenoemde: Les visiteurs de l’an 2000 (Parijs 1956), Les paladins du ciel, Le septième ciel en... Spionnen in het Vaticaan. ■ Wie was deze Juillet? Heeft de auteur van de Frère Panurge-reeks wel onder deze naam bestaan? Ook geboorte- en sterfdata kunnen immers gefingeerd zijn. Hij komt niet alleen in geen enkel door mij geraadpleegd naslagwerk voor, zelfs internet helpt niet. De Franse wikipedia kent de vermeende veelschrijver niet, en geen enkele zoekmachine brengt uitkomst. Toch móét hij sporen hebben achtergelaten, andere dan die paar van de ‘meer dan 200’ boeken — het is heel wel mogelijk dat ik niet goed genoeg gezocht heb. Of... is die flaptekst ontsproten aan het brein van een gehaaide redacteur? [omhoog] [7] Jaap Engelsman herinnerde zich het openingslied van ‘Ja Zuster, Nee Zuster’: ‘Doe wat gij wilt’ in een heel andere context valt te lezen in een vliegend blaadje, ‘Alleen Jezus brengt vrede’, dat me op straat in handen werd gedrukt door toch wel blije types: [6] ‘Er welde een traan bij me op, die over mijn wang rolde en hoorbaar op de grond viel, stijf bevroren. Zjenski bukte zich en raapte hem op. Het spoor ervan prikte in mijn wang, maar de traan zelf lag als een parelend geschenk in Zjenski’s handschoen. [5] ‘Ja, Rabelais was een zeer groot man. 't Was de reactie, de krachtige en verdiende, de zwaar-ware reactie tegen-in het einde, het dood-dorre einde, het God-misbruikend, mensch-arme einde dier eens zoo prachtige, voor ons mysterieuse, maar zonder ontkennen glorie-rijke Middeleeuwen. François Rabelais was de eerste moderne mensch. Niet als mensch, op zich-zelf, maar als negatief, over-donderend negatief, tegen dat, wat zoo groot en zoo schoon was geweest, maar, dat, zooals alles wat leeft en zich uitspreekt, tot niets moet vergaan. Neen, geen donderend, een schertsend, een grijnsend, maar door dat alles en mèt dat alles een donderende negatie. Ja, Rabelais was een zeer groot man, een man van eeuwen, een man van metaal, van glinsterend metaal. Hoe men hem ook omkeert, is hij flink-magnifiek, een man, die staat. Die staat voor God en zich-zelf en de wereld, al voelt hem ook niemand, maar zijn diep sterk streven is een kracht die blijft, door de eeuwen heen blijft. Hij heeft alles van zich afgedaan, wat andere menschen, die zich mannen durven noemen, verkleint en bevlekt. Hij heeft geen kleine en dwingerige willetjes op dingetjes ydellijk, hij is eenvoudig goed en eerlijk, maar smaadlijk verachtend en dóór-ziend-vernietigend, de man, die zich weet. Rabelais is een kracht, een donderende wereld-kracht, want achter al zijn schertsen, en achter al zijn grappig-zijn o zoo grappig caricaturiseeren, zit een vernietigd gevoel. Een gevoel dat er geen gevoel is in heel die menschheid, een gevoel, dat ze allemaal zijn, wat men noemt idioot, grandioos idioot. Ja de menschheid is groot in haar staêgen vooruitgang maar de individuen zijn idioot, kolossaal idioot.’ ■ Willem Kloos ‘Gedachten en Aphorismen I’, De Nieuwe Gids 9(1894), pp. 330-331; ook te vinden in de dbnl. [omhoog] [4] ‘In hoofdstuk dertien van het boek Gargantua van getuige Rabelais kunnen we lezen met welke voorwerpen Gargantua zijn kont afveegde. Genoemd worden onder andere een fluwelen neuswarmer, salie, venkel, dille, marjolein, een vloerkleed, een tafellaken en een kamerjas. Gargantua beweert dat hij veel genot beleefde door zijn billen af te vegen met de fluwelen neuswarmer van een jongedame. ■ Gesignaleerd door Peter Altena en geschreven door Arnon Grunberg, De mensheid zij geprezen. De nieuwe Lof der Zotheid (7de dr. 2001, pp. 123-125). [omhoog] [3] ‘Omdat ik de klassieken rijker en spannender vind, houd ik mij nauwelijks met de modernen bezig [...]. Tot de eenvoudigweg vermakelijke boeken uit de moderne tijd reken ik Boccaccio’s Decamerone, Rabelais en de Basia van Janus Secundus (als die in deze categorie thuishoren): zij zijn het waard om aandacht aan te besteden.’ [2] ‘Le septuagénaire soupirait après le moment où il pourrait vivre à sa guise. S’il avait peu de connaissances en haute typographie, en revanche il passait pour être extrêmement fort dans un art que les ouvriers ont plaisamment nommé la soûlographie, art bien estimé par le divin auteur du Pantagruel [...] Jérôme-Nicolas Séchard, fidèle à la destinée que son nom lui avait faite, était doué d’une soif inextinguible.’ [1] ‘Ik heb in Londen wel eens een reclame voor bouillon gezien, waarbij een os in een kopje werd afgebeeld, met het onderschrift: “An ox in a teacup”. Het is te hopen — en trouwens ook wel waarschijnlijk — dat er in die voorstelling eenige overdrijving school. *** Gargantua was een fabuleuze reus, die al in oude Keltische sprookjes voorkomt; onder den naam Gurgunt. Over hem bestonden allerlei verhalen, en Rabelais, die toen dokter aan het groote ziekenhuis te Lyon was, bezorgde in 1532, te midden van allerlei andere, ook wetenschappelijke werken, op verzoek van een uitgever, een nieuwen druk van een boekje met allerlei kinderachtige verhalen over de faits et gestes van dien reus. (Noot 2: Dat zeg ik hier nu allemaal maar zoo, of er geen vuiltje van twijfel aan de lucht is. Inderdaad is de heele geschiedenis en voorgeschiedenis van Rabelais’ werk het onderwerp van eindelooze twistvragen. Wie ingelicht wil worden over den “stand der quaesties”, zal, geloof ik, het best ingelicht worden door het mooie en prettige boek van Paul Stapfer, hoogleeraar te Bordeaux, Rabelais, sa personne, son génie, son oeuvre (Paris, Colin, 5e druk 1918).) Van dat boekje, dat een geweldig succes had, en dat Rabelais wel voornamelijk mag hebben uitgegeven om zijn zieken te amuzeeren — zooiets was geheel in zijn geest — zijn nog maar twee of drie exemplaren gevonden. *** Laat ik u een tafereeltje uit het eerste boek vertellen. Gargantua, de reus — hier is hij een reus, en een geweldige, maar op andere plaatsen blijkt Rabelais dat vergeten te zijn — heeft de klokken van de Notre Dame genomen; die moeten dienen om als belletjes om de nek van zijn merrie te hangen. Bon. Maar er ontstaat nu over die zaak een hevige beroering in Parijs. De Sorbonne wijdt een spoedvergadering aan ’t geval; waarin dan na veel betoog en haarklooverij pro- en contra, alles precies in de vormelijke vormen van het scholastiek dispuut, besloten wordt, dat de oudste en bekwaamste van al de doctoren der Faculteit naar Gargantua zal worden afgezonden, de oer-geleerde Janotus de Bragmardo; om den reus uiteen te zetten, hoe verschrikkelijk lastig het verlies van die klokken is. [Terzijde. We blijven niet citeren uit de vertaling van Hannie Vermeer-Pardoen. Schaf deze snel aan nu het nog kan; er is een ‘voordeeleditie’ uitgebracht (2004) die slechts 48 euro kost!] Dit nu is een tafereel en een beschrijving, die Rabelais’ geest typeeren. Ongetwijfeld is er kostelijke humor in de vondst, éérst de klokken terug te geven, en dan zich het genoegen te gunnen te luisteren naar het betoog, waarin men verzocht wordt dat te doen. Een hóóge humor, want een humor die iets heeft van den goedmoedig over het spitsvondig ijveren der menschen lachenden reus. Maar toch ook: een humor zonder eenig meerderheidsvertoon; een humor die zich voordoet als een grap-zonder-meer. Een grap die opgaat in één reusachtigen lach, waaraan het danig beschonken oude heertje ook op ’t allergeweldigst deelneemt; die door den “theologalen” dronk trouwens te makkelijker naar den lachkant meezwenkt. ■ Geschreven voor het Haagse dagblad De Vaderlander (1928), is dit artikel later opgenomen in Walchs bundel Boeken die men niet meer leest (1930). Hoewel het als pdf is in te zien in de krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek, is het uitgeprint alleen met een goede loep te lezen. Daarom hier — uitzonderingsgewijs — het hele artikel. ■ De lach van Rabelais wordt er gul in uitgemeten, en Gargantua & Pantagruel, een boek dat in 1930 ‘niet meer gelezen’ werd, verscheen ironisch genoeg nog geen jaar later voor de tweede maal in de geschiedenis in het Nederlands, nu in de vertaling van Sandfort... ■ Beheersten Walchs lezers het ‘lekkere, smeuïge Fransch’ voldoende in 1928? Geen idee. Maar anno 2007 zal dat zeker niet meer het geval zijn. Hier zij dus nogmaals graag verwezen naar de vertaling van Hannie Vermeer-Pardoen. Voor een recentere ‘stand der quaesties’ is er Gérard Milhe Poutingon, François Rabelais. Bilan critique (1996). [Informatie over Jan Walch] [omhoog]
|
|||